Terrorisme: Opkomst en verval

Golven van strijd en tegenstrijd

Door West-Europa ging in de jaren zeventig een golf van bomaanslagen, ontvoeringen, liquidaties, gijzelingen en kapingen, maar het hield ook weer op. In een veerkrachtige democratie legt terrorisme uiteindelijk het loodje.

Medium hh 43279632

2 Augustus 1980 staat in het collectieve geheugen van Italië gegrift. Op die warme zomerse dag ontplofte in het treinstation van Bologna een bomkoffer. De hoge marmeren hal, volgepakt met reizigers op weg naar hun vakantiebestemming, werd door de explosie uiteengereten. Er vielen 85 doden en meer dan tweehonderd gewonden. Niemand eiste de aanslag op, maar alle vingers wezen onmiddellijk naar de linkse terreurorganisatie Brigate Rosse (BR) die al jaren het land teisterde met geweld. Drie dagen later gingen de Italianen in staking uit onvrede over het bloedvergieten en over de politici die te laks waren in het bestrijden ervan.

Later bleek het bloedblad in Bologna aangericht te zijn door de Gewapende Revolutionaire Kernen (Nuclei Armati Rivoluzionari, nar), een fascistische terreurcel die drie jaar eerder was opgericht om met geweld het pad te effenen voor een rechts-autoritaire staat. De overheid streed in de jaren tachtig tegen beide extremistische groeperingen, het land belandde aan de rand van een burgeroorlog.

Italië was geen uitzondering. Statistieken van terrorisme vertonen een piek in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Wereldwijd – van Japan tot Zuid-Amerika – trokken terroristische groeperingen van verschillende signatuur een spoor van dood en verderf. De Europese verzorgingsstaten ontkwamen daar niet aan. Heel West-Europa werd overspoeld door een golf van bomaanslagen, ontvoeringen, liquidaties, gijzelingen en kapingen. Het meest in de herinnering springt de stadsguerrilla van de Rote Armee Fraktion (raf). Zij pleegde in Duitsland vooral tussen 1970 en 1977 een reeks aanslagen op personen en symbolische objecten van het kapitalisme. Hoewel het aantal doden en gewonden relatief laag bleef, stelde de ondergrondse cel de prille naoorlogse rechtsstaat zwaar op de proef.

Het Franse Action Directe (AD) en de Belgische Cellules Communistes Combattantes (ccc) leken qua strategie en doel op de raf en de BR; ook zij waren anti-Navo, tegen imperialisme, kapitalisme en Amerikanisme en zagen geweld als de enige weg om het proletariaat wakker te schudden en een revolutie op gang te brengen. Maar zij waren minder hardnekkig en virulent. Het rode terrorisme in Italië en Duitsland is zo extreem geweest omdat het ook een reactie was op het onverwerkte fascistische verleden.

Zo had in die tijd ieder terrorisme eigen wortels. Spanje werd geconfronteerd met het geweld van de Baskische linkse afscheidingsbeweging eta, Engeland en Noord-Ierland met brute acties van het Iers Republikeinse Leger ira. Het kleine welvarende Nederland haalde in de jaren zeventig het wereldnieuws met de gijzelingen en treinkapingen door jonge Molukkers. Toch bleef een serieuze terroristische dreiging in ons land uit. Zeker, in radicaal-linkse kringen (zoals de Rode Jeugd) leefde sympathie voor de raf en buitenlandse terroristen kregen hulp van het Rood Verzetsfront (later Rode Hulp). Er werden in ons land enkele losse aanslagen gepleegd en verijdeld.

Nederland gold eerder als een safe house voor buitenlandse terroristen die in Amsterdamse kraakpanden onbevreesd konden onderduiken om ‘vakantie’ te houden. En onze eigen anti-imperialistische groep Revolutionaire Anti-Racistische Actie (RaRa) zorgde met vernielingen en brandstichtingen tussen 1986 en 1993 weliswaar voor politieke onrust, maar het doelwit van haar ideologische verblinding bleef uiteindelijk beperkt tot het bedrijfsleven en de acties waren niet gericht op de staat en het maken van zo veel mogelijk burgerslachtoffers.

In die periode fungeerde Europa bovendien als het toneel van terrorisme dat onder meer terug te voeren was op conflicten in het Midden-Oosten, waarbij allerlei politieke en religieuze agenda’s zich vermengden. Omgekeerd trokken westerse terroristen in de jaren zeventig naar landen als Jemen om zich daar in kampen te laten trainen in guerrillatechnieken. Er was toen sprake van een internationaal netwerk en ideologische beïnvloeding over en weer. De moordaanslag op de Israëlische delegatie tijdens de Olympische Spelen in München in 1972 door de Palestijnse terreurgroep Zwarte September; het vliegtuig van de Amerikaanse luchtvaartmaatschappij PanAm dat in 1988 door een bomkoffer van Libische staatsagenten boven het Schotse Lockerbie neerstortte – het zijn voorbeelden van internationaal terrorisme waarmee Europa in het verleden te maken kreeg.

Het in herinnering brengen van deze ‘loden jaren’ is niet bedoeld om het huidige jihadistische geweld te relativeren. Het is immers een klassieke dooddoener om na een kersverse aanslag te beweren dat zoiets van alle tijden is of dat ergens ver weg het er nog veel gruwelijker aan toe gaat. Elke terreurgroep heeft een eigen dynamiek en veroorzaakt in de eigen tijd groot leed en een blijvend trauma onder slachtoffers en nabestaanden. In Bologna vindt nog steeds ieder jaar een herdenking van de aanslag uit 1980 plaats. Iedere vorm van terrorisme zaait angst onder burgers die in potentie prooi zijn, beukt op de grenzen van de rechtsstaat en ondermijnt de open samenleving – precies het effect dat terroristen beogen. Een historische context kan wel helpen het huidige terrorisme beter te duiden.

Slechts een enkele keer slaagden terroristen er in het verleden in om daadwerkelijk een revolutie te ontketenen

In Terroristen en hun bestrijders, vroeger en nu (2007) proberen verschillende auteurs het verschijnsel te bekijken door een historische bril om meer inzicht in het terrorisme van nu te krijgen. De samenstellers van deze bundel, Isabelle Duyvesteyn en Beatrice de Graaf, constateren dat terrorisme gek genoeg vooral wordt benaderd vanuit de sociale en politieke wetenschap en niet populair is onder historici. Zij vinden dat jammer, want de neiging bestaat om te denken dat wat er nu gebeurt nieuw, uniek en anders is, terwijl er uit het verleden lering is te trekken. ‘Ook al heeft geschiedschrijving geen voorspellende waarde, ze kan handvatten bieden aan zowel beleidsmakers als gewone burgers om aan de waan van de dag te kunnen ontkomen.’

De conclusie uit de voorbeelden in het boek stemt dan ook hoopvol: terroristen hebben zelden werkelijk succes. Slechts een enkele keer slaagden ze er in het verleden in om daadwerkelijk een revolutie te ontketenen en de zittende macht te verdrijven. In die gevallen betrof het vaak nationalistisch of dekolonisatieterrorisme, zoals het ondermijnen van het Franse gezag in de jaren zestig door de Algerijnse fln. Dit voorbeeld raakt overigens aan een interpretatiekwestie: wat de een als een terreurbeweging ziet, is voor een ander een bevrijdingsbeweging. De pkk is daarvan een actueel voorbeeld. Over het algemeen geldt dat terrorisme gericht is tegen de staat; om een ideologisch of religieus doel te bereiken wordt geweld tegen burgers ingezet om angst te zaaien in de samenleving.

Terrorisme is een wezenlijk onderdeel geworden van de westerse samenleving van de laatste tweehonderd jaar, stelt de Britse historicus Martin A. Miller in The Foundations of Modern Terrorism: State, Society, and the Dynamics of Political Violence (2013). Hij ziet in Europa vanaf de Franse Revolutie een continue lijn van terrorisme, die parallel loopt aan het ontstaan van burgerrechten en moderne ideologieën. En eigenlijk gaat het verder terug, meent hij, zo’n vijfduizend jaar, met de opkomst van staten waartegen gewelddadig verzet rees vanuit groepen en individuen. Vóór de aanslagen van 2001 in New York voorspelde hij al dat het terrorisme onvermijdelijk weer zou opstaan.

Volgens de Amerikaanse politicoloog David Rapoport is het verschijnsel in de afgelopen twee eeuwen in vier golven opgekomen en weer in verval geraakt. Hij beschrijft in The Four Waves of Terrorism (2004) de vier grote bewegingen met min of meer dezelfde thematische etiketten: de sociaal-revolutionaire en anarchistische in het tsaristische Rusland in de negentiende eeuw; de nationalistische van 1920 tot 1960; de linkse in de jaren zeventig, en de religieuze, die hij al vanaf het jaar 1979 dateert. Twintig jaar later werd dat voor de hele wereld duidelijk: de aanslagen van al-Qaeda in Amerika vormen de opmaat voor terreur in de geglobaliseerde wereld door een internationaal islamitisch terreurnetwerk, de laatste jaren uitgebreid met de jihadistische strijd van Syrië-gangers van en op Europese bodem. Het thematisch labelen doet geen recht aan de complexe bronnen van een terreurbeweging op zich, wel laat Rapoport hierdoor zien dat in de afgelopen twee eeuwen terrorisme telkens oppopte en weer stopte.

Waar de meeste historici het in elk geval over eens zijn, is dat modern terrorisme is terug te voeren op de Franse Revolutie. ‘Het is niet toevallig dat de orgie van terreur ten tijde van de Franse Revolutie, die zelfs tot het ontstaan van het woord “terrorisme” leidde, plaatsvond vlak na de Verlichting. De Verlichting en de Franse Revolutie noemden vaak twee begrippen in één adem: vrijheid en gelijkheid, die echter minder gemakkelijk te combineren waren dan het leek’, aldus Bob de Graaff in zijn bijdrage aan Terrorisme en hun bestrijders, vroeger en nu.

Veel van de ongelukkige pogingen tot combinatie van beide begrippen hebben volgens hem een nieuw soort ideologisch fanatisme in de hand gewerkt. ‘De opkomst van de moderne staat, en dan met name de gevolgen van de Franse Revolutie, ging gepaard met de ontwikkeling van “tegengeweld” en fanatisme.’ De Graaff legt uit hoe de Russische revolutionairen op het scharnierpunt stonden van een religieus geïnspireerd naar een ideologisch gemotiveerd fanatisme en daarmee een vergelijkbaar ‘radicaliseringsproces’ doorliepen als de hedendaagse islamitische terroristen.

Terrorisme hangt dus intrinsiek samen met de moderne staat en de uitoefening van staatsmacht. De industriële maatschappij bood bovendien nieuwe mogelijkheden: de toenemende rol van de media in de loop van de negentiende en twintigste eeuw, de opkomst van de televisie – en later het internet – als razendsnel massacommunicatiemiddel, de groei van personenluchtverkeer en een scala van technologische ontwikkelingen. Hiervan maken terroristen dankbaar gebruik, want ze willen niet alleen de tegenstander raken maar ook maximale aandacht trekken voor ‘de goede zaak’. Ze communiceren met de staat en het publiek via geweld én massamedia. Volgens de Israëlisch-Britse historicus Walter Laqueur, die het standaardboek A History of Terrorism (2001) schreef, lijkt terrorisme hierin te voldoen aan de wet van de afnemende opbrengst. Het verschijnsel van diminishing returns houdt volgens hem in dat iedere volgende aanslag extremer moet zijn om hetzelfde effect te bereiken. Om de aandacht te behouden lijkt het uit publicitaire overwegingen noodzakelijk om steeds feller toe te slaan.

Na de schok van een eerste aanslag treedt er bij een volgende terreurdaad inderdaad een zekere gewenning of murwheid op in de samenleving. De gefilmde onthoofding door IS-strijders van James Foley in 2014 veroorzaakte wereldwijd een schok, van degenen die daarna hetzelfde ondergingen waren de namen al snel vergeten. Aan de andere kant nemen de tegenmaatregelen vanuit de staat ook toe naarmate terreur intensiever en grover wordt. Waar dat heen kan gaan, laten landen in Zuid-Amerika zien. In Peru is bijvoorbeeld de communistische guerrillabeweging Sendero Luminoso (Lichtend Pad) sinds eind jaren zestig in de strijd tegen de corrupte regering en het leger alleen maar meedogenlozer geworden. De strijders slachten boeren en gewone burgers af terwijl de staat tot op heden het terrorisme niet heeft kunnen verdrijven. Contraterrorisme kan leiden tot meer terrorisme en zelfs omslaan in staatsterrorisme.

‘Het liberale klimaat heeft aan het terrorisme in Nederland een halt toegeroepen’

Op die wisselwerking tussen terrorisme en contraterrorisme wijst Beatrice de Graaf. Er zijn volgens haar aanwijzingen – maar geen bewijzen – dat tegenmaatregelen radicalisering in de hand kunnen werken en de solidariteit met terroristen binnen het eigen milieu versterken. Er bestaat een wankel evenwicht tussen maximale bestrijding en het beschermen van de rechtsstaat. Een veilige samenleving staat voorop, maar dat moet tegelijkertijd niet ten koste gaan van de grondwettelijke rechten van alle burgers.

Duitsland tuinde in de aanpak van de raf bijna in die valkuil. Gemotiveerd door het schrikbeeld van de chaos in de vooroorlogse Weimarrepubliek begon de Duitse staat de grenzen van de rechtsstaat op te rekken met het uitbreiden van wettelijke bevoegdheden of het ontnemen van rechten van de gearresteerde terroristen met het opleggen van Isolationsfolter in de Stuttgart-Stammheim-gevangenis. Daarmee werd precies de strategie van de raf gediend: als de staat maar genoeg onder druk komt te staan, dan laat ze haar ware – fascistische – gezicht zien en zal het volk daartegen in opstand komen. De overtuiging dat de staat trekken begon te krijgen van de politiestaat van het Derde Rijk gaf munitie aan de opvolgers van de eerste raf-generatie en hun sympathisanten. Pas in 1998 maakte de terreurgroep officieel bekend zichzelf op te heffen.

Het Nederlandse contraterrorisme steekt hier positief tegen af. De overheid, inclusief de veiligheidsdienst, koos in de jaren zestig en zeventig voor een brede benadering. De aanpak is erop gericht te voorkomen dat iemand überhaupt tot terrorist uitgroeit door te proberen radicale activisten, potentiële terroristen en hun sympathisanten in te kapselen binnen het democratische systeem in plaats van ze op te jagen en op te ruimen. De optie van terugkeer in de normale maatschappij moet zo lang mogelijk open worden gehouden, om te verhinderen dat iemand de morele grens overschrijdt en aanslagen op burgers pleegt.

Die methode – ook wel de Dutch approach – ontstond naar aanleiding van de Molukse acties. De veiligheidsdienst had de plannen van de jonge geradicaliseerde Molukkers absoluut niet in de gaten, maar er werd na de schok niet overgegaan tot de invoering van speciale antiterrorismewetten omdat men in de bestaande wetgeving voldoende mogelijkheden zag tot het bestraffen van politieke misdaden. Het politieapparaat bleef terughoudend en radicale activisten die op de rand van terrorisme zaten werden binnen bestaande wettelijke kaders aangepakt.

Het werk van de inlichtingendienst heeft zich altijd onttrokken aan het oog van het publiek. We weten dus niet wat er in de kiem werd – en wordt – gesmoord. Wel is het resultaat ervan achteraf gebleken: geen escalatie. Radicale activisten hebben achteraf wel eens gezegd dat de gematigde, proportionele benadering hen ervan heeft weerhouden om verder af te glijden of door te gaan met hun illegale acties. ‘In Nederland krijg je zoveel ruimte dat de motivatie tot handelen wegvalt. Het liberale klimaat heeft aan het terrorisme in Nederland een halt toegeroepen’, zei Lucien van Hoesel, voormalig lid van de Maoïstische Rode Jeugd, in 1985 in een interview. De bvd (voorloper van de aivd) hield bij RaRa bewust vast aan de term ‘politiek gewelddadig activisme’ in plaats van terrorisme – om zo te verhinderen dat de gelederen zich er mogelijk naar zouden gedragen of zich verder zouden isoleren.

De Dutch approach krijgt inmiddels ook elders navolging. De Britten beseffen sinds de aanslagen in Londen (2005) dat het vroegtijdig onderkennen en verstoren van een radicaliseringsproces onder moslimjongeren heilzaam kan zijn. Sindsdien is er niets meer gebeurd, maar dat kan in één klap veranderen. Hetzelfde geldt voor Nederland. Bovendien staan daar landen als België en Frankrijk tegenover waar in de buitenwijken van de grote steden islamitisch extremisme ongehinderd kon voortwoekeren.

De neiging om de rechtsstaat verder op te rekken is in alle Europese landen dan ook sterk, ook in Nederland. De invoering van de Wet Terroristische Misdrijven (2004) betekende een breuk met de traditie. De werving voor de jihad en samenspanning met als doel een ernstig terroristisch misdrijf te plegen zijn strafbaar. Ook kunnen rechters hogere straffen opleggen voor misdrijven die zijn gepleegd met een terroristisch oogmerk.

Het blijft een dilemma, menen Duyvesteyn en De Graaf in Terroristen en hun bestrijders, vroeger en nu. ‘Extreme maatregelen kunnen leiden tot een verlies van legitimiteit van de overheid onder de bevolking waar de terrorist vervolgens zijn voordeel mee doet. De effectiviteit van terrorisme is betrekkelijk, de effecten van contraterrorismebeleid zijn op de korte en lange termijn nog veel ingrijpender, dat moet bij alle discussie over een harde aanpak niet vergeten worden.’

De weerbaarheid van de Europese democratieën heeft zich in het verleden in ieder geval bewezen: de golf van terrorisme van de jaren zeventig en tachtig ebde weg en geen land raakte er serieus door aan het wankelen. Na de aanslagen in Madrid, Londen, Parijs, Ankara en Brussel hoor je dit telkens, bijna als een mantra: de veerkrachtige democratie is het enige tegengif tegen politiek of religieus geweld. Publieke uitingen daarvan zijn vreedzame optochten en oproepen tot solidariteit en geen haat aanjagen tegen moslims.

Of de lessen uit het verleden inderdaad nu zijn geleerd is moeilijk te beoordelen. Dat is het hele punt: als terrorisme er eenmaal is weet je niet waar het naartoe gaat. Het huidige terrorisme zou anders zijn dan het extremisme en het terroristische geweld uit de vorige eeuw: catastrofaal en apocalyptisch. Religieus gedreven jihadisten malen in hun strijd niet om hun eigen leven, ze trekken aan het touwtje van hun bomgordel voor een enkeltje hemel. Omdat zij grensoverschrijdend opereren, moeten landen veel meer dan in het verleden gaan samenwerken in hun contraterrorisme. Anders redt Europa het deze keer misschien wel niet.


Beeld: Bologna, 2 augustus 1980 (AP / HH)