Marjan Berk, Toen de wereld nog jong was; Naar het zuiden!; Te laat voor de lobelia’s

Golden girls

Marjan Berk

Toen de wereld nog jong was; Naar het zuiden!; Te laat voor de lobelia’s

Atlas, respectievelijk 158, 158 en 153 blz., €13,50, € 13,50 en € 15,-

Bij zo veel productiviteit – inmiddels verscheen ook al haar geestige zoektocht naar haar voorvaderen, een volkomen onvergelijkbaar document (Het bloed kruipt: Op zoek naar Jacob Cats) – zou je bijna vergeten stil te staan bij het feestelijke moment dat Marjan Berk een unieke romantrilogie afrondde. Vier jaar geleden verscheen het eerste deel, Toen de wereld nog jong was, misschien wat al te guitig aangekondigd als «Sex and the City voor senioren», want als Berk één ding liet zien met deze roman was het wel dat ze ook in staat is junioren in te pakken. Schrijvers als Marjan Berk hebben het desondanks in ons taalgebied niet echt makkelijk. Anders dan bijvoorbeeld in Engeland, waar hele generaties schrijvers zich toeleggen op «comedies of manners», die op de allereerste plaats «witty» zijn, en elegant en licht, val je in Nederland al snel tussen wal en schip als je literatuur schrijft die vrolijk is. Wat niet wil zeggen dat Berk inmiddels niet haar publiek zou hebben gevonden – en omgekeerd – met de grote hoeveelheid verhalen, romans, toneelteksten, scenario’s, kinderboeken en columns die ze op haar naam heeft staan.

Met haar laatste trilogie – behalve uit het reeds genoemde Toen de wereld nog jong was bestaande uit Naar het zuiden! en Te laat voor de lobelia’s – bewijst Berk des te meer een type literatuur te schrijven dat nu eens niet onder die beruchte Nederlandse kaasstolp ligt te zweten, maar dat zich doodgemoedereerd en geheel actueel op de buitenwereld richt. Nine/eleven? Alzheimer? Ouderenzorg? Houellebecq? Joost Zwagerman heeft haar boeken misschien niet gelezen toen hij zijn Kellendonk-lezing over de autistische Nederlandse literatuur aan het voorbereiden was, want bij Berk komt het allemaal voorbijfietsen op de meest natuurlijk geïntegreerde wijze.

In Toen de wereld nog jong was maken we kennis met Ferdinand Ruys, wiens vrouw in een tehuis aan dementie ten onder gaat. Weliswaar nog net geen weduwnaar, maar wel erg smachtend naar vrouwelijk gezelschap, plaatst Ferdinand een contactadvertentie. Half Nederland blijkt bevolkt met «goed geconserveerde oude meisjes met verzorgde kapsels». Stuk voor stuk financieel onafhankelijk, hartstochtelijk én teder. Ferdinand belandt op de bank en/of in bed met wel vier vrouwen, onder wie ook de verzorgster van zijn eigen vrouw. Als die laatste dan ten slotte toch overlijdt, nodigt hij Hanna (66), Abelien (68) en Patty (58) uit in de bruidssuite van het Hilton en stelt voor met z’n allen op reis te gaan. Hoe die reis verloopt, heel anders dan gepland, valt te lezen in Naar het zuiden! Er ontstaat een lichte concurrentieslag tussen de dames en Ferdinand legt er het loodje bij. In het laatste deel, Te laat voor de lobelia’s, wonen Hanna, Abelien en Patty bij elkaar in Ferdinands oude huis, en vinden ze een onverwacht nieuw levensdoel in het hergebruik van afval ten behoeve van de creaties van een jonge kunstenaar.

Het moge duidelijk zijn: de verhaallijn doet er op zich niet zo toe, zij het dat de personages niet in het luchtledige rondzweven en schrijfsters montere levenswijsheden duidelijk ingebed zijn in een vertelling. Marjan Berk is de enige schrijver in het land die de oudere medemens andere dan tobberige avonturen laat beleven. En goddank: daarbij is in de verste verte geen droge vagina te bekennen. In plaats daarvan is «vocht» wel zo’n beetje het leidmotief door alle drie de boeken heen. Aan de telefoon wordt «vochtig gesnift», in bed voelt Patty zich na een onbevredigend akkefietje met een stukadoor «een bord kouwe soep» en van menige magnum Dom Perignon vliegen de kurken in het rond. Een van de hoogtepunten – in het laatste deel – is het moment dat Hanna, nadat ze op haar bevlogen wijze de Ouderenbond heeft toegesproken, in het bezemhok nog even tegen de muur wordt gezet door de plaatselijke wethouder. «Alles in het kader van de nieuwe impulsen voor het vinden van levensgeluk van vooral de oudere vrouw.» Wat Berks romans behalve grappig ook mooi maakt, is de bitterzoete toon waarmee ze naast alle levenslust ook nog eens angst weet te vatten, woede, spijt en melancholie. Eenmaal meegetroond naar het huis van een potentiële nieuwe minnaar, en geconfronteerd met de kleur van de gordijnen of de inhoud van de koelkast, verandert iedere vrouw in een angstig konijn, of ze nu 64 of 34 is. Zéker als er een waterbed in het spel blijkt. «Was dit wel wat ze wilde?»

In deze romans worden huizen verlaten, sterven geliefden en gaan dagen onherroepelijk voorbij. Wat iets heel anders is dan dat de kalme levensavond in zicht dreigt te komen. Welnee, het leven begint gewoon telkens opnieuw, al dan niet met behulp van vibrator of rollator. Niet voor niets luidt het motto van het eerste deel van de trilogie, ontleend aan John Mortimer: «Old age isn’t a tragedy, it’s a farce.»

Marjan Berk schrijft zinnen, niet zozeer om in te lijsten als wel om in kruissteekjes te borduren op grote lappen en daarmee voetenbankjes en kussentjes te overtrekken. «Binnenkort is het met jou ook zover.» En: «Geluk bestaat niet. Werk! Dat is het enige wat ons rest.» Moge zijzelve nog maar lang die daad bij het woord blijven voegen, dat is het enige wat wij hopen.