Kunst: Time, Trade and Travel

Goudkust Goudkust

Stedelijk Museum Bureau Amsterdam is al enige tijd onderweg met het ‘Project 1975’, dat zich bezighoudt met de relatie tussen hedendaagse kunst en kolonialisme.

Voor de verandering stelt dat project heel heldere vragen over het kolonialisme van weleer, dan wel het imperialisme van vandaag, en over ‘de stilzwijgend aangenomen multiculturele normalisatie van de jaren negentig’. De presentatie Time, Trade Travel laat het resultaat zien van het onderzoek van tien in Nederland gevestigde kunstenaars en een zelfde aantal Ghanese collega’s naar de historische relaties tussen Nederland en Ghana. Dat is een rijk onderwerp. Ghana is eigenlijk een vergeten Nederlandse kolonie; veel langer dan in Brazilië, Deshima of India bezaten de Nederlanders hier handelsposten en forten. Het is ondoenlijk de volle breedte van dat discours hier recht te doen. smba heeft een nuchtere en directe relatie met de Grote Historische Problematiek gelegd, zonder de kommer die de materie doorgaans belast – bijvoorbeeld de vraag of een uitwisseling tussen Amsterdam en Accra eigenlijk wel echt een uitwisseling kan zijn, of die term niet zelf al beladen is met ongunstige betekenissen. Dat lijkt flauw, maar het is best relevant; neem het simpele gegeven dat de Ghanese kunstenaars allemaal al in Europa waren geweest, maar geen van de ‘Nederlanders’ ooit Afrika had bezocht.

Twee werken vielen mij in het bijzonder op, films van Katarina Zdjelar (Belgrado, 1979) en Zachary Formwalt (VS, 1979), beiden oud-resident van de Rijksakademie. Formwalt maakt langzame documenterende films, geaard in politieke en economische theorie. Hier is de film A Projective Geometry te zien, een schetsmatig portret van een in onbruik geraakte spoorlijn die ooit de goudmijnen in het achterland verbond met de haven van Sekondi. Formwalt ziet die lijn als een illustratie van het marxistische idee van accumulatie, van een eindeloos perspectief, waarin twee parallellen elkaar aan de horizon lijken te ontmoeten. Nuchtere documenten uit de jaren dertig laten zien hoe de Britse bestuurders de lijn opheffen en de oppositie van de lokale bevolking afdoen als irrelevant. Dit is een vorm die het midden houdt tussen een onderzoekspresentatie, een documentaire en een observerend reisverslag; de maker is nadrukkelijk onnadrukkelijk aanwezig, en de verteltrant is te traag voor een documentaire. Dit is een schets, geen panorama, en die voorzichtigheid lijkt me ingegeven door een integere reserve tegenover de complexiteit van zo’n koloniale geschiedenis.

Katarina Zdjelars film My Lifetime (Malaika) is al even terughoudend en niet-becommentariërend. Zij laat een repetitie zien, in close-ups, van leden van het nationale symfonieorkest. Zelden zo’n lamlendig zooitje muzikanten gezien. De trombonist dommelt naast zijn afgebladderd instrument, de strijkers doen maar wat. Er is geen dirigent te bekennen. De muzikanten worden slecht betaald en komen bek-af van hun échte werk op de repetitie, om muziek te spelen die geen weerklank heeft.

Ook dit is een schets, die de complexiteit van zo’n fenomeen alleen maar wil aanstippen. Net als bij Formwalts spoorlijn gaat het hier om een erfenis: bij de onafhankelijkheid bepaalde de nieuwe staat dat er ‘Europese’ culturele instituties moesten zijn, ter onderbouwing van de nieuwe natie, en dus ís dat orkest er, ook al lijkt niemand meer te begrijpen waarom. Ghanezen hebben niets met deze muziek. Maar het orkest is er, het is even oud als de staat zelf – en dus al lang niet meer een ongemakkelijk reliek van de kolonialen, zoals de roestende locomotieven in Formwalts film.

Time, Trade and Travel. Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, t/m 21 oktober. smba.nl