Gonna live forever

De jaren tachtig, toen het woord ‘leuk’ taboe was, dat gedoemde decennium, was ook een tijd van ‘schrille literaire rijkdom’. Van gevoelige schrijvers, neuroten, die niets moesten hebben van realisme en zich toelegden op postmoderne werken.

De jaren tachtig waren een verschrikking, daar kunnen we kort over zijn. Maar het waren ook mijn jaren tachtig, en dus kan ik niet over die tijd lezen zonder steken in mijn buik te voelen, steken die op heimwee wijzen, en melancholie die niet des avonds komt maar gewoon op klaarlichte dag. Jong zijn in de jaren tachtig, dat doet iets met je, daar kom je nooit meer vanaf, ze tekenen je voor het leven.

Amsterdam, Paradiso, april 1989. Joost Zwagerman, tijdens de presentatie van ‘Gimmick!’ © Bob Bronshoff

Ik herken mijn generatiegenoten aan de manier waarop ze met hun geld omgaan – níet – aan de argwaan die ze koesteren jegens succes, aan de precisie waarmee ze een specifiek deel van de popmuziek omarmen en het grootste deel afwijzen (en bijvoorbeeld Abba juist met terugwerkende kracht kunnen waarderen), aan de minachting die ze hebben voor alles dat geüniformeerd en te paard gaat, aan hun afkeer van gemak, lichtheid en commercie, aan hun scherprechterij over goed en fout en aan hun taboeverklaring van het woord ‘leuk’.

Niets is leuk, alles is kut. Waarom zou je in godsnaam de boel willen opvrolijken, anders dan met klereherrie, gescheurde panty’s en zwarte leren jassen? Je haren kammen was kut. Hippies waren kut. Disco was kut. Ik geloof dat er niet eens een tegenovergestelde van kut bestond. Geil misschien.

Waarom de jaren tachtig zo onvergetelijk, retegeil en s u p e r l e u k waren? Vanwege die tomeloze anti-energie die iedere hoek van de straat in brand leek te zetten. Vanwege het idee dat niets vaststond, alles kon exploderen, alles opnieuw gemaakt kon worden, dat talent relatief was, dat persoonlijk en politiek één waren en dat de revolutie, waar dan ook, gesteund moest worden. Dat er zo lekker stevig gedanst en nog net onbekommerd gevreeën kon worden, en dat pijpen nog niet echt usance was. En natuurlijk omdat literatuur nog zo hartstochtelijk serieus werd genomen.

Wie het nieuwste nummer van dat dwarse en immer verrassende literaire tijdschrift onder ogen krijgt dat zomaar stiekem z’n zevende jaargang is ingegaan, zal verbaasd zijn over de schrille literaire rijkdom die voortkwam uit deze epoque. Ik wist het ergens wel, maar ik zag het pas echt nu De God van Nederland de namen en de jaartallen van deze ‘gedoemde generatie’ onder elkaar zet. Iedereen is voortijdig doodgegaan. Anil Ramdas, Martin Bril, Joost Zwagerman, Wim Brands, Menno Wigman, Karel Glastra van Loon, Pieter Steinz, Adriaan Jaeggi. De God van Nederland toont een massagraf. Al die gevoelige, bezige zielen, die gewetensvolle lettervreters, hemelbestormende kommahakkers, die neuroten die koste wat kost cool wilden blijven over hun ambities, ze hebben het loodje gelegd.

Ik moet dit beeld iets nuanceren, íets: we hebben het voornamelijk over mannen. De jaren tachtig waren namelijk ook, ondanks de opkomst van de tweede feministische golf, ondanks al die vrouwenboeken, vrouwencafés, vrouwenuitgeverijen, vrouwenboekhandels, ondanks al dat wild opkrullende schaam- en okselhaar, een slopende tijd voor macho’s.

De jaren tachtig waren een verschrikking, wordt Menno Wigman op een van de eerste bladzijden van deze aflevering van De God van Nederland geciteerd. Daar stonden we in uitgedund gezelschap, begin februari van dit jaar, op zijn begrafenis, de vitale doemmuziek van de jaren tachtig en negentig klonk claustrofobischer en zelfbevestigender dan ooit. Maybe I don’t really wanna know…

Dat staren in de studies van Propp over de structuur van Russische sprookjes is ergens goed voor geweest

In Red ons van de dichters riep Wigman acht jaar terug het decennium in herinnering waarin een jonge dichter lang kon zoeken naar een jonge redacteur. Terwijl op straat tanks werden ingezet om kraakpanden te ontruimen, bleef men in de poëzie, aldus Wigman, ‘doorzeveren over de stilte van een witregel, woorden die niets konden verwoorden, sneeuw die geen sneeuw was en “een in inkt gestoken blindenstok”.’ Niemand zat te wachten op de grote bek of de getergde geest van een jonge dichter. Jaren van afwijzing en vernedering had hij te verduren, voordat hem uiteindelijk alsnog een podium werd gegund.

Met het inzicht van nu, en mijn typische jaren-tachtig-masochisme, ben ik geneigd te denken dat vernederingen en afwijzingen goed zijn voor schrijvers en zeker voor dichters. Was Wigman zo’n rusteloze puntenslijper geworden als hij op cursus of zomerkamp was gegaan en creatief dichten had geleerd van Remco Campert, op Lowlands was toegejuicht als het talent van het jaar?

In het schitterende inleidende essay De tragiek van mijn generatie zet Arie Storm de beginselen van de literaire tucht uiteen waarmee ‘de aanstaande top van de Nederlandse literatuur’ te maken kreeg toen die midden jaren tachtig Nederlands studeerde in Amsterdam. Joost Zwagerman, Jessica Durlacher, Menno Wigman, Victor Schiferli, Willem Melchior, Connie Palmen, toekomstige critici als Storm zelf, Arjan Peters, Jeroen Vullings, Xandra Schutte, ik, kregen college van docenten die een afkeer hadden van zogeheten anekdotische en realistische literatuur. Zij onderwezen in Kellendonk, Matsier, Doeschka Meijsing, Dirk Ayelt Kooiman, de schrijvers die toen in De Revisor schreven en die zich toelegden op de strijd tussen fictie en werkelijkheid, de dode letter en de levende geest. Alles draaide om vorm, structuur, stijl, meta, hoe ingenieuzer en minder eenduidig, hoe moeilijker in feite, hoe beter.

Storm roept feilloos de verstikkende en tegelijkertijd studieuze sfeer op van destijds, en – weer – ben ik geneigd te denken dat dat staren in de dikke studies van Vladimir Propp over de structuur van Russische sprookjes en S.F. Witstein over de eigenaardigheden van funeraire poëzie ergens goed voor is geweest, al zal ook hier gehechtheid aan de eigen gevangenis debet zijn.

Naast Storm in de collegezaal zat Zwagerman met behulp van verschillende kleuren pennen en stiften in een groot blok te werken aan wat later Gimmick! zou worden. Dit toch hoopvolle geknutsel in de collegebanken krijgt een tragisch kantje, omdat Storm laat zien hoezeer Zwagerman meteen al zijn eigen strijd begon te leveren met het leven binnen en buiten de literatuur.

In plaats van de blik naar buiten te werpen, werd deze generatie schrijvende neerlandici geleerd om in boeken te kijken hoe het er buiten voor stond, boeken die weer tot andere boeken vermalen konden worden. ‘Anekdotiek, realisme, daar konden we destijds niet mee aankomen, we moesten en zouden postmoderne werken schrijven. Daar spreekt wellicht een zekere angst uit voor het leven’, aldus Storm.

Het is die angst voor het leven die jaren geleden ook door Hans Goedkoop werd genoemd in zijn zwanenzang als literair criticus, Een verhaal dat het leven moet veranderen. Hij beschrijft hierin hoe hij op een dag voorgoed uitgelezen was geraakt op de bloedeloze Nederlandse literatuur die uit die angst werd geboren. Waarschijnlijk onbedoeld sluit deze analyse van Storm, tevens een scherp staaltje van zelfinzicht, naadloos aan op de klacht van Goedkoop destijds. Het verschil is dat Storm oog houdt voor wat die angst, of het nu om echte of ingebeelde zelfkwelling gaat, ook oplevert.

‘Denk ik aan mijn generatie’, schrijft hij, ‘dan zie ik allerlei neuroten voor me die links en rechts gepasseerd dreigen te worden door de generatie ná ons die op een veel meer ontspannen wijze met de werkelijkheid lijkt om te gaan.’ Én hij ziet ze tot wezenlijk werk komen. Om uit de laatste bundel van Menno Wigman, Slordig met geluk, de laatste regels van het slotgedicht Oneindig wakker te citeren, volgens hem niet toevallig een van zijn mooiste:

het wonder dat geen dag zich ooit herhaalt,
o mooie dingen en mijn mond benoemt het
voor ik me met het domme zwart verzoend heb.

De God van Nederland bewijst met dit nummer een ware tribute aan een generatie die met recht gedoemd genoemd kan worden. Het zijn er verbazingwekkend veel die geboren zijn tussen 1954 en 1966, debuteerden in de jaren tachtig of vroege jaren negentig en er inmiddels niet meer zijn. Zo’n vijfendertig van die schrijverslevens worden gevat in puntige en persoonlijke in memoriams. Gebroederlijk, en heel soms gezusterlijk, gaan zogenaamde hoofd- en randfiguren zij aan zij, van Nico Slothouwer tot Martin Bril, Anil Ramdas tot Frans Stapert, Patricia De Martelaere tot Pam Emmerik. Al dat stomme ongeluk, al die zelfmoorden, de drank, de drugs, het jachtgeweer, het is om misselijk van te worden, zij het dat als ieders wapenfeiten voor het voetlicht komen dat ook iets, ja, troostends heeft.

Niemand wordt achteraf heilig verklaard, ook dat is erg jaren tachtig, zij het dat Bob Polak – samen met Frederik van der Kamp (alias Vic van de Reijt) de founding father van De God van Nederland – nogal doorslaat in gemene zurigheid en achterhaalde Hermans-idolatrie, wat weer helemaal níet jaren tachtig is maar oud, gefrustreerd en uncool. De pagina’s die Polak besteedt aan een generatie die alleen maar met zichzelf bezig zou zijn geweest in plaats van met de Tweede Wereldoorlog, en overigens ook zijn bijtende stukje over Theo van Gogh, misstaan in een verder zo mooi en met kennelijke maniakaliteit gemaakt nummer. Deze God van Nederland bevat een bom aan informatie, staat bol van de typografische grapjes, addertjes, foto’s, tekeningen en bizarre overzichten en stemt daarmee behalve verdrietig ouderwets energiek.