Gould zonder bach

Dat de Canadese pianist Glenn Gould zijn hele leven Bach onder handen heeft gehad, is geen nieuws. De identificatie tussen uitvoerder en repertoire is haast zo totaal, dat je zou vergeten dat Gould ook wel eens ander werk heeft gespeeld. In 1989 werd het Bach-monopolie even demonstratief onderbroken toen CBS twee dubbel-cd’s uitbracht met de pianosonates van Mozart, uitgevoerd door Gould. De vier cd’s vormen een controversieel document, want Mozart wordt hier en daar genadeloos door de gehaktmolen gehaald.

Een welkome en interessante nuancering van het bestaande beeld van Glenn Gould vormt de pas verschenen dubbel-cd Images. De ene cd bevat werk van Bach. En hoe bekend Goulds interpretatie van deze muziek ook mag zijn, toch is de impact daarvan altijd weer overweldigend. De gedrevenheid, helderheid en kernachtigheid waarmee hij de stukken vertolkt - volkomen zeker van zijn zaak - is adembenemend.
De andere cd heet, zeer toepasselijk, Glenn Gould plays not Bach en omvat een potpourri van (delen uit) pianowerken. Deze tocht door de pianoliteratuur is niet alleen spannend, maar maakt ook duidelijk dat Gould meer een kunstenaar dan een uitvoerder in de letterlijke betekenis van het woord was. Hij mist de flexibiliteit van een rasvertolker. Sommige muziek ligt hem ten enenmale niet, andere muziek heeft juist baat bij zijn ietwat afstandelijke spel.
Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor zijn vertolking van Beethoven en Skrjabin. Niet alleen speelt hij de melodielijnen betoverend helder en verfijnd, door een totaal gebrek aan pathetiek winnen de stukken alleen maar aan expressie. En zo blijkt uit de opname van het eerste deel uit Prokofjevs Pianosonate no.7 dat aan Gould ook een veelbelovend Prokofjev-interpreet verloren is gegaan.
Bij Wagner gaat hij echter de mist in. Gould onderneemt een expeditie door de ouverture van Die Meistersinger die volledig mislukt. Zijn onvermogen om zich te wentelen in een pure klank of om een harmonie (desnoods via het pedaal) wat op te blazen, resulteert in een mager klankbeeld waarin een wagneriaanse bezieling ontbreekt.
Dat gaat echter niet op voor de Rhapsody no.1 van Brahms, een stuk dat vaak erg romantisch wordt gespeeld, maar dat door Gould naturel wordt neergezet. Waar veel pianisten dit stuk door middel van rubato, fermates en royaal pedaalgebruik een zwoegend karakter geven, lijkt Gould juist op zoek te zijn naar de innerlijke dynamiek. Hij kiest een tempo dat als een constante door de verschillende delen loopt. Daardoor krijgt de muziek de natuurlijke vaart van een bal die een helling af rolt.
Glenn Gould is een kunstenaar die tot in de eeuwigheid tot de verbeelding zal blijven spreken. Dat heeft te maken met het imago dat hij creëerde (ongeacht het seizoen gehuld in een stevige winterjas en steevast met zijn neus tussen de toetsen), maar meer nog met zijn opvattingen die zo puur, principieel en poëtisch waren. En nog altijd dwingt zijn moed respect af. Weinig pianisten hebben de durf (en de visie) om zo stapvoets door een langzaam deel te gaan als Gould deed - hoe pijnlijk de stiltes soms ook werden.
Het grappige is dat juist zijn vertolking van niet-Bach nog eens duidelijk maakt dat Gould in de muziek van Bach, in die ijzeren combinatie van strengheid en intensiteit, het best tot zijn recht komt. Zijn analytische benadering van partituren en zijn gedecideerde manier van spelen is bij veel andere componisten al snel gechargeerd en misplaatst. Desalniettemin een boeiende cd.