Gouden vingers

In Nederland kreeg Sir Lawrence Alma-Tadema niets voor elkaar. Geen academie wilde hem hebben. Eenmaal uitgeweken naar Engeland werd hij de meest gevraagde schilder aller tijden. In het Van Goghmuseum wordt hij eindelijk erkend
Sir Lawrence Alma-Tadema, retrospectief van 29 november tot 2 maart 1997, het Van Goghmuseum Amsterdam.
WEINIG SCHILDERS vielen zo diep - en dat na een carrière waar geen tienduizend impressionisten, neo-impressionisten en postimpressionisten een stuk uit hadden kunnen bijten. De allerhoogste toppen had hij bereikt: na het Brits staatsburgerschap, lidmaatschap van de Royal Academy en eerbewijzen uit Frankrijk, Spanje en Duitsland was hij door de koningin geridderd en vijf jaar later had ze hem ook nog eens de Orde van Verdienste opgespeld. Sir Lawrence Alma-Tadema. En dan al die gouden medailles die hij op praktisch alle belangrijke tentoonstellingen van Europa in de wacht had gesleept - in 1905 zelfs van de Royal Institute of British Architects. En de miljoenen die hij had verdiend met louter schilderen en oprecht hard werken. Dat namen ze hem niet zo maar af, die dolgedraaide critici - advocaten van de jonge kladschilders. Hadden hij en zijn vrienden van de Academy niet altijd zeer vooruitstrevend de moderne tijd belichaamd?

Het was een lange weg geweest voor Lourens Tadema, de zoon van de muzikale dorpsnotaris uit Dronrijp. Zelfs aan de Nederlandse verslaggevers die hem in zijn Pompejaanse paleis in St. John’s Wood kwamen bewieroken, moest hij nog vertellen dat zijn geboortedorp Dronrijp een paar kilometer van Leeuwarden lag. Hij bleef altijd even vriendelijk, zelfs joviaal, tegen iedereen die de koperen trap op ging om hem, de schildervorst, eer te bewijzen in zijn imposante atelier onder de enorme aluminium koepel. Zelfs die sukkels uit Holland waren welkom, die onbenullen die nooit hadden willen inzien dat ze een kunstenaar van wereldformaat in huis hadden. Het was dat er in Friesland geen academie was, anders had hij zich die vernederende tocht langs de Nederlandse kunstscholen kunnen besparen. Overal werd hij afgewezen. Ja, toen hij eenmaal naam en een beetje fortuin had gemaakt in België, toen wilden ze hem plots wel, als directeur van de Rijksacademie in Amsterdam nota bene. Maar toen was het al te laat: hij had besloten naar Engeland te gaan, het enige land waar ze goed geld betaalden voor zijn prachtige reconstructies van het alledaagse leven in de Romeinse keizertijd.
Als hij nog in Nederland kwam, was dat om zijn neef Mesdag te bezoeken. Ook geen onverdienstelijk schilder, die Hendrik Mesdag. In 1877 was hij naar Den Haag gereisd voor het huwelijk van Mesdags dochter. Bij die gelegenheid maakte hij kennis met de Poolse bariton en dirigent Georg Henschel, die zich natuurlijk George noemde omdat hij in Schotland was gaan wonen. Net als hij, Lourens, zich in Antwerpen Laurens en in Engeland Lawrence noemde. En Alma, dat was de naam die hij van zijn peetvader had meegekregen, die deed het in Engeland erg goed, vooral met een streepje ertussen. Sir Lawrence en Sir George, treffender illustratie voor de klasse-overschrijdende carrièremogelijkheden in victoriaans Engeland was nauwelijks denkbaar. Toch had hij zijn eenvoudige afkomst nooit verloochend, hoezeer hij zich ook had opgewerkt tot gentleman-painter.
IEDEREEN DIE IN Londen iets te betekenen had gehad, waren door hem en zijn geliefde echtgenote vermaakt met hun befaamde At Homes. Elke maandagmiddag en elke dinsdagavond - met diner vooraf - reden de koetsen voor met tientallen gasten: journalisten, verzamelaars, literatoren, geleerden, kunstenaars, vrienden, handelaren, uitgevers, salonleeuwen en musici vergaapten zich aan de honderden snuisterijen, beeldjes, meubels à la grècque en aan de schilderijen die pront stonden opgesteld in het atelier annex feestruimte. Voor potentiële kopers lag altijd een vergrootglas klaar. Vooral musici had hij graag over de vloer. Ze moesten altijd optreden, zelfs als ze maar een paar dagen in Londen verbleven. Pablo Sarasate had hij gehad, Caruso, Clara Schumann, Tsjaikovski en Anton Rubinstein, Saint-Saëns en Paderewski.
Allemaal signeerden ze de met perkament beklede vleugel in zijn atelier - een fabelachtige vleugel waar al veel over was geschreven, ook in The Athenaeum, waar ze abusievelijk hadden vermeld dat Alma-Tadema hem zelf had ontworpen. Dit zette hij recht, want niet hij, maar de architect George Fox had het wonderlijke gevaarte in byzantijnse stijl ontworpen. Wel had hij andere vleugels ontworpen, eentje voor Henry Gordon Marquand, de schatrijke Amerikaan die ze conservator van het Metropolitan Museum in New York hadden gemaakt. Handig bekeken van die museumjongens: zo konden ze mooi die enorme kunstverzameling van Marquand in gebruik en later in bezit krijgen. Marquand had in New York een fors huis laten bouwen en hem, Lawrence, de music room laten ontwerpen in een grandioze, victoriaans-Griekse stijl: tientallen meubels, gordijnen, een muziekkabinet en een vleugel, gecombineerd met dierenhuiden zoals die ook in zijn atelier en op zijn schilderijen voorkwamen.
Voor de decoratie schakelde hij zijn vrienden van de Academy in: Leighton voor de plafondschildering, Onslow Ford voor de haardijzers en Poynter voor de binnenkant van de pianokleppen. Hij had er niet voor naar Amerika gehoeven. Niet dat het reizen hem tegenstond, integendeel. Met zijn eerste vrouw Pauline was hij in 1861 op huwelijksreis geweest naar Italië. Ze hadden ook nog even Pompeji aangedaan, omdat de kersverse koning, Victor Emmanuel I, net opdracht had gegeven de stad systematisch uit te graven. Dit bezoek was beslissend voor zijn ‘Romeinse’ loopbaan. Hij was er later nog eens teruggeweest en had foto’s genomen, van beelden, brokstukken, inscripties en marmer, veel marmer. Hij had een archief van duizenden foto’s , waaronder 168 van Pompeji. Handig voor achtergronden, details en de houding van figuren.
Hij was ook in Egypte geweest, voor de opening van de Aswandam. Voordat hij die eerste reis maakte, had hij al zo'n dertig 'Egyptische’ schilderijen gemaakt. Allemaal even archeologisch verantwoord, tenminste voor het oog van de leken die ze moesten kopen - plotseling rijk geworden kooplieden en industriëlen zonder opleiding. De kenner zag heus wel dat hij de Egyptische werkelijkheid had aangepast aan esthetische eisen.
ZIJN EERSTE schilderijen waren domweg te moeilijk geweest. Die merovingische koningsmoorden, machtig interessant allemaal en ze werkten wel op de nationalistische gevoelens in Frankrijk en België, maar het grote publiek en de belangrijke kopers, de Britten en Amerikanen, vonden ze te cru en te intellectueel. Ook Egypte was snel uitgeput, maar de Romeinen - dat was een gouden greep. Niet alleen omdat zich in Engeland al een school van zogenaamde Victorian Olympians was geformeerd, maar vooral omdat de omhoogstrevende middenklassen zich zo gemakkelijk konden herkennen in de Romeinse patriciërs. Daar lag de toekomst, vonden Alma-Tadema en zijn Britse bentgenoten; in het veroveren van een wereldrijk, in de vorstencultus die dat rijk bijeenhield en in de schone kunsten, van schilderkunst en muziek tot tuinieren.
Hij deed het zelf ook allemaal graag: schilderen, musiceren en tuinieren. Zijn tuin in St. John’s Wood was misschien wel de mooiste van Engeland, zoals de kranten beweerden, maar de mooiste bloemen schilderde hij zelf. Zoals The Roses of Heliogabalus, een wreed en schitterend schilderij. Een journaliste noemde het 'een practical joke op groot formaat’. De Romeinen schreven dat Heliogabalus hun decadentste keizer was, met een adolescente wreedheid - hij liet ooit zijn disgenoten onder zo'n lawine van bloemen bedelven, dat ze er niet in slaagden zich uit te graven. Dit spel met dood en schoonheid had Alma-Tadema weergegeven met een duizelingwekkende pracht van duizenden precieus geschilderde rozen.
Een van de bedolven hovelingen kijkt onaangedaan het schilderij uit, de toeschouwer recht in het gezicht. Het is de femme fatale, wellicht de aanstichtster van het kwaad, een volle nicht van al die Salomé’s , Cleopatra’s , Salammbô’s , Judiths en Medusa’s waar de symbolisten zo dol op waren in die tijd. Zelf achtte Alma-Tadema vrouwen hoog, hij had er per slot twee versleten en was naar Engeland gekomen met zijn zuster en zijn dochters. Zijn klanten waren uiteraard mannen, maar vrouwen beslisten vaak over aankopen, dus stelde hij bij voorkeur beide tevreden. Mannen werden aangelokt door de fabelachtige, studieuze en arbeidsintensieve techniek, die hen op aangename wijze herinnerde aan de manier waarop zij hun eigen welstand hadden bereikt, en de dames werden vertroeteld met knusse, sentimentele voorstellingen die je kon lezen als een verhaaltje dat altijd goed afliep, met een moederlijke, kuise of trouwe vrouw.
Onder koning Edward VII werden zijn schilderijen wat frivool, zelfs platvloers zeiden sommigen. Maar ja, er was een nieuwe tijd aangebroken na de dood van koningin Victoria, en alles kon - nou ja, bijna alles. In het geniep kon er nog veel meer, maar dat de koning hem persoonlijk had opgedragen pornografische voorstellingen te maken, was een kwalijk gerucht. En ook dat de koning van Denemarken hem voor zoiets had benaderd was gelogen, hoewel het een publiek geheim was dat die twee vorsten plaatjes van bedenkelijk allooi uitwisselden.
Alma-Tadema heeft nooit iets onfatsoenlijks gemaakt, behalve misschien In the Tepidarium, maar daar kon eigenlijk niemand aanstoot aan nemen. Het naakte meisje ligt in het lauwwaterbad van een Romeins badhuis, en het opvallend gladde, fallisch uitlopende voorwerp dat ze zo aandachtig vasthoudt, is duidelijk herkenbaar als een huidschraper. Het schilderij glansde prachtig, zoals al zijn doeken, zonder ooit maar één keer vernis te hebben gebruikt.
A Pyrrhic Dance, dat was zijn grandioze binnenkomer geweest in de Engelse kunstwereld, in 1870. Hij had het al een jaar eerder geschilderd, en zijn handelaar Gambart had hem gezegd dat hij er in Frankrijk hoge ogen mee zou gooien. Maar daar brak tussentijds de oorlog tegen Pruisen uit. Dus kregen de Britten de eer om het eerst te bewonderen. Het veroorzaakte een sensatie, ondanks de valse kritiek van John Ruskin - de criticus waar iedereen voor boog. Deze azijnpisser had zijn natuurgetrouwe, originele reconstructie van een rituele militaire dans in de laat-Griekse tijd afgedaan als 'een microscopische blik op een klein detachement zwarte kevers op zoek naar een dode rat’. Gelukkig had dit het publiek en de potentiële klanten niet afgeschrikt. Ze hadden zelfs niets durven zeggen over die oude man die met zijn jonge vriend op de voorste rij zat.
In die tijd sloot Alma-Tadema nog geen compromissen. Gaandeweg had hij zich echter steeds meer toegelegd op huiselijke scènes in het keizerrijk. Steeds lichter werden zijn doeken, en vanaf het glorierijke moment dat hij zijn nieuwe atelier in gebruik kon nemen, met het glanzende plafond van peperduur aluminium, schilderde hij bijna alleen nog maar buitenscènes met veel glinsterend marmer. 'A marbellous painter’, had Punch hem genoemd. Alles moest van marmer zijn, zelfs als zijn voorbeelden van tufsteen of terracotta waren.
Voor Spring had hij zijn fotoverzameling gebruikt en verschillende figuren gemodelleerd naar Romeinse beeldjes en Pompejaanse fresco’s . Van de jongens en meisjes met bloemen en muziekinstrumenten in de authentieke Floralia-processie had hij bij nader inzien de jongens toch maar overgeschilderd, want wie weet zagen ze er de saters en maenaden in die elkaar in de Griekse en Italiaanse bossen besprongen, en dan kon je het alleen nog onder de toonbank verkopen. Gelukkig had hij het al aan een Duitse bankier weten te slijten, ruim een jaar voor voltooiing. Die roemde de 'muzikaliteit’ van het schilderij, en de manier waarop de dode materie tot leven werd gebracht. Voor het grote publiek werden tienduizenden reprodukties gemaakt. Alma-Tadema was er trots op. Dit was pas een muzikaal schilderij, vergeleken met de intuïtieve streken en klodders van Whistlers 'Nocturnes’, terwijl die Tadema’s werk toch ’s ymphonies and harmonies’ noemde. Wit was ook Whistlers favoriete kleur, en ze werkten beiden van licht naar donker. Vreemd dat ze geen vrienden waren.
BIJ WIJZE VAN grap werd op Spring vriend Henschel afgebeeld, op het balkon, precies onder een kapiteel met een sater. Henschel had er smakelijk om gelachen en voor de honderdzoveelste keer had hij hem het schitterende lied Daddy Wouldn’t Buy me a Bow-Wow laten zingen, compleet met Cockney accent. Wat een genot, omringd te zijn door vrienden waar je fijn mee kon lachen en die ook nog mooie muziek ten gehore konden brengen. Ja, de vleugel was het centre-piece van zijn paleis. Alleen Paderewski had er niet op willen spelen; die liet liever elke keer een simpele piano afleveren voor zijn huisconcerten.
Het was het mooist geweest als het bezoek zich verkleed zou hebben, hijzelf natuurlijk als Romeins keizer. Alles leek dan van goud te zijn, van de koperbeslagen trap tot de goudgelakte teennagels van de in sandalen gestoken damesvoetjes. Op zulke avonden was Alma-Tadema het middelpunt van het rijk geweest, zowel schildervorst als gentleman-painter. En op verjaardagen, als hij goochelaars en dansers liet komen, lachte hij zelf het hardst om de dubieuze grappen die hij vertelde.
Het was een mooie tijd geweest; tranen had hij zich gelachen, elke week weer. Tot zijn geliefde Laura overleed. En toen had hij niets meer. Behalve dan een prachtig huis vol spullen, maar dat zou na zijn verscheiden wel allemaal worden geveild. En vrienden, waarvan sommigen hem door dik en dun bleven steunen, tegen de toenemende aanvallen in de pers. De verwijten van weleer, van Victorians in togas en 5 o'clock tea antiquity, hadden plaatsgemaakt voor veel gemener kritiek. Het zou niet lang meer duren. Jammer, het was zo lang zo mooi geweest. Misschien dat er ooit nog belangstelling voor zijn schilderijen zou komen, niet vanwege de 'typische uitdrukking van het victoriaanse Engeland’, maar vanwege de artistieke kwaliteit, als moderne kunst met eigentijdse oplossingen voor artistieke problemen, met een superieur gevoel voor harmonie van kleur en lijn, met een stofuitdrukking die steunt op de modernste ontwikkelingen in de wetenschap, en lichteffecten waar geen 'neopostimpressionist’ aan kan tippen. Dat ze hem niet zouden vereenzelvigen met de negentiende eeuwse mechanisch-wetenschappelijke fascinatie voor waarheid, maar in zouden zien dat hij archeologische waarheid opofferde voor een esthetische waarheid.
Maar op dat alles moest hij waarschijnlijk te lang wachten, in elk geval tot de mensen moe waren van dat pedante, navelstarende modernisme. Hij rechtte zijn rug en keek naar het doek op de ezel. Nog één baadstertje dan?