ZEDELIJKHEIDSOFFENSIEF

Golven van morele paniek

Mildred Roethof is documentairemaakster, André Rouvoet vice-premier en minister van Jeugd en Gezin. De eerste is feministe, de tweede diepgelovig christen. Zij delen hun zorgen over de seksuele moraal van de jeugd. Wat is hier aan de hand?

MILDRED ROETHOFS documentaire Sex Sells, vervaardigd in opdracht van de KRO, is een filmische impressie van het seksueel gedrag van jongeren in de kelderboxen van de Bijlmer, op een ‘frisfeestje’ in de Amsterdamse grachtengordel en in een buurthuis in het Twentse dorp Goor. Of liever: van de wijze waarop die jongeren daarover praten. Volgens de maakster staan de ongeveer zeventig jongeren die zij voor haar film sprak zonder uitzondering ‘achteloos en liefdeloos’ tegenover seks. Het overheersende beeld dat zij schetst is dat jongeren tegenwoordig seks als een ruilmiddel beschouwen, dat meisjes er geen been in zien om hun maagdelijkheid in te ruilen voor een reep chocola of een Breezer en dat jongens het lompe, op prestatie gerichte gedrag van mannen in pornofilms imiteren.
Voor wie nooit jong is geweest of nooit op straat komt, is de documentaire ongetwijfeld ‘schokkend’. De seksuele gedragingen die aan de orde komen zijn echter zo oud als de geschreven geschiedenis. Je kunt je bovendien afvragen wat er waar is van de uitspraken van geïnterviewden. De maakster doet dat niet. Ze neemt voetstoots aan dat onder Bijlmer-jongeren een Breezer werkelijk de prijs is voor seks terwijl het hier evengoed kan gaan om een symbolische ‘betaling’ waardoor zowel het meisje als de jongen zich bij voorbaat ontslaat van emotionele verplichtingen. En wie zei daar dat meisjes niet even gemakkelijk en schijnbaar achteloos met seks kunnen experimenteren als jongens? Dartelde Louis Paul Boons Mieke Maaike niet al in permanent opgewonden staat door het leven? Het enige wat wellicht nieuw is aan deze documentaire is het feit dat minderjarige jongeren uit (doorgaans zwakke) milieus voor de camera zonder gêne hun erotische gevoelens en bezigheden beschrijven.
Het effect van de documentaire werd versterkt door een openingsverhaal in Opzij waarin werd opgeroepen tot een ‘nieuwe, vrouwvriendelijke seksuele revolutie’. Volgens het artikel zien artsen steeds vaker meisjes die van onderen ‘kapotgeneukt’ zijn door een gebrek aan aandacht voor vrouwelijk genot. Zowel het artikel als de documentaire bevat veel waarnemingen die subjectief en onmogelijk te controleren zijn, zoals Roethof naderhand in Trouw toegaf: ‘Ik wil geen paniek zaaien en met een groot deel van de jeugd gaat het vast goed, maar om daar zeker van te zijn moet er wel onderzoek worden gedaan.’ De jongens uit de Bijlmer die in haar film voorkomen, hebben inmiddels protest aangetekend tegen haar eenzijdige voorstelling van zaken. Toen er ook van andere geïnterviewden protesten kwamen, is de film van alle internetsites gehaald. Niettemin zag minister André Rouvoet van Jeugd en Gezin in de documentaire een reden voor debat, een ‘maatschappelijk debat over de seksuele moraal van de jeugd’ maar liefst.
Dat onderzoek is trouwens ook al gedaan. Rouvoet zou de tv eens een weekje uit moeten laten en zich verdiepen in de rapporten van het ministerie van VWS, dat al tientallen jaren wetenschappelijk onderzoek doet (of laat doen) naar het seksuele gedrag van jongeren. Dat gedrag blijkt vrijwel constant te zijn gebleven sinds 1970, toen de seksuele revolutie doorbrak dankzij de anticonceptiepil en de maatschappelijke acceptatie van echtscheiding. Liefde en seks zijn nog altijd innig met elkaar verbonden, zij het niet op dezelfde knellende wijze als bij vorige generaties. De gemiddelde leeftijd waarop jongeren voor het eerst seks hebben is gelijk gebleven (zeventien jaar) en ook de aard van dat seksuele verkeer is nauwelijks veranderd. De kleine groep uitschieters aan de onderkant (elf tot veertien) is licht gegroeid, maar hun palmares blijft beperkt tot zoenen en flikflooien in het kader van een ‘verkering’. Voorts is er sprake van een lichte toename van anale seks, maar dat is een kwestie van persoonlijke voorkeur waarmee jongeren tegenwoordig nu eenmaal makkelijker omgaan dan vroeger.
Zoals seksuoloog Rik van Lunsen van het Amsterdams Medisch Centrum stelde wordt er ten onrechte onrust gezaaid door een ‘kongsi van christelijk rechts en feministen’. Daar zou je als derde groep de racisten aan kunnen toevoegen, aangezien in de publiciteit de seksuele verwildering van de jeugd veelal met Marokkaanse en zwarte jongens wordt geassocieerd. Een goed voorbeeld is de journalistieke opwinding over zogenaamde loverboys. Bij nader onderzoek blijft er van alle wilde verhalen niets over, zo blijkt uit het rapport Loverboys of modern pooierschap (2006) dat het Willem Pompe Instituut in Utrecht na een diepgravend onderzoek publiceerde. ‘Loverboy’ is gewoon een eufemisme voor pooier. Het is niet eens een authentiek Engels woord, maar een leenwoord uit de mondiale muziekcultuur. Het werd in ons land in 1995 geïntroduceerd door de hulpverlening om tegemoet te komen aan de gevoeligheid van de slachtoffers. Het klinkt minder hard dan ‘pooier’ en doet recht aan de liefde die sommige meisjes ondanks alles voor hun uitbater voelen. Ze zijn, in hulpverleningstermen, ‘emotioneel verslaafd’ aan hem.
Het woord ‘loverboy’ is kritiekloos opgepikt door de media en even kritiekloos geadopteerd door politici. Het verschijnsel wordt vaak afgeschilderd als een perfide noviteit van jonge Marokkanen en Antillianen, maar dat is het absoluut niet. Het werven van meiden door een combinatie van verleiding, intimidatie en dwang (het veronderstelde handelsmerk van de loverboy) is zo oud als de prostitutie zelf. De focus van pooiers op meisjes van hun eigen nationale of etnische achtergrond is ook niks nieuws, het oppikken van potentiële prostituees uit de provincie evenmin. ‘Dat gebeurde in de negentiende eeuw ook al door meisjes aan te spreken die zojuist vanuit de provincie of Duitsland waren aangekomen op het Centraal Station’, aldus de Utrechtse onderzoekers.
Kortom, waar maken we ons druk om? Het meest plausibele antwoord is dat we ons laten opjutten door groepen en instanties die onze morele verontwaardiging willen instrumentaliseren voor een ander doel dan het lenigen van de seksuele en morele nood van de jeugd, in het bijzonder van jonge vrouwen. Elk tracht de opwinding te gebruiken om zijn eigen agenda door te drukken. Te beginnen met de hulpverlening die het verschijnsel heeft ‘uitgevonden’ en sindsdien steeds meer geld krijgt voor speciale programma’s, pilot-projecten, preventielessen en uiteraard voor nieuwe ‘onderzoeken’ naar deze niet-bestaande materie. Het Utrechtse rapport identificeert alleen al 23 hoofdstedelijke instellingen die financieel garen spinnen bij de ‘loverboyproblematiek’.
En Rouvoet staat niet alleen, ook niet binnen het kabinet. Minister van Justitie Hirsch Ballin (CDA) wil het kijken naar alles wat enigszins op kinderporno lijkt op internet strafbaar stellen. Zijn collega Plasterk (PVDA) van Onderwijs veroordeelt de ‘seksualisering van de samenleving’. PVDA-Kamerlid Harm Evert Waalkens eist een verbod op seks met dieren; van zijn partijgenoot Jeroen Dijsselbloem mag er geen porno meer worden verstuurd naar mobieltjes. Het zedelijkheidsoffensief grijpt zo om zich heen dat de VVD tegenwoordig op haar website een ‘betuttelingsbarometer’ toont die alle initiatieven bijhoudt. Zo wil het kabinet ook dat we meer kinderen maken, dat minstens veertig procent van de moeders borstvoeding gaat geven en dat ouders in relatietherapie gaan alvorens te mogen scheiden.
Waar komt die explosieve toename van de overheidsbemoeienis vandaan? Er is duidelijk sprake van morele paniek, van massale verontrusting over verschijnselen die bij nader inzien niet kwaadaardig, wijdverbreid of zelfs uitzonderlijk zijn. Maar de paniek wordt niet verklaard louter door hem te benoemen. En het is zinloos om Rouvoet af te schilderen als een geïsoleerde, ‘verknipte’ man, zoals Elsevier vorige week deed. Deze minister handelt vanuit oprechte verontrusting. Hij heeft zoals bekend twee dochters, aan wie hij zeer verknocht is zonder hen te betuttelen – dochter Rianne krijgt alle vrijheid en neemt die ook, bijvoorbeeld door op haar Hyves-site haar schooljuf een ‘kutwijf’ te noemen, rapper 50Cent op te hemelen en haar voorkeur voor de VVD uit te spreken. Het beeld van Rouvoet als een verkrampte Veluwse vader is verleidelijk maar niet adequaat.

Er is al heel wat onderzoek verricht naar de aard en de dynamiek van zulke golven van morele paniek. Ook het team van het Willem Pompe Instituut boog zich over de literatuur teneinde de opwinding over loverboys in breder perspectief te plaatsen. Morele paniek gaat nooit over een echt probleem, maar steevast over een onbenullig detail ervan dat vaak ook nog onwaar blijkt te zijn. Het ongenoegen wordt bovendien altijd geprojecteerd op de jeugd: de ene keer op ongehuwde moeders, de andere keer op pedofilie, satanisme, drugs, jeugdprostitutie, voetbalvandalisme, enzovoort. Het verschijnsel dat de verontrusting veroorzaakt, wordt zelden bij de naam genoemd. Vaak gaat het om grote, schijnbaar onbeheersbare maatschappelijke veranderingen – in dit geval de opkomst van het internet, de toenemende bewegings- en consumptievrijheid van jongeren en de overstelpende invloed van een internationale entertainmentindustrie.
Daarover (en over de morele aspecten ervan) is heel goed een breed maatschappelijk debat te voeren. Maar dan met kennis van zaken, bijvoorbeeld van het proefschrift Het hart van de natie van de Groningse historica Hanneke Hoekstra. Zij beschrijft gedetailleerd en overtuigend hoe de Nederlandse natie als geen andere in de negentiende eeuw gestalte kreeg dankzij morele campagnes van de (doorgaans christelijke) bovenklasse. Bij gebrek aan een empire zoals de Britten, een keizerlijke traditie zoals de Duitsers of een tricolore zoals de Fransen hadden, moest het als los zand aan elkaar hangende Nederland worden verenigd door een permanent ‘beschavingsoffensief’, gericht tegen drankzucht, prostitutie, goklust, materialisme en de onhebbelijke gewoonte van arme mensen om veel kinderen te krijgen. De ondertoon was racistisch, de gepredikte calvinistische moraal was verstikkend.
Laat het voor Rouvoet en al die anderen een waarschuwing zijn.