Goocheltruc

De in elkaar hangende volumes van Michael Jacklin zijn te begrijpen als je Mondriaans abstrahering van bomen bekijkt.

Als ik aan mijn werktafel zit, op de tweede verdieping, zie ik door het raam de vertakkingen van een paar hoge bomen in onze straat. Nu de takken kaal zijn en tegen een bleke winterlucht bijna kleurloos zwart, vormen ze een schouwspel waar je lang naar kunt kijken: naar het verloop van de takken, hoe ze zich kronkelend uitspreiden, van dik naar dun, stevig en beweeglijk, wuivend in de wind. Tegelijkertijd zijn de takken ook de contouren van grillige tussenruimtes. In de zomer, als de boomkruinen vol ruisend gebladerte zijn, zie je dat niet zo. Dan zie je hun weelderige, wuivende groen waar impressionisten zo van hielden - vooral als de zon scheen waardoor de schakeringen van groen nog levendiger werden. Kale, magere bomen horen vooral bij de winter: denk maar aan het onvergetelijke schilderij van de oude Pieter Breugel (van 1565) dat gewoonlijk Jagers in de sneeuw heet. Tussen hoge zwarte bomen zien we een paar jagers, met honden, door de sneeuw een helling afdalen naar een dorp dat verder beneden ligt in een uitgestrekt wit en grijs landschap. Het is door zulke schilderijen, en door de straffe hand van de meesterschilder, dat bomen zo zichtbaar zijn geworden - en ook zo atmosferisch, want je kunt als het ware de rondvliegende kraaien horen krassen in de droge vrieskou.
Maar de grote tekening van Mondriaan van een slanke, zwarte boom (in een omgeving van licht geschetste andere bomen) is gemaakt in de vroege zomer van 1912, in een bos nabij Domburg. Dus terwijl hij tekende, heeft hij de boomkruin ontbladerd, en zo als melodische vertakking van kronkelige lijnen gezien - omdat het hem ging om de ritmiek en het rijm ervan. Door vlak en licht schrafferen met het krijt is er in de kruin (en ook in de achtergrond) nog een rest van gebladerte aangegeven zodat de tekening wat ruimtelijker werd. Ook in andere werken uit die jaren werd een intuïtie van abstractheid geleidelijk merkbaar - en toen begon hij zo ook te kijken. Door het gebladerte heen tekent hij de boom, van onder naar boven, en let hij op de buiging van de takken en op de heldere intervallen daartussen. Daarbij, in zijn zorgvuldige kijken, zien we dat de ruimtes tussen de takken (de doorkijkjes) visueel steeds zelfstandiger worden.
Maar daarmee loop ik op de dingen vooruit, terwijl ik het alleen maar over Mondriaans eigenaardige abstrahering van bomen wil hebben omdat ik van Michael Jacklin diens intrigerende Hang Series zag. De takken van bomen, liet Mondriaan zien, werken als contourlijnen van open vlakken die, in hun onderlinge verhouding, weer een eigen dynamisch patroon vormen. Zo is het, kort gezegd, met de abstractie begonnen. Nu, honderd jaar later, is dat zo kijken een eigen, vruchtbaar idioom geworden. De werken van Jacklin gaan over het in elkaar hangen van vrij platte, rechthoekige, doorzichtige volumes - althans de dunne, zwart gelakte ribben die deze volumes beschrijven. Hang Series XVI bijvoorbeeld. Het ding begint met het breedste volume van het ensemble dat ongeveer half zo hoog als breed is en zestien centimeter diep. Daarbovenop ligt, even breed, een horizontaal, gerekt vierkant volume, een soort open balk. Over de uiteinden daarvan hangen twee ook vierkante, verticale volumes, binnen in de ruimte van het eerste, breedste volume. Onder in de uiteinden van die twee, en daarbinnen gemonteerd, zien we een ander horizontaal, vierkant volume (ook een balk) waar overheen, en binnen de ruimte die tussen de verticale volumes (links en rechts) open is gebleven, een rechthoekige, open doos hangt - breder dan hoog en in proporties vergelijkbaar met het eerste, brede volume. Over het bovenste horizontale element, maar binnen de ruimte van dat eerste volume, hangt ten slotte nog een vrij grote, vierkante doos.
Ik probeer te beschrijven hoe dit ding in elkaar zit (en hoe ongeveer de zeven verschillende elementen de maat en plaats vinden die ze voor elkaar openlaten) omdat ik bij het kijken naar het object ook zelf daarnaar ging zoeken. Maar ik geloof niet dat er een bijzondere meetkundige systematiek in het werk zit. Eigenlijk is de constructie eenvoudig, navolgbaar en ook overzichtelijk - zoals dat, als je ze geduldig bekijkt, ook zo is bij Mondriaans analytische observaties van bomen. Jacklins dingen zijn puur abstract. Je ziet dat ze gemaakt zijn - en het visuele effect van de caleidoscopisch verschuivende volumes is, dacht ik, als dat van een ontroerende goocheltruc.

PS Michael Jacklins werken zijn tot 11 februari te zien in de Slewe Gallery in Amsterdam