Golfbrakers (1) toneel

Golfbrekers laat zich beluisteren als een taalsymfonie. Maar dan niet in vier maar in drie delen. Eerst adagio, langzaam op gang komend. Dan: scherzo, in een razend tempo vooruit. Tot slot: lamento, als een langzame klaagzang uitdovend. Zeven personen (zullen we ze dertigers noemen?) treffen elkaar op een verjaardagsfeest van één van hen. De feesteling is aanvankelijk afwezig, de feestvierders twisten over de moderne kunst van de twintigste eeuw, meer in het bijzonder over Dada. Het is geen verheffend gesprek. De conversaties worden er in de loop van de voorstelling niet verheffender op. Het is eerder zuigen dan werkelijk met elkaar spreken. Wat heet! De zeven zuigen elkaar helemaal leeg.

Eerst een birthday party, dan de ochtend erna. Vervolgens zien ze elkaar in het derde bedrijf weer - een jaar later. Echt opgeschoten is de kwaliteit van de conversatie niet: dezelfde dertigers komen elkaar tegen in doodlopende stegen. Het stuk eindigt in één groot niks. Ergens gloort hoop, troost. Wáár precies lijken de handelende personages niet te weten.
De sleutel ligt in scène zes van het tweede bedrijf van Golfbrakers. De enige veertiger in het gezelschap van de ‘jonkies’ keert zich fel tegen één van hen, die zegt het een genot te vinden zich af en toe te wentelen in onbeschaafd gedrag - dat van voetbalvandalen. Hij heet Peter, hij waant zich kunstenaar, of tenminste kunstliefhebber, en hij wordt opgewonden van het geweld van pissende en zuipende hooligans. Zijn gesprekspartner heet Ed - de veertiger in het gezelschap - die zich verzet tegen het opzettelijk propageren van de persoonlijke chaos. De kern van de tekst gaat aldus:
Ed: 'Door je aan de kant van het geteisem te scharen ontkom je eraan een echt moedige keuze te maken.’
Peter: 'Jouw generatie is misschien de laatste die opgroeide met één of ander naïef geloof in de toekomst.’
Ed: 'Welnee, dat denk je maar.’
Peter: 'Maar ik weet wat mij te wachten staat.’
Ed: 'Je bent weer niet goed geïnformeerd. Een naïef geloof in de toekomst, wat heeft dat met generatie te maken. Dat is een generalisatie die géén hout snijdt.’
Peter: 'Een nauwelijks te bedwingen neiging naar grote ideeën dan.’
Ed: 'Waar zie je me voor aan. Ik? Grote Ideeën?’
Iets verderop in deze scène - in de voorstelling magistraal gespeeld door Titus Muizelaar (Ed) en Peter Paul Muller (Peter) - gaat de conversatie zo:
Peter: 'Mijn instelling is walgelijk. Ik heb mijn leven lang tussen walgelijke mensen gewoond. En ik word voorgestuwd door een volkomen nutteloze woede. Maar toevallig is het nu eenmaal mijn woede en ik heb me voorgenomen dat die woede boven elke andere emotie voorrang krijgt.’
Ed: 'Het is dus niet voor niets dat ik het met stompzinnige onbeheerstheid in verband breng. Ik kan je wel vertellen dat ik me tegen jouw zogeheten gedachtengang verzet. Je loopt de ene na de andere filosofie in stukken te scheuren met een air alsof je de revue van het faillissement regisseert. Dringt het niet tot je door dat je alleen maar meespeelt?’
Peter: 'Als wat?’
Ed: 'Als parasiet van het onbehagen.’
Peter: 'Da’s mooi genoeg.’
Ed: 'Waarom probeer je op zo'n comfortabele manier tussen de tegenstrijdigheden van het leven door te laveren en met de waanzin ervan te koop te lopen in plaats van te proberen iets te begrijpen?’
Peter: 'Er is helemaal niets te begrijpen.’
Ed: 'Ik geef het niet op.’
Ik ook niet. Hier zijn mensen aan het woord die alleen maar proberen in hoogtepunten te spreken. Dat lukt ze vanzelfsprekend niet. Ze rollen in de zelf gegraven valkuil. En moeten dan weer naar boven klimmen. Over dat taaie gevecht gaat Golfbrakers. Na de kerstpauze - o, ik haat afgedwongen pauzes! - over deze voorstelling meer afleveringen van een ongebruikelijke maar noodzakelijke recensie.