3 oktober 1925 – 31 juli 2012

Gore Vidal

Er was niets wat hij niet kon; behalve schrijver was hij een acteur, een commentator en causeur, een vlijmscherpe debater. Horzel van het zelfgenoegzame Amerikaanse keizerrijk. Briljant en zonder vrees.

Medium vidal

In 1937 ontmoette Eugene Luther Vidal, twaalf jaar oud, op de boarding school St. Albans in Washington DC, zijn klasgenoot James ‘Jimmie’ Trimble. Vidal was een patriciërszoontje – zijn vader was een hoge functionaris in de Roosevelt-regering, zijn moeder de dochter van een senator – en Trimble was in alles zijn tegendeel. De een was rijk, de ander arm; Eugene las als een bezetene, Jimmie las nooit; Jimmie blonk uit in sport, Eugene kwam niet verder dan ‘erratic tennis’; Eugene haatte zijn moeder, Jimmie was dol op de zijne, enzovoort. De vriendschap was volmaakt, en werd beklonken in lichamelijke vereniging op de witbetegelde badkamervloer in Eugene’s ouderlijk huis, Merrywood. ‘So we simply came together, reconstituting the original male that Zeus had split in two. (…) There was no guilt, no sense of taboo. But then we were in Arcadia, not diabolic Eden.’ Trimble sneuvelde in 1945 op Iwo Jima. Vidal vervormde de geschiedenis tot een rauw, hard en niet al te best boek, The City and the Pillar, gepubliceerd in 1948 onder zijn schrijversnaam, Gore Vidal. De hoofdpersoon vindt een jeugdliefde terug, na de oorlog, en probeert hem krampachtig tot de herleving van de vriendschap te verleiden, maar de tijd heeft ze uiteengedreven; de affaire loopt uit op een brute verkrachting. De publicatie leidde tot een klein schandaal. The New York Times weigerde het boek te bespreken en de uitgever mocht er niet voor adverteren. Het was opgedragen aan ‘J.T.’.

Afgaand op zijn memoires, Palimpsest (1995), lijkt het alsof met Trimble’s dood elk verlangen in Vidal stierf: zijn ‘desire and pursuit of the whole’ was al bekroond, vervolmaakt; daar kon niets beters op volgen. Bepaalde dat besef de rest van zijn leven, zijn werk? Dat is een verleidelijke gedachte, maar het is evengoed mogelijk dat de idylle naderhand door Vidal is gefabriceerd, als een blauwdruk voor een klassieke, Romeinse manier van leven, als het recept voor een sardonische afstandelijkheid, alsof niemand méér in het leven teleurgesteld was dan hij. Geconstrueerd of niet, de dood van Jimmie Trimble en het verlies van de Arcadische volmaaktheid van Vidals jeugd werden het onuitputtelijke zuur in zijn accu. Zijn motor startte altijd.

Het boek zette Vidal in de hoek van de homo’s en in die omgeving vond hij veel vrienden – Isherwood, Barber, Tennessee Williams, Bowles, Gide, Cocteau – maar het maakte verdere publicaties als schrijver moeilijk; hij verdiende daarom zijn geld met het schrijven van uiterst succesvolle toneelstukken-voor-tv en filmscripts. Het oeuvre dat Gore Vidal vervolgens bouwde is enorm. Er was eigenlijk niets wat hij niet kon; behalve veelschrijver was hij een acteur, een fameuze commentator en causeur, een vlijmscherpe debater in het bijzonder op tv, een medium dat hem in alle banaliteit uitstekend lag. Hij was politicus in twee mislukte verkiezingscampagnes en hij bouwde een fenomenale sociale entourage. In Palimpsest komt letterlijk iedereen die tussen 1940 en 2000 ook maar iets in de literatuur, de cinema of de wereldpolitiek betekend heeft voorbij.

Het was Vidals ambitie, lijkt mij, om de geschiedenis in te gaan als de Suetonius van zijn tijd, als insider-chroniqueur en horzel van het zelfgenoegzame Amerikaanse keizerrijk dat hij in de Eisenhower-jaren (gevoed door het ‘militair-industrieel complex’) zag ontstaan, en waarvan hij de werking zo goed kende. Net als Suetonius verlangde hij naar de zuivere, meer verlichte waarden van de Republiek. Zijn beste boek daarover is misschien juist niet zo’n puur Amerikaanse geschiedenis als Burr, Lincoln of Empire, maar juist Julian, uit 1964: het verhaal van een keizer van het late Romeinse rijk die in de christelijke wereld heimelijk aanhanger is gebleven van de oude Helleense goden. Hij droomt ervan die goden in hun oude glorie te herstellen, als hij keizer wordt, maar niet met geweld: ‘I shall fight them [de Galileërs] with reason and example.’ Deze Julian is een essen­tieel Vidal-personage, een man die zich onder alle anderen beweegt als ware hij één van hen, maar zijn wezen is wezenlijk anders; hij is de subversieveling, de vijfde colonne, de geheime homo in het ­waterpoloteam.

Er is een briljante anekdote over de film Ben-Hur, waarvan Vidal het scenario schreef. De regisseur, William Wyler, beklaagde zich tijdens de opnamen dat de scène waarin Ben-Hur en zijn jeugdvriend, Messala, elkaar na jaren terugzien, niet ‘werkte’. De twee oude vrienden moeten erkennen dat hun vriendschap niet tegen de loop van het lot bestand zal zijn, en dat zij vijanden zullen worden. De acteurs, Charlton Heston en Stephen Boyd, kregen het niet voor elkaar. Vidal stelde Wyler voor dat Boyd de scène zou spelen alsof Messala en Ben-Hur daadwerkelijk geliefden waren geweest, en zo gebeurde het: wie het wéét ziet nu Boyd smelten van liefdesverdriet, terwijl Heston van niks weet – hij, de fatsoensrakker, was buiten het complot gehouden. In die subversieve positie was Vidal waarlijk briljant en zonder vrees. Hij koos de positie van de Perzen, niet de Grieken; van de heidenen, niet de christenen; van de homo, niet de hetero (en vervolgens keerde hij zich tegen allebei); hij koos de positie van de transseksueel, die alle seksuele categorisering irrelevant maakte en uiteindelijk naderde hij zelfs de positie van de intelligente terrorist, in de ernstig misbegrepen correspondentie met Timothy McVeigh.

In Julian moet de hoofdpersoon aanzien hoe de keizer botweg staat te pissen in een vervallen tempeltje. Hij is de macht, de wereld is zoals hij is, het ‘drievoudig monster’ van de christenen regeert, zoals het ook nu regeert, wat valt daar tegenin te brengen? Maar als de keizer zich omdraait, legt Julian een bloem op de onteerde vloer, en fluistert een snel gebed, aan Hermes. Doe dat ook eens.


Beeld: Bettman / Corbis