Gokken

De Zuid-Koreaanse Vinnie Ko kwam in 2009 naar Groningen voor zijn studie wiskunde. Hij hapt haring, leest Jip en Janneke, staat voor een brugklas in Emmen en wint een schrijfwedstrijd. Driewekelijks schrijft Vinnie over de successen en hindernissen van zijn integratie.

Voor mijn werk heb ik een tweedaagse cursus met andere trainees. Het is op een landgoed in Driebergen en we blijven daar slapen. Als ik ’s avonds mijn tanden ga poetsen, kom ik tot de ontdekking dat ik iets ben vergeten. Ik loop naar de lobby.

‘Heeft u toevallig tandenpasta?’ vraag ik aan de man achter de incheckbalie. ‘Ik kom er net achter dat ik alleen mijn tandenborstel heb meegenomen.’

‘Ja hoor, u bent niet de enige. Deze vraag krijgen we dagelijks’, zegt de man. Hij overhandigt me een mini-tube.

Terwijl ik op mijn kamer mijn tanden poets, kijk ik naar de verpakking. Ik lees ‘fluoride tandpasta’. Huh? Er klopt iets niet. Ik lees de tekst nog een paar keer. Altijd gebruikte ik het woord ‘tandenpasta’, ook zojuist bij de incheckbalie. Maar het juiste woord blijkt nu ‘tandpasta’ te zijn.

Ik spoel snel mijn mond en pak mijn smartphone. Volgens Van Dale is het inderdaad ‘tandpasta’ en niet ‘tandenpasta’.

Ik zoek nog een woord op. Bij de borstel waarmee ik mijn tanden schoonmaak, blijkt het andersom te zijn. ‘Tandborstel’ is fout en ‘tandenborstel’ is juist.

Ik zoek nog een paar woorden op die met ‘tand’ beginnen. Sommige combinatiewoorden gebruiken de meervoudsvorm ‘tanden’ zoals in ‘tandenborstel’ en ‘tandenstoker’. Maar bij andere combinatiewoorden, zoals ‘tandpasta’ en ‘tandarts’, wordt opeens de enkelvoudsvorm gebruikt. Mijn verwarring is compleet.

Ik vraag mijn taalcoach of hij een trucje weet dat ik kan gebruiken om te bepalen welke combinatiewoorden met de meervoudsvorm gemaakt zijn en welke met de enkelvoudsvorm.

‘Nee, er zit geen logica achter. Maar iedereen weet gewoon dat “fietsbrug” geen “fietsenbrug” moet zijn en “fietsenstalling” geen “fietsstalling”. Voor jou wordt het helaas gewoon puur gokken’, was zijn antwoord.

Als mijn taalcoach en ik klaar zijn en hij zijn tas inpakt, zeg ik tegen hem:

‘Ik fiets met je mee. Ik moet naar de boekenwinkel. Ik heb een boekbon die bijna verlopen is.’