Schrijven over het einde

Google eens op ‘Yellowstone supervulkaan uitsterven mensheid’

Superstormen, superdroogtes, superpandemieën, massale vluchtelingenstromen. Zouden romanschrijvers ons niet mentaal moeten voorbereiden op de apocalyptische rampen die ons te wachten staan?

Medium utopi2

Toen ik op 30 oktober vorig jaar wakker werd, nadat ik tot diep in de nacht aan de laatste drukproeven van mijn nieuwe roman had gewerkt, bleek er al een televisiebewerking van te zijn gemaakt – door cnn, msnbc, Fox News en welke zender je maar kunt bedenken. Overal werd de reguliere programmering onderbroken voor live beelden van een ondergelopen New York City. Moeder Natuur had zich wel enkele vrijheden gepermitteerd bij de bewerking. In mijn roman wordt New York getroffen door Tammy, een orkaan van de derde categorie; Sandy was een orkaan van de eerste categorie. Maar de nasleep was in grote lijnen hetzelfde: immense verwoesting, ontheemding en vertwijfeling, de deerniswekkende drie-eenheid van de hedendaagse catastrofe.

Ik kan me er niet echt op laten voorstaan dat ik het had zien aankomen. Het korps der genie van het Amerikaanse leger had het ook zien aankomen. In een dossier uit 1995 wordt pijnlijk nauwgezet beschreven wat er kan gebeuren wanneer de stad wordt getroffen door een zware orkaan. Het dossier leest als een dystopische roman: zo zou bij een orkaan van de vierde categorie een vierenhalve meter hoge vloedgolf Grand Central en Penn Station onder water zetten, honderden auto’s verzwelgen in de tunnels vanuit Manhattan en in een groot gebied de stroom doen uitvallen. Ik had me ook gebaseerd op resultaten van onderzoeken die zijn uitgevoerd in opdracht van zowel de Federal Emergency Management Agency als het Office of Emergency Management van New York City – gegevens die al vele jaren voor iedereen toegankelijk zijn. Het is allemaal weinig opwekkend, en zoals is gebleken maar al te realistisch.

Wetenschappers en ambtenaren wisten wat er zou gebeuren toen Sandy aan land kwam, zoals ze ook weten wat er staat te gebeuren wanneer we in de toekomst door zwaardere stormen worden getroffen. ‘We zien nu eens in de twee jaar een overstroming die eens in de honderd jaar zou voorkomen,’ zei gouverneur Andrew M. Cuomo. En hoewel hij later zei dat hij had overdreven, had hij niet eens zo heel erg overdreven.

De toekomst, ooit een vormeloze, verre vlakte, begint zich in hoog tempo af te tekenen. Sinds Drowned World van J.G. Ballard (1962), zo niet al eerder, hebben schrijvers gepoogd zich een voorstelling te maken van een wereld waarin het milieu volledig naar de knoppen is. In Red Mars van Kim Stanley Robinson (1993) vormt een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen de aanleiding tot een wereldoorlog; in A Friend of the Earth (2000) beschrijft T. Coraghessan Boyle een toekomst waarin de biosfeer volkomen is ontwricht, de meeste zoogdieren zijn uitgestorven en Brazilië een woestijn is. Dystopische romans over milieurampen dragen meestal een waarschuwing in zich: als we niet heel snel iets aan ons gedrag veranderen, is dit de hel die ons te wachten staat.

Maar die opvatting is achterhaald. Inmiddels is duidelijk dat het te laat is om de veranderingen die op onze planeet plaatsgrijpen nog een halt toe te roepen, en we weten ook wat de toekomst zal brengen – namelijk meer van hetzelfde, maar dan erger: superstormen, superdroogtes, superpandemieën, massale vluchtelingenstromen, waterschaarste, woestijnvorming en ga zo maar door. De harde feiten zijn terug te vinden in de honderden non-fictie polemieken die jaarlijks over dit onderwerp worden gepubliceerd, boeken met titels als Oververhit en Heet.

We hebben een informatieverzadigingspunt bereikt, het merendeel van de informatie is onheilspellend

In zijn dystopische korte verhaal The Machine Stops uit 1909 nam E.M. Forster al een voorschot op internet, dat ons hele denken in zijn greep zou krijgen; Jules Verne voorzag met griezelige precisie het Apollo-ruimtevaartprogramma; Mark Twain bedacht in zijn verhaal From TheLondon Times’ of 1904 een zogeheten telelektroscoop, wat in wezen niet veel anders is dan Skype. Maar vandaag de dag, en misschien is dat wel voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid, geven de voorspellingen van onze wetenschappers de creativiteit van onze schrijvers het nakijken. Zelfs als genre lijkt de dystopische roman achterhaald – onze grootste angsten zijn al bewaarheid.

In 2013 kan een waarlijk dystopische roman zich niet langer verlaten op de fantasie, maar moet haast wel angstvallig dicht bij de werkelijkheid blijven. Dat is een van de redenen dat Ian McEwan’s Solar – een van de weinige recente romans waarin eloquent, en met een gepast gevoel voor absurditeit, wordt ingegaan op de pogingen van de mens om de klimaatverandering terug te draaien – speelt in het heden en het recente verleden. De werkelijkheid is erger dan men ooit had kunnen bevroeden.

De romanschrijver krijgt concurrentie uit onverwachte hoek. Schrijvers van non-fictie, die naar hartelust gebruikmaken van literaire middelen, en die vaak nog vakkundiger weten in te zetten ook, lijken veel beter toegerust om te schijven over het bezwijken van ecosystemen. Timothy Egan’s Worst Hard Time, een historisch relaas van de zogeheten Dust Bowl, leest als een thriller en voorspelt dat ons in de nabije toekomst nog veel zwaardere tijden te wachten staan. Ron Rosenbaum’s How the End Begins heeft de kracht van een apocalyptisch horrorverhaal – met als verschil dat hij niets heeft verzonnen. Het beste voorbeeld van de afgelopen jaren is The World Without Us van Alan Weisman, speculatieve fictie vermomd als een wetenschappelijke studie, waarin een beeld wordt geschetst van wat er met de aarde zou gebeuren wanneer de mens van de ene op de andere dag zou verdwijnen. Het antwoord: de aarde zou zich prima redden. Onze planeet heeft tenslotte wel ergere dingen meegemaakt. Het zijn de mensen die de planeet bevolken die het moeilijk krijgen.

Moet de arme romanschrijver hier iets mee, en zo ja, wat? De romanschrijver houdt zich bezig met ‘de menselijke ziel’, om de woorden van Saul Bellow te gebruiken, en hij is wellicht wat minder goed thuis in stochastische modellen, Poisson-verdelingen of kwantielregressie-grafieken. Zoals gekozen politici vaak niet in staat blijken het hoofd te bieden aan mondiale crises die heel geleidelijk zijn ontstaan, in de loop van vele jaren, zo zijn romanschrijvers lang niet altijd bij machte om gecompliceerde wetenschappelijke fenomenen uit te werken.

De romanschrijver heeft natuurlijk geen enkele verplichting om over klimaatverandering te schrijven. Maar is het niet zo dat ‘de menselijke ziel’ ook een verandering heeft ondergaan? Enerzijds is elke generatie ervan overtuigd de laatste te zijn, een idee dat onze korte tijd op aarde een prettig gevoel van urgentie en betekenis verleent. Anderzijds kunnen we gerust stellen dat er niet eerder in de geschiedenis van de menselijke beschaving een generatie is geweest die zo makkelijk toegang had tot slecht nieuws. En daarbij gaat het niet alleen om klimaatgerelateerd nieuws.

Romanciers hebben de taak om de wezenlijke vragen te stellen: wat is het effect van al dat slechte nieuws?

Het vergt slechts een paar muisklikken om het nieuwste nummer te lezen van bladen als Emerging Infectious Diseases, Food Safety Magazine of het International Journal of Cyber Warfare and Terrorism. Al even makkelijk tover je een kaart te voorschijn met alle resterende kernkoppen op de hele wereld, een fbi-lijst van de meest gezochte voortvluchtigen of de nieuwste seismische gegevens van de supervulkaan in het Yellowstone Park. (Wie nog nooit heeft gehoord van de supervulkaan in het Yellowstone Park hoeft alleen maar even ‘Yellowstone supervulkaan uitsterven mensheid’ in te tikken.)

We weten dat bepaalde ijkpunten – de ineenstorting van de euro, de Hubbert-piek en de mega-aardbeving die Seattle met de grond gelijkmaakt – bereikt zullen worden. We weten alleen niet wanneer. Er bevindt zich een grote vulkaan op La Palma, een van de Canarische Eilanden; als we de wetenschappers mogen geloven zal bij de eerstvolgende uitbarsting een half biljoen ton gesteente in de oceaan terechtkomen, waarmee de grootste tsunami in de opgetekende geschiedenis van de mensheid in gang zal worden gezet. Acht uur later zal deze de oostkust van de Verenigde Staten bereiken.

Zelfs mensen die niet zo in elkaar zitten dat ze dwangmatig zoeken op ‘uitbraak gekkekoeienziekte’ of dat ze zich abonneren op de ‘weerwaarschuwingen’ van de National Weather Service, zullen niet kunnen ontsnappen aan de onophoudelijke stroom slecht nieuws. Geen enkele Ebola-uitbraak of asteroïde die de aarde op een haar na heeft gemist, blijft onvermeld in de media. Op internet wordt de informatie eindeloos herhaald, totdat al het andere erdoor wordt verstikt. In Future Shock, dat meer dan veertig jaar geleden uitkwam, noemde Alvin Toffler dit fenomeen al ‘information overload’. We hebben een informatieverzadigingspunt bereikt, en het merendeel van de informatie die ons bereikt is onheilspellend.

Misschien kunnen romanschrijvers weinig veranderen aan deze angstaanjagende nieuwe wereld, maar ze kunnen zich wel meer inspanningen getroosten om te doorgronden wat deze realiteit voor effect op ons heeft. Is dat uiteindelijk niet de reden dat we boeken lezen – om meer inzicht in onszelf te krijgen? Een goede roman is als een spiegel die ons een blik gunt op onze heimelijke angsten en verlangens; hij stelt ons in staat onze langetermijncrises onder ogen te zien. Hij helpt ons begrijpen hoe de immense, gecompliceerde problemen van ons tijdsgewricht zich verhouden tot ons eigen, innerlijke leven.

Romanciers hebben dan ook de taak om de wezenlijke vragen te stellen: wat heeft al dat slechte nieuws voor effect op de manier waarop we met onze dierbaren omgaan, op onze toekomstverwachtingen, op de manier waarop we in het leven staan? Houden we ons van de domme, vervallen we in cynisme of laten we ons verlammen door angst? Wat is de invloed van al deze informatie op onze manier van denken? En op onze ziel?


Vertaling Nicolette Hoekmeijer

Van Nathaniel Rich verscheen in 2008 de roman De tong van de burgemeester_; in oktober verschijnt_ Kleine kans op morgen (Anthos). Beide romans zijn vertaald door Nicolette Hoekmeijer