Politionele acties - Over grenzen in de koloniale geschiedschrijving

Gordelroos van smaragd

Het koloniale verleden hoort nog steeds niet bij de Nederlandse geschiedenis. Terwijl de koloniale oorlog de grootste Nederlandse militaire operatie ooit was. We houden graag de politiek profijtelijke fabel van de ongevaarlijke en goedwillende Nederlandse soldaat in stand.

Medium akl024542

Het sein staat al een tijdje weer op groen. Nederland is klaar voor de volgende fase in het proces van postkoloniale duiding en verwerking. Voorlopig hoogtepunt was de langverwachte presentatie, drie weken geleden, van de publieksuitgave van historicus Remy Limpachs proefschrift De brandende kampongs van Generaal Spoor, waarin hij aantoont dat Nederlandse militairen structureel geweld toepasten in de dekolonisatieoorlog. Eerder al – eind 2014 – beaamde historicus Bart Luttikhuis op de radio in de Nieuwsshow de suggestie dat de oorlog in Indonesië met ‘een tweede Vietnam’ te vergelijken was.

Een reeks van publicaties volgde: Soldaat in Indonesië 1945-1950 van kitlv-directeur Gert Oostindie, Op klompen door de dessa van Hylke Speerstra, De terugtocht van J.J.P. de Jong en Thuis gelooft niemand mij, van Maarten Hidskes. ‘Nieuwe foto’s gruweldaden Nederlands-Indië opgedoken’, kopte opiniesite Joop ondertussen. En in de nacht van 13 augustus van dit jaar werd het pas gerestaureerde Indië-monument in Leeuwarden onherstelbaar vernield. Het beeld van de kloeke jonge soldaat was neergehaald en lag in scherven op de grond. ‘Extra pijnlijk is dat eind augustus de jaarlijkse Indië-bedenking in het Rengerspark is’, verschreef Omrop Fryslân zich treffend op de website.

In september leek zich in de media een afrekening te voltrekken met eerdere generaties historici, die de ‘jonkies’ willens en wetens zouden hebben weggehouden van Nederlands koloniaal oorlogsgeweld. Emeritus hoogleraar vaderlandse geschiedenis Jan Bank voelde zich geroepen om in NRC Handelsblad (28-9) de reputatie van de in maart overleden Cees Fasseur, opsteller van de Excessennota, de rapportage over Nederlandse oorlogsmisdaden in Nederlands-Indië uit 1969, te beschermen tegen aantijgingen als ‘wegkijker van oorlogsmisdaden’. Andere historici gaven eerder al de schuld aan een onwillige, dwarsliggende overheid.

Het begin van de publieke verwerking van de Indische dekolonisatieoorlog is een bekend en inmiddels zelfs iconisch verhaal: in 1969 oordeelde Joop Hueting, een veertigjarige oorlogsveteraan, dat het nationale stilzwijgen lang genoeg had geduurd. Onverwacht openbaarde hij in een televisie-uitzending het grove oorlogsgeweld waarvan hij tussen 1946 en 1950 getuige was geweest. Sindsdien is het om de zoveel tijd raak en vindt er een tijdelijk collectief gewetensonderzoek plaats: wat deden wij toen in Indië? Politiek tekenaar Jos Collignon publiceerde ooit een prent van een spreekkamer waarin de dokter ‘gordelroos van smaragd’ constateert bij zijn zich kapot krabbende patiënt: ‘Het komt om de paar jaar terug en gaat nooit meer echt over.’ Dat was in 1995.

Wat verklaart deze cyclus? Waarom zijn en blijven we geschokt en verontwaardigd om te horen dat Nederlanders oorlogsmisdaden hebben gepleegd – waarom zouden we dat toen niet gedaan hebben? En waarom wordt dat gewelddadige oorlogsverleden sinds 1969 om de zoveel tijd opgevoerd als onbekend, onontgonnen terrein, waarvan de ‘ontdekking’ leidt tot een steeds opnieuw collectief beleefde rite van rauwe zelfbeschuldiging, boetedoening en de roep om meer onderzoek?

‘Het idee dat wij daar in Indonesië tóch iets groots hebben verricht bleef lang hangen na de dekolonisatie’, zegt de in de Verenigde Staten opgeleide historica Frances Gouda, die lang verbonden was aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar koloniale geschiedenis. Onlangs ging ze met emeritaat, na onder meer een jaar als Erasmus Professor doorgebracht te hebben aan Harvard University. Ik ben benieuwd naar haar visie op het historiografisch bedrijf in haar land van herkomst, Nederland. Het hardnekkige koloniale zelfbeeld – het idee dat onze vorm van kolonialisme beter was dan die van Groot-Brittannië of Frankrijk – staat volgens haar een echt postkoloniaal debat in de weg. ‘In dat positieve zelfbeeld past ook de beschuldiging dat de Japanners de Indonesiërs hadden opgezweept en dat de eerste president Soekarno, die de onafhankelijkheid uitriep in 1945, een Japanse creatie was – alsof het Indonesische onafhankelijkheidsstreven niet al veel eerder speelde. Het beeld van de ondankbare Indonesiërs werd nog versterkt door de nationalisaties van Nederlandse bedrijven die Soekarno doorvoerde, eind jaren vijftig. Rond 1970 werd door de Vietnamoorlog en na het optreden van Joop Hueting voor iedereen duidelijk wat een koloniale oorlog inhield. Daardoor veranderde het dominante discours in Nederland. Het ging toen heel sterk om de vergelijking van de Nederlandse troepen met SS’ers en de vraag of die vergelijking wel kan worden getolereerd. Er werd zelfs een proces over gevoerd, tegen de schrijver Graa Boomsma. En zo is het nog steeds, het gaat voornamelijk daarom.’

Al sinds het jaar 1900 kan er door een (hard)roze bril naar het koloniale project in Nederlands-Indië worden gekeken. Toen werd namelijk de zogenaamde ‘ethische politiek’ ingevoerd, die gericht was op welvaartsontwikkeling en lotsverbetering voor de ‘inlanders’. Dat was de grote opdracht die ons kleine land daar had te verrichten, na de calvinistische hand eenmaal diep in de koloniale eigen boezem te hebben gestoken. Uitbuiting was voortaan taboe. Nederland had een ‘eereschuld’ goed te maken.

Het werd na de Tweede Wereldoorlog in brede lagen van de bevolking dan ook als onbillijk ervaren dat die mooie, opbouwende taak niet afgemaakt mocht worden. Het verhaal dat Nederlandse militairen naar Indië werden gestuurd om bescherming, begeleiding en hulp aan de bevolking te bieden – propaganda van de legervoorlichtingsdienst – kwam tegemoet aan die verontwaardiging. Onze militaire aanwezigheid zou een pleister op de wonde zijn. Het beeld van de Nederlandse soldaat als geweldschuwend, cultureel bewust en hulpverlenend is later een eigen leven gaan leiden in de vorm van de ‘Dutch Approach’, waar Nederland hoge ogen mee is gaan gooien in de internationale politiek van vredesmissies. Maar militair historicus Thijs Brocades Zaalberg heeft in 2014 betoogd dat de Dutch Approach op een mythe berust, waarin het gevierde ‘conflictmijdende’, ‘niet-krijgshaftige’ en ‘tolerante’ nationale zelfbeeld centraal staat. Ook in de Indische kolonie was grof en/of grootschalig militair geweld al in de negentiende eeuw eerder regel dan uitzondering. Gewelddadigheid is de Nederlandse soldaat nooit vreemd geweest.

Wat zeker opvalt is dat over dat geweld overzee achteraf alleen in eufemistische termen werd gesproken: onder meer in Bali en Lombok ging het om ‘pacificatie’ en niet om verovering, later hadden we de ‘politionele acties’ in plaats van de dekolonisatieoorlog. Van daar is het maar een kleine stap naar het beeld dat Nederlanders in een guerrillaoorlog schone handen hadden weten te houden.

Het lijkt erop dat we de politiek profijtelijke fabel van de ongevaarlijke en goedwillende Nederlandse soldaat ook nu nog liever in stand houden. Daarom doet het steeds opnieuw pijn als er weer ‘gruwelijke beelden’ opduiken – gelukkig verdwijnen ze ook altijd weer snel.

Ook in de Indische kolonie was grootschalig militair geweld al in de negentiende eeuw eerder regel dan uitzondering

Over onder meer die beelden spreek ik met Bart Luttikhuis. Hij is sinds zijn promotie in 2014 verbonden aan het Koninklijk Instituut van Taal, Land- en Volkenkunde (kitlv) als historisch onderzoeker naar de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en betrokken bij de gezamenlijke aanvraag voor staatssteun voor een nieuw onderzoek naar de dekolonisatieoorlog van het kitlv, het Niod Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (nimh). Ik vraag hem waarom er nooit foto’s in de media verschijnen van geweld van Indonesiërs tegen hun eigen landgenoten – zulk geweld kwam veelvuldig voor tussen 1945 en 1950.

Medium 2158 055615

‘Het is niet dat we die niet “mogen” zien’, zegt Luttikhuis. ‘Het interesseert ons minder. Beelden van de Bersiap, de bloedige opstand tegen Indische Nederlanders die na de onafhankelijkheidsverklaring van start ging, dat gaat nog wel. Maar van Indonesiërs tegen Indonesiërs? Het is belangrijk om het Nederlandse geweld te laten zien: om te kunnen begrijpen hoe en waarom het ontspoort. Ook het andere geweld, van Indonesische kant, speelde een rol daarin. We hebben hierin wel een taak om dat uit te leggen aan het publiek, vind ik. Maar je stuit toch op wat mensen willen zien en horen: Indonesisch geweld “verkoopt” niet. Het zou moeilijk zijn om dat toch in de media te krijgen.’

De overtuiging dat de eigen, ‘ethische’ vorm van kolonialisme beter was en minder bruut dan die van de Britten of Fransen (of Belgen of Portugezen) heeft nog steeds niet het loodje gelegd in Nederland. Het is de vraag of Nederlandse historici het als hun taak zien om deze chauvinistische kijk op de eigen koloniale geschiedenis te ontkrachten. Kritiek op hun aanpak komt, niet verrassend, van een buitenlandse vakgenoot, de Australiër Joost Coté (weliswaar van Nederlandse komaf). In een essay getiteld Strangers in the House: Dutch Historiography and Anglophone Trespassers uit 2009 legt hij een forse kloof bloot tussen enerzijds Angelsaksische en anderzijds Nederlandse geschiedschrijvers van koloniaal Indonesië. Nederlandse historici verdragen de inmenging van Engelstalige historici slecht, schrijft hij, want Nederlanders vinden dat buitenstaanders hun ‘speciale’ vorm van kolonialisme en hun bijzondere relatie met Nederlands-Indië niet kunnen begrijpen en waarderen.

Omdat Nederland zichzelf al vroeg pijnlijke vragen had gesteld over de effecten van het eigen kolonialisme en met de ethische politiek een moderne koers wilde gaan varen, werd elke kritiek op koloniale praktijken nadien als irrelevant afgedaan. Omgekeerd, beweert Coté, zijn Amerikanen en Australiërs niet geïnteresseerd in Nederlandse geschiedschrijving, vanwege de puur positivistische (empirische, kwantitatieve), niet-kritische inslag, het chauvinistische karakter en de afkerigheid van theorievorming. Factoren die toe te schrijven zouden zijn aan de aloude institutionele omgeving van de geschiedschrijvers van de kolonie. Kennis en macht waren in die instituten en academies onlosmakelijk met elkaar verweven: de antropologen en taalkundigen gingen vóór de veroveringstroepen uit, werd er wel gezegd.

Misschien heeft deze historiografische kloof ervoor gezorgd dat er niet veel aandacht was voor het Angelsaksisch onderzoek naar opstand, geweld en oorlog in Indonesië tussen 1945 en 1950. Historici als George Kahin, Robert Cribb, Benedict Anderson en William Frederick schreven al sinds 1952 over de samenhangende geschiedenis van de hongersnood, de Bersiap, de dekolonisatieoorlog en de Indonesische burgeroorlog. Maar hun werk vond nauwelijks erkenning en het werd niet serieus voortgezet of geïntegreerd in de arbeid van Nederlandse historici.

De recente claim van sommige historici dat door politieke druk eerder onderzoek naar de oorlogsverrichtingen in Indonesië niet mogelijk was, maakt in dit licht nieuwsgierig. Naast het Angelsaksische werk was er immers ook veel kennis en ervaring bij de vele amateurhistorici en bij de ‘overlevers’ (van wie de overgrote meerderheid nu is overleden) in Nederland, van wie velen hun indrukken en wederwaardigheden noteerden in dagboeken, brieven en memoires.

Was onderzoek naar dit geweld inderdaad niet gewenst omdat het indruiste tegen de status-quo van institutionele belangen en tradities, zoals Coté beweert? Of werd zulk onderzoek niet ondernomen, alleen omdat niemand daarin wetenschappelijk geïnteresseerd was – en er geen ‘brood’ in zat? Betekent het verschijnen van Remy Limpachs boek het opdoemen van een nieuwe ‘eereschuld’ en is het daarom een opportune aanleiding voor nieuw onderzoek?

Ingewikkelde vragen, die ik voorleg aan Bart Luttikhuis. ‘Zoals de kwestie nu geïntroduceerd wordt, kan er de neiging zijn dat de gedachten die kant op gaan, ja. Ons standpunt is dat je als modern, democratisch “gidsland” naar je eigen zwarte bladzijde moet durven kijken. Het legitimeren van de onderzoeksvraag houdt het risico in dat daarbij te veel tegen schuldgevoelens en andere sentimenten wordt aangeleund. Dat risico moeten we vermijden. Ook de vorm van de oproep tot nieuw onderzoek kan aanleiding hebben gegeven tot zulke indrukken. Maar nogmaals: we moeten rekening houden met wat verkoopt en wat niet, met wat haalbaar is. Dat opportuniteit meespeelt bij de timing van onze oproep horen we vaker – de scheve vergelijking met Srebrenica, ook een staatsonderzoek. Maar had dat Srebrenica-onderzoek er dan niet moeten komen?’

Als deze onderzoeksaanvraag regulier aan de nwo, de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, was voorgelegd, zegt Luttikhuis, hadden ze vast te horen gekregen dat het een leuk voorstel is, maar niet voldoende wetenschappelijk vernieuwend: ‘Voor ons staat voorop dat dit onderzoek Nederlands maatschappelijk belang heeft. Die oorlog moet uitgezocht worden, want de impact van de kwestie op de huidige maatschappij is groot. Daarbij gaat het inderdaad ook om de schuldvraag. Dat is meer dan het eigen straatje willen schoonvegen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag hoeveel Indonesische slachtoffers er zijn gevallen, want daarvan bestaat nog steeds geen goede inschatting. Maar het gaat óók om de wil om te weten hoe het verleden eruitzag, hoe we zijn geworden wat we nu zijn. Hoe komen de postkoloniale migranten hier? Dat moeten we begrijpen, ook voor het postkoloniale debat en het daarin verweven wij-zij-denken. Het koloniale verleden hoort nog steeds niet bij de Nederlandse geschiedenis. Terwijl de koloniale oorlog de grootste Nederlandse militaire operatie ooit was. De vergelijking met het werk van Loe de Jong en de oorsprong van het Niod lijkt dan eerder van toepassing dan die met Srebrenica. Het Niod heeft een morele stem in Nederland en bereikt daarmee een breed publiek.’

‘Het gevaar van een echt postkoloniaal debat hier is dat het tot een andere visie op postkoloniale migranten zou leiden’

‘En ja’, voegt hij eraan toe, ‘dat het zeventig jaar heeft geduurd voordat deze oorlog is opgepakt door het kitlv komt doordat dit instituut lang geworteld was in de koloniale historische traditie. Dat is nu nog steeds aan het veranderen.’

De vraag blijft opspelen: waar komt toch de pertinente onwil in Nederland vandaan om tot een kritische terugblik op het imperiale verleden te komen? Om verbanden te leggen tussen de machtsongelijkheid van toen-en-daar en die van hier-en-nu? De Australische historicus Joost Coté beschrijft hoe lang het heeft geduurd en hoe moeizaam de discussie was voordat Nederlandse historici eindelijk wilden erkennen dat ook het kleine Holland vroeger imperialistische ambities had. Vandáár dat het nooit ging om verovering, maar om ‘pacificatie’: het zogenaamde ‘bestuurbaar’ maken van een gebiedsdeel. Coté schetst een beeld van de Rijksuniversiteit Leiden en het kitlv als opvolgers van in zichzelf gekeerde bolwerken van koloniale praktijk, kennis en macht. Plekken, zo lijkt het, waar het patriarchale en benevolente zelfbeeld van de natie van oudsher werd gereflecteerd en versterkt.

‘Historici in Nederland vormen een gilde, een klasse’, beaamt Frances Gouda. ‘Ze verwijzen naar elkaar. Het zijn jongens met gymnasium, ze studeren in Leiden, in Groningen, of in Utrecht en zijn lid van het corps. De mythe van ons capabele koloniale bestuur, de overtuiging dat onze vorm van kolonialisme superieur was, heeft een kritische benadering door Nederlandse historici van dat verleden in de weg gestaan. Er was geen open instelling. Belangrijke studies uit het buitenland over de Indonesische revolutietijd werden genegeerd. In Amerika moeten studenten zowel Indonesisch als Nederlands kunnen lezen voordat ze aan een proefschrift over Nederlands-Indië of Indonesië beginnen. Dat zegt iets over kwaliteit. Een voorbeeld: al in 1997 werd er in het Engels gepubliceerd over de situatie in Rawagede. Er werd hier geen aandacht aan geschonken.’

Het vermoeden rijst dat er een verband bestaat tussen de cyclische aandacht voor de ‘politionele acties’ en het opvallende ontbreken van een brede discussie over de culturele en sociale gevolgen van het kolonialisme in ons land. Wat betekent de golf van publiciteit rond het verschijnen van Remy Limpachs boek? Een nieuwe ronde van zwaar tillend nationaal koloniaal schuldgevoel wordt in gang gezet zonder dat er ook maar één dwarsverband wordt gelegd met het in dezelfde week opnieuw opgestarte Zwarte-Pietdebat. Mensen die zeggen zich te schamen voor het koloniaal geweld verdedigen met verve hun ‘traditionele kinderfeest’, waaraan niets veranderd mag worden door ‘mensen van buiten’.

‘In de VS en in Engeland’, zegt Gouda, ‘wordt veel vaker een verband gelegd tussen de gevolgen van imperialisme en kolonialisme en hedendaagse ongelijkheid. Neem Michelle Obama’s uitspraak “Every morning I wake up in a house that is built by slaves”: iedereen legt meteen het verband met de Black Lives Matter-beweging van nu. Niet alleen historici. Het intersectionele denken, het kijken naar de ongelijke verdeling van macht door verschillende, elkaar beïnvloedende oorzaken is in de VS sterk ontwikkeld, door het slavernijverleden. Maar ook in Engeland, door het “antwoord” op het Britse imperialisme: de postkoloniale immigratie, het terrorisme.’

Ze vervolgt: ‘In Nederland hebben de postkoloniale migranten een bijzondere rol gekregen, ze moeten het goede voorbeeld van culturele integratie vormen voor andere groepen, zoals Marokkanen. Het gevaar van een echt postkoloniaal debat hier is dat het tot een heel andere visie op postkoloniale migranten zou leiden. Het alledaagse culturele geweld tegen Indische immigranten en Molukkers in de jaren vijftig en zestig was vermoedelijk groot. Daar is weinig onderzoek naar gedaan.’

‘Wat je hier ziet is het steeds centraal stellen van Nederland. Van wat de Nederlanders hebben gedaan, of niet hebben gedaan. Het is solipsisme: eigen geweten eerst. Het is niet interactief. Dat betekent dat er weinig aandacht is voor de manier waarop machtsverschillen in de kolonie zich manifesteerden in het dagelijks leven van zowel blanke kolonialen als Indo’s en de Indonesische bevolking. Dat wordt nu ook weer duidelijk, nu het Nederlandse geweld onder de loep wordt genomen.’

In het voorgestelde onderzoek naar de dekolonisatieoorlog staat het Nederlandse politieke, juridische en militaire handelen centraal. Het reilen en zeilen van de Indonesische samenleving ten tijde van de schermutselingen blijft onbelicht. Of en hoe men zijn potje kon blijven koken op Java, kort gezegd, wordt voorlopig dus niet nagegaan. Wel krijgt de dynamiek van de Nederlandse naoorlogse maatschappij aandacht, zoals de rol van de kerken. Maar het is zeker niet de bedoeling dat alleen Nederlandse historici een rol krijgen in het nieuw te entameren onderzoek, zo verzekert Bart Luttikhuis: ‘Wij willen graag samenwerken met Indonesische wetenschappers en daar bestaat ook belangstelling voor in Indonesië, bijvoorbeeld bij de universiteit van Yogya. Dat de Indonesische regering geen geld over heeft voor zulk onderzoek zegt niet alles.

Kijk, het risico van een staatsonderzoek is dat de vraag “wat betekent dit voor onze maatschappij?” de enige invalshoek wordt. Ik zie het als taak van historici om ook Indonesische wetenschappers in dit onderzoek te betrekken. Maar toch: als we er inderdaad in zouden slagen een bredere visie in de onderzoeksresultaten te brengen, heb ik weinig illusie dat de media hierover genuanceerd berichten. Elke uitkomst gaat worden teruggebracht tot de vraag: wat betekent dit voor Nederland?’ Hij vindt het kritische debat selectief. Bij het terugkijken is het makkelijker om de focus puur op de ‘zwarte bladzijde’ te richten. Die zwarte bladzijde is nu geaccepteerd in Nederland, door minister Bots verklaring in 2005 dat Nederland aan de verkeerde kant van de geschiedenis had gestaan. ‘Het was een “ontsporing” en die kun je makkelijk loskoppelen van de rest van de koloniale periode.’

Dat de nationale focus op het zelfbeeld ligt, dat men begaan is met het eigen morele kader, wordt ook nog een keer onderstreept door Frances Gouda. Het benadrukken van de eigen rol van Nederland als actor in de geschiedenis is tegenwoordig een must, zegt ze: ‘Het Niod heeft succes weten te behalen met de slimme focus op verzetshelden: “Kijk, er waren veel helden in Nederland!” Die verzetshelden hielpen Anne Frank, zo gaat het verhaal. Maar dat zij ook verraden is door Nederlanders horen we minder vaak, want dan zou de figuur van Anne Frank, haar erfenis, niet langer zo verzoenend kunnen werken voor het nationale geweten. Het tegengestelde gebeurt met de erfenis van Soekarno: door hem zelfs nu nog op te voeren als een Japanse creatie, een marionet, wordt een echte postkoloniale discussie vermeden.’

Toevallig lees ik in de week van het verschijnen van Limpachs De brandende kampongs van Generaal Spoor het nieuwe boek uit van Alfred Birney, De tolk van Java, een magistrale roman over het geweld van het kolonialisme, de dekolonisatieoorlog, de repatriëring en de verstrekkende gevolgen van dit alles voor latere generaties van betrokkenen. De voorsprong die individuele ervaring en zeggingskracht en vooral noodzaak met dit boek hebben genomen in het postkoloniale debat wordt, vermoed ik, niet meer ingehaald door de geschiedwetenschap – Engels- of Nederlandstalig.


In het kader van de Maand van de Geschiedenis neemt Bart Luttikhuis deel aan de debatavondDe andere kant van het verhaal’, op 25 oktober in Felix Meritis in Amsterdam. Zie ook [felixmeritis.nl](felixmeritis.nl)

Beeld: (1) 1948, Java, voormalig Nederlands-Indië. Een gevangen genomen republikeinse strijdster (Nederlands instituut voor militaire historie) ; (2) 1947, voormalig Nederlands-Indië. Een marinier voor een brandende woning tijdens de zogenaamde ‘Eerste Politionele Actie’ (Nederlands instituut voor militaire historie)