Goudvis

Als je in sommige kantines een beetje geluk hebt en je het laatste restje uit de ketel krijgt, kan het zijn dat de koffie er, mits zwart gedronken, smaakt naar de geur van het ‘s ochtends overgebleven en gedoofde haardvuur, zoals elke dag weer in Keraudic en Plelauff.

We wasten ons met de ijsblauwe asresten in pompwater vol dode vliegjes. Omdat Job zei dat daar onsterfelijkheid in huisde. In ruil daarvoor vertelde ik hem weer iets over de toekomst der goudvissen.
Van alle dieren schijnt de goudvis de meeste kleuren uit elkaar te kunnen houden. Staand aan de vijverrand in Nara (Japan) of Shanghai (China) en kijkend naar de fervente onderlinge strijd om het door de passanten in het water geworpen kleurloze aas te bemachtigen vraag je je af waarom.
Waarbij je je ook nog kunt voorstellen dat ze een zo kostbare eigenschap voorlopig als een later te consumeren reserve in hun kop laten zitten. Komt over honderdduizend jaar nog wel van pas. Vandaar, voor mensen die hun goudvis, die voorlopig nog Wim heette, nu snel en toepasselijk om willen dopen naar b.v. de destijds in Londen woonachtige Matthijs Maris die sprak van pot- boilers wanneer hij doelde op de werken waarvan hij het artistiek gehalte met een korrel zout nam maar die zeer goed werden verkocht.
Waarmee ik beken, en met smaak, wel eens goudvis te hebben gegeten. Evenmin daardoor afgeschrokken als hij die iemand over suiker in de erwtensoep hoorde zingen en het toen probeerde met een potagie van dadel en waterkers. Zo Chinees als het zich in vereniging laten opeten van kip en ossestaart.
Ik voorspel dat we de Chateau Petrus in het jaar 3000 gewoon uit de fles zullen drinken. Wat dat betreft zijn we precies goudvissen. Vol met tussengedachten over hemel en aarde maar ook met enkele reserves achter de hand.