Stephen J. Gould

Gordijn van mooie woorden

In ‹God en Darwin› pleit evolutionist Stephen J. Gould voor agnosticisme. Geloof en wetenschap dienen strikt gescheiden te worden. Waarom blijft in nevelen gehuld.

Stephen J. Gould, God en Darwin: Over de overeenkomst tussen religie en wetenschap

Uitg. Contact, 176 blz., ƒ36,90

Over de gespannen verhouding tussen geloof en wetenschap is door de eeuwen heen al heel wat gefilosofeerd. De kwestie bereikte een voorlopig eindpunt bij de achttiende-eeuwse filosoof Immanuel Kant, die voorstelde geloof en wetenschap strikt gescheiden te houden. Het waren volgens hem twee volledig gescheiden domeinen (het rationele en het buiten-rationele), die je zorgvuldig uit elkaar diende te houden. Deze radicale boedelscheiding is echter niet gelukt. En dat is begrijpelijk, want je zult maar bioloog zijn én gelovig. Aan de ene kant dien je, vanuit je professie, de evolutietheorie te aanvaarden als de meest plausibele maar tevens materialistische, dat wil zeggen «goddeloze» theorie over hoe organismen zich hebben kunnen ontwikkelen. Aan de andere kant gebiedt je religie te geloven dat het God is geweest die mens en wereld heeft geschapen

Natuurlijk kun je je hier een beetje uit trachten te redden door te stellen dat God het evolutiemechanisme heeft geschapen, waarna hij de zaak aan de natuur overliet, maar daar is natuurlijk geen spoor van bewijs voor. Deze «hypothese» heeft dan ook meer met hoop (wanhoop?) te maken dan met een serieuze poging een verklaring te vinden voor hoe het komt dat er op een gegeven moment leven is ontstaan. De kloof tussen God en Darwin is onoverbrugbaar - het is niet anders. Sterker: nu we steeds meer van de werking van ons brein en de daaraan ontspruitende geest beginnen te snappen, wordt de kloof er alleen maar onoverbrugbaarder op.

De Amerikaanse paleontoloog en evolutionist Stephen J. Gould lijkt daar anders over te denken. Of nee, toch ook weer niet. Of, nou ja, je moet het scheppingsverhaal toch ook wel weer respectvol benaderen. Als maar niet wordt gesteld dat het universum in zes dagen is geschapen. En zo glibbert deze popularisator van de wetenschap voort in zijn jongste pennenvrucht, getiteld God en Darwin: Over de overeenkomst tussen religie en wetenschap. Gould - die zichzelf agnost noemt in «de wijze betekenis van scepticus met een open geest» - betrekt, evenals Kant, de stelling dat wetenschap en religie twee totaal verschillende domeinen van menselijke activiteit zijn, door Gould magisteria genoemd (domeinen die onder een bepaald leergezag vallen). De natuurwetenschappen streven ernaar de werkelijkheid van de natuur in kaart te brengen; de religie daarentegen beweegt zich op het totaal andere terrein van de menselijke strevingen, zingeving, moraal en waarden. En die twee moet je niet door elkaar halen, vindt Gould.

Noma (Niet Overlappende Magisteria) noemt hij het principe van het strikt gescheiden houden van de twee domeinen, waardoor je ze op hun eigen merites kunt beoordelen en waarderen. Ja, hij gelóóft erin, met «heel zijn hart» gelooft hij in een wederzijds respectvol, zelfs liefdevol concordaat tussen de magisteria van natuurwetenschap en religie.

Mooie woorden. Alleen: waarom gelooft Gould daar met heel zijn hart in? Waaruit bestaan zijn motieven om deze twee werelden met elkaar te willen verzoenen? We komen er niet achter. Het enige wat we aan de weet komen, is dat religie volgens Gould geen uitspraken dient te doen die binnen het magisterium van de wetenschap vallen, en vice versa. En dat het dan allemaal wel goed komt tussen die twee.

Maar hoezo moet het goed komen? Gould laat zich er niet over uit. Het blijft het hele boek door een raadsel. Nu ja, helemaal achterin meldt hij dat wetenschap en religie twee vaste burchten zijn die beide vitale bijdragen leveren aan het menselijk inzicht. Maar welk vitaal inzicht levert de religie dan? Is het het religieuze «gefilosofeer» over de fundamenten van de moraal wat ons «vitale» inzichten over onszelf verschaft? Gould geeft inderdaad hoog op van dit religieuze thema, maar er zijn vele ongelovigen die het heel goed zonder de religieuze bemoeienissen met moraal kunnen stellen. Ik zou daarom willen beweren dat religie ons vooral vitale inzichten verschaft over de psychische make-up van de menselijke soort.

Als voorbeeld van de vreedzame coëxistentie tussen geloof en wetenschap noemt Gould de verklaring uit 1996 van Paus Johannes Paulus dat oprechte christenen de evolutietheorie mogen aanvaarden, niet alleen als een plausibele mogelijkheid, maar ook als daadwerkelijk bewezen feit. Let wel, het betreft hier alleen de evolutie van het fysieke lichaam; aan de goddelijke herkomst van de menselijke geest (ook wel «ziel» genoemd) kan volgens de paus niet worden getornd. Nee, en ook niet aan het primaat van de heteroseksualiteit, zoals de paus ons onlangs liet weten, door homo’s een «objectieve stoornis» aan te wrijven.

Hoe dan ook, Gould «verwelkomt de steun van een belangrijk leider uit het andere magisterium van ons complexe bestaan». Maar dan is hier weer die vraag: waarom verwelkomt hij deze steun van religieuze zijde? Wil hij zijn evolutionaire inzichten wellicht door de kerk gesanctioneerd zien? Gould zwijgt in alle talen. Hij houdt ons slechts voor dat als de visie van de paus wordt bepaald door Noma «wij ons kunnen verheugen in een diepgaande en welkome consensus». Maar ik wil helemaal geen consensus, tenminste niet zolang Gould me niet vertelt waarom ik dat zou moeten willen. Ik wil eigenlijk gewoon dat Gould eens achter dat gordijn van mooie en stemmige woorden vandaan komt. Dat hij eens klare taal spreekt.

Zoals eerder opgemerkt noemt Gould zich agnost. Maar ook dit brengt geen helderheid in de kwestie. Logisch, want het hele idee dat je ook niet kunt bewijzen dat God niet bestaat, en dat je derhalve tot agnosticisme dient te besluiten, is een halfzacht idee. Er bestaat namelijk niet één aanwijzing voor Zijn bestaan, terwijl de aanwijzingen dat Hij niet bestaat, afkomstig uit tal van wetenschappen, overvloedig zijn. Vandaar ook dat religie door de eeuwen heen steeds meer van haar claims heeft moeten prijsgeven.

Hier komt nog bij dat de agnost zijn oordeel niet opschort als het om heksen, Griekse goden, duivels of kabouters gaat. Zelfs als het over de God van de filosofen gaat, die Volkomen Transcendente Metafysische God, die overal buiten staat, is er geen enkele aanleiding tot een agnostische opstelling, want over die God valt überhaupt niets zinnigs te zeggen. Dus als Gould agnosticisme de enig juiste intellectuele houding noemt, dan zegt dit hooguit iets over zijn gemakzucht en lafheid.

God en Darwin lezende krijg je op een gegeven moment dan ook het vermoeden dat Goulds motieven schuilgaan achter de façade van politieke correctheid. Weer mis. Hij is helemaal niet politiek correct. Zijn motief - schrijft hij - komt absoluut niet voort uit het per se niet willen kwetsen van de Ander - hij verwerpt politieke correctheid zelfs «als een vrijwillige onderdrukking van de dialoog». Dus dit is het ook niet.

Of zit er een addertje onder het gras? En is Gould niet zo’n vreedzame agnost, maar een atheïst. Uit tal van uitspraken kun je namelijk opmaken dat Gould zijn oordeel aangaande het bestaan van God helemaal niet opschort, zoals het de echte agnost betaamt. Voortdurend wijst hij erop dat het creationisme «natuurlijk onzin» is. Dat is klare taal. Ook spreekt hij zijn «afschuw» uit over de «ware gelovigen» die met «gebruik van de goede naam van de religie, de onaangename waarheden van de natuurwetenschap willen wegdrukken of hun geestelijk voedsel van eigen merk willen opdringen aan mensen met een andere smaak». Maar wat bedoelt hij dan weer met de «goede naam van de religie»? En waarom is Gould er eveneens op tegen om «bijgeloof, irrationalisme, bekrompenheid, onwetendheid et cetera» religie te noemen? Religie heeft toch niet zo’n goede naam, en dat komt toch juist door het aan anderen willen opdringen van het eigen geloof? En het is toch waar dat bijgeloof hand in hand gaat met religie, of liever gezegd: dat geloof en bijgeloof een onontwarbare kluwen van psychische gesteldheden vormen? Misschien heb ik het mis en weet Gould ook precies waarom ik het mis heb. Maar laat hij het dan uitleggen!

God en Darwin is een raadselachtig boek. Het bevat een pleidooi voor agnosticisme (van weerskanten?) en het staat bol van het respect voor religie, of eigenlijk: spiritualiteit (al gebruikt Gould dat woord nauwelijks). Het waarom van zijn opstelling blijft echter in nevelen gehuld, nou ja, behalve dan dat hij graag «mensen van goede wil» ziet, die «in vrede samenleven».