Golem superman

‘WIE KAN ZEGGEN dat hij iets weet over de Golem?’ Het lijkt een vreemde uitspraak in een roman die Der Golem heet, maar met die ene vraag vatte Gustav Meyrink in 1915 de geschiedenis van deze mythische figuur uit de joodse traditie eigenlijk nog het beste samen. Hoe ongelooflijk veel er voor en na Meyrink ook over de golem werd geschreven, hij bleef wat hij was: even ongrijpbaar als dubbelzinnig.

Zeggen dat het verhaal van de golem zo oud is als de wereld, is op een heel letterlijke manier waar. In psalm 139, vers 16 lezen we: ‘Uw ogen zagen mijn vormeloze begin.’ Daarmee is het verband wellicht niet direct duidelijk, maar in het Oud-Hebreeuwse origineel duikt hier voor het eerst het woord 'golem’, 'ongevormde klomp’ op: een verwijzing naar de manier waarop God in Genesis het menselijk lichaam 'formeerde van stof uit de aardbodem’.
Was de golem volgens religieuze geschriften het begin van de mens, in de eeuwen die volgden werd het vooral de kiem van een rijke verhaaltraditie. Volgens de mystieke leer van de kabbala zou een 'rechtschapen mens’, na het bestuderen en begrijpen van de Sefer Jetsirah ('Het boek van de schepping’), namelijk zelf een golem kunnen maken. Niemand minder dan Abraham is in een apocriefe tekst de eerste niet-god die dat, samen met Noachs zoon Shem, doet, en ook Jeremia zou zich aan het scheppingswerk hebben gewaagd.
Daarnaast zijn er nog de legenden over Abraham Abulafer rond het jaar 1000, en over rabbi Eliyahu Ba'al Shem uit het Poolse Chelm, de Franse rabbi Gaon en rabbi Elazar van Worms. Maar voor de beroemdste golem moeten we toch naar een andere stad. Hoe? Harry Mulisch, de Schepper onder de Schrijvers, doet het in zijn roman De procedure zo: 'Hou je vast! Onderaards gerommel, kraken, de wereld schudt, plotseling valt een dreigende slagschaduw over dit protocol (…). Uit de kosmogonische chaos verrijst een kolossale, eruptieve formatie. Al die torens en bruggen! Die Burcht daar in de verte op de heuvel! Is dat niet Praag?’
Een lachwekkender manier om er te komen is nauwelijks denkbaar, maar goed, dit is inderdaad Praag. En als je maar lang genoeg in deze stad rondwandelt, is er altijd wel iemand die je het verhaal vertelt van de golem die gemaakt werd door de geleerde en mysticus rabbi Jehudah Löw ben Bezalel (1535-1609). Of eigenlijk wordt je, bij voorkeur door een verkoper van miniatuur-golempjes in de oude joodse wijk, een versie van het verhaal verteld, want sinds het eind van de achttiende eeuw doen er vele varianten de ronde en nog elk jaar komen er nieuwe bij. Alleen al deze maand verschenen er in Nederland twee literaire werken waarin rabbi Löw een rol speelt.
LATEN WE beginnen met de versie die ons in Praag bracht. In De procedure onderbreekt Mulisch het verhaal van zijn protagonist, Victor Werker, voor het lange hoofdstuk 'De Golem’. De vijfenveertig pagina’s lezen als een parodie op de meest oubollige historische romans uit de negentiende eeuw en vertellen ongeveer het volgende: in 1592 wordt rabbi Löw ontboden aan het hof van de 'Heer van Oostenrijk, Koning van Bohemen en Hongarije, Keizer van het Heilige Roomse Rijk’ Rudolf II. Hij moet voor de keizer een golem maken. Aanvankelijk staat Löw niet erg positief tegenover dit verzoek, maar als het een bevel blijkt te zijn, maakt hij een deal. Hij zal Rudolf zijn golem geven, als hij belooft dat het joodse volk 'ook op lange termijn niets te vrezen heeft in Praag’. De keizer stemt toe, en Löw begint, samen met zijn schoonzoon, rabbi Isaac ha-Kohen aan het bestuderen van de Sefer Jetsirah en de vele commentaren die daarover geschreven zijn. Na twee jaar zijn ze klaar voor 'de procedure’. Onder het reciteren van een reeks spreuken kneedt hij de golem uit de aarde bij de Moldau, en vervolgens loopt hij met zijn assistent om het beeld heen om de 'tweehonderdeenendertig letterpoorten op te richten’, waarvan het begin er zo uitziet: ’ 'aBaJ, 'eBaJ, 'iBaJ, 'oBaJ, 'uBaJ, 'aBeJ…’ enzovoort.
Maar dan, na ongeveer vijf minuten, gaat het mis. Vlak voordat het woord 'aM’, 'moeder’ wordt uitgesproken, maakt Isaac een fout, waardoor 'kortsluiting’ ontstaat. Gevolg: de door Löw geboetseerde penis blijft aan de waterkant liggen en de golem is een vrouw. De rabbi maakt zich eerst nog zorgen om de reactie van de keizer, maar hij besluit dan dat deze miskleun het product alleen maar interessanter maakt. De naam die hij in gedachte had voor zijn golem, 'Jossele’, wordt ingeruild voor 'Mensjele’ en daarmee lijkt de kous af.
Tot de volgende dag, als blijkt dat de golemette Isaac met een mes aan stukken heeft gesneden. Gedwongen om in te grijpen, verwijdert Löw de 'A’ van de letters 'AMT’ die bij haar 'geboorte’ op het voorhoofd van Mensjele zijn verschenen. Waar eens het Hebreeuws voor 'waarheid’ stond, staat nu 'dood’, en het beeld valt weer tot stof uiteen. De resten worden opgeborgen op de zolder van de synagoge, waar ze tot op de dag van vandaag moeten liggen.
Tot zover Mulisch. Op één citaat na: 'Een Golem’, laat hij Löw ergens in zijn geest oreren, 'is een mens zonder taal. Je zou hem kunnen zien als een tegenhanger van een figuur uit een toneelstuk, want die bestaat uit taal zonder een mens. Die wordt hem pas geleverd door een acteur.’
Strikt genomen hebben Mulisch en de rabbi gelijk, aangezien een golem normaal gesproken niet kan spreken - een gave die voorbehouden is aan de mens -, maar gelukkig lapte Judith Herzberg die regel aan haar laars toen ze voor het Theater van het Oosten de mooie muziektheaterproductie Een Golem schreef.
In het stuk leeft een bakker met zijn gezin onder de dreiging van een naderende pogrom. ’s Nachts maakt hij zijn brood en overdag lijdt hij óf aan slapeloosheid, óf heeft hij 'dagmerries’, waarin hij de Maharal wordt, en de 'plot’ van het toneelstuk Der Golem (1921) van de Jiddische schrijver Leivick herleeft.
In deze variant maakt de hier niet bij name genoemde rabbi Löw zijn golem van Praag om het joodse volk direct te beschermen, en vooral om één bepaald complot te verijdelen. Een rooms-katholiek priester, ene Thaddeus, wil het oude 'bloedsprookje’ dat de joden voor Pesach hun matzes zouden bereiden met het bloed van een christenkind doen herleven om zo een massale slachting op gang te brengen. Hiertoe brengt hij zelf een kind om en laat hij het bloed, als toekomstig bewijsstuk, de synagoge insmokkelen. Maar als dat is gebeurd neemt de golem, Josl, de flessen bloed weg uit de synagoge en zorgt er, nadat hij zichzelf onzichtbaar heeft gemaakt, voordat Thaddeus er zelf mee wordt betrapt.
Hier is de golem dus een held, en wat hem boeiender maakt: een tragische held. Want ook al is hij de redder in nood, de joodse bevolking is bang voor hem of maakt hem belachelijk. En dat terwijl hij de rebbe voor zijn schepping in een droom had gesmeekt hem een 'leven te besparen’.
Als Dvorele, de dochter van de rabbi hem dan ook nog afwijst als hij verliefd op haar wordt, ontsteekt Josl in razernij en begint hij in het wilde weg te moorden. Net als in de Mulisch-variant moet de rabbi ingrijpen. De schepping wordt ongedaan gemaakt, en de droom is voorbij.
HET ZIJN twee versies van een eeuwenoude legende, en meteen ook de twee kanten die de golem zo raadselachtig maken. Aan de ene kant is hij/zij een held, aan de andere kant het symbool voor een angst die volgens sommigen steeds actueler wordt: de angst dat de overmoedige mens de greep op zijn eigen scheppingen kwijt zal raken. In De pocedure maakt Mulisch het laatste eigentijds door een van zijn personages te laten dromen van 'wezens die lijken op de schilderijen van Arcimbaldo’, maar 'zij zijn niet samengesteld uit vruchten of potten en pannen maar uit vreemdsoortige apparaten en machines, die kunnen vliegen.’ Zo is de golem tegelijkertijd een voorloper van Frankenstein en Superman, van op hol geslagen robots, Robin Hood, de stier Herman en Quasimodo. Dat is wat we van hem weten. Wat daarnaast nog over hem wordt gezegd is dat hij regelmatig verschijnt aan het graf van rabbi Löw, in diepe rouw om zijn schepper.