The Burning of the Royal James (Later in the Day), Thomas Poyntz en Willem van de Velde de Oude, na 1685. Wandtapijt, 457 cm x 330 cm © Scheepvaartmuseum

Het werk van de Van de Veldes, Willem (1611-1693) en zijn zoons Willem junior (1633-1707) en Adriaen (1636-1672), omspant driekwart eeuw en illustreert een aspect van de Nederlandse cultuur dat sindsdien onlosmakelijk met het zelfbeeld van de Nederlanders verbonden is: de zee. De zee is de nationale rite de passage, dáár bewijst een ferme jongen zich. Wij kennen de ‘zeeheld’, niet de ‘landheld’.

Van de Velde de Oude specialiseerde zich in de jaren dertig in het schilderen van schepen, een niche in de schildersmarkt die door de groeiende macht van de Republiek op zee sterk aan belangstelling won. Hij deed dat niet alleen in de veilige haven, maar begaf zich in het gevaar, zeilde zes maal in een kleiner schip mee met de oorlogsvloot en maakte daar gedetailleerde aantekeningen. De uitstekende tentoonstelling in het Scheepvaartmuseum toont veel van zijn grote pen- en waterverfschetsen, die heel fraai zijn en onder meer laten zien dat het nog niet zo eenvoudig moet zijn geweest om de vorm van die schepen precies in de tekenvingers te krijgen. Al die fregatten en pinassen en galjoten hadden eigenaardige banaan- en hockeystick-achtige curves en lang niet elke scheepsschilder kreeg die geloofwaardig op het doek, om nog te zwijgen van het gedrag van zo’n schip in stevige golfslag, in zonlicht, regen of storm. De Oude beperkte zich tot een aparte stiel, de schildering met de pen in zwart-wit, met een fenomenaal vermogen tot detaillering. Wat die zwart-witten misten aan vuur en kruitdamp wonnen ze aan documentaire kracht, en daar zat ook de klandizie: veel ervan werden besteld en gekocht door de vlootvoogden die de slag hadden meegemaakt.

Het is aardig dat de tentoonstelling Van de Velde de Oude vanwege zijn aanwezigheid in het heetst van de strijd tot een ‘embedded journalist avant la lettre’ verklaart, maar daar ding ik toch iets op af: de organisatie van die gegevens in die grote zwart-witpanelen is ook een artistieke samenvatting, in stijl. Van de Velde beeldt de schepen bij voorkeur van achteren af, omdat de spiegels nu eenmaal rijk versierd waren, makkelijk te identificeren, en zo van achteren gezien passen er domweg veel meer schepen in beeld. Het lijkt mij ook een schilderachtig dingetje om de zeilen en vaandels doorboord door kanonskogels te tonen, terwijl de schepen eronder nog fris onbeschadigd lijken. Zeeslagen waren gruwelijk, maar omslachtig, traag en statig, ze hadden een theatraal karakter, een slagorde, en daar was De Oude vooral goed in.

De Van de Veldes verhuisden in 1672 naar Engeland – in Nederland droogde de markt op – en verbreedden daar hun praktijk in dienst van de koning. De Jonge ontwikkelde zich verder dan zijn pa. Hij had het vak geleerd bij Simon de Vlieger, van wie hier een voortreffelijk stuk hangt, een zeegezicht met een Cuyp-achtige windstilte, de zon van achter schijnend op een zeil. De Jonge maakte daar later een eigen specialiteit van, niet meer de hurly burly van de zeeslag, maar de landerige nasleep, als er tijd is voor kalefateren, potjekoken, pootjebaden en een stukje zwemmen.

Willem van de Velde & Zoon. Scheepvaartmuseum Amsterdam, t/m 27 maart; hetscheepvaartmuseum.nl