Grachten-gordel: Linden of iepen

De canonisatie van de Grachtengordel van Amsterdam tot Werelderfgoed vraagt, zoals alle heiligverklaringen, om tegengas van de advocaat van de duivel. Die zou moeten onderzoeken of A: die verklaring ergens op slaat en B: of de beheerders van dat erfgoed ook enig idee hebben wat zij eigenlijk gaan beschermen.

Het eerste is makkelijk te beantwoorden: ja, het slaat zeker ergens op. Mede omdat Nederland in 1940 na het bombardement van Rotterdam voor de Duitsers capituleerde, is Amsterdam een van de weinige grotere steden in noordwest-Europa met een min of meer ongeschonden historisch centrum. Het is een van de weinige centra waarvan de oorspronkelijke structuur, een min of meer sluitend concept naar Italiaans-mathematische snit, nog herkenbaar is; het is bovendien door lange periodes van economische en politieke inertie én door tijdig alarm van de eerste monumentenbeschermers gespaard gebleven voor Haussmann-achtige ingrepen. Er zijn uitzonderingen - de bouw van het Centraal Station, de aanleg van de Raadhuisstraat, de demping van de Nieuwezijds Voor- en Achterburgwal - maar die hebben het grotere geheel niet wezenlijk aangetast, zoals de bouw van de vierhonderd meter hoge Gazprom-toren in Sint-Petersburg dat daar wel zal doen.

Wat gaan de beschermers beschermen? Wat verbetert er? Voor de gemeente verandert er niks: ‘Er komen geen regels bij, er gaan geen regels af’, aldus de voorlichter. Amsterdam wordt geen Venetië, waarmee bedoeld wordt: een bevroren corpus van gebouwen, een toeristenpark, waaruit het gewone leven verdwijnt. Nee, zegt de gemeente, ter geruststelling van ondernemers en andere VVD'ers: ‘Dingen blijven mogelijk.’ Dat lijkt te betekenen dat alles bij het oude blijft. Dat zal betekenen dat grote panden nog altijd zullen worden omgebouwd tot hotel (waar, lijkt mij, toch vooral toeristen verblijven), zoals is gebeurd met het Scheepvaarthuis, nu gebeurt met de voormalige Openbare Bibliotheek aan de Prinsengracht en wellicht zal gebeuren met het Paleis van Justitie. Dat kan ook betekenen dat de binnenstad gevels blijft verpachten aan fabrikanten van sportschoenen voor zeer grote reclame-uitingen, die formeel ‘tijdelijk’ zijn, omdat ze een bouwsteiger bedekken, maar in de praktijk semi-permanent - want er is er altijd wel één in het zicht. In het veel minder streng gereguleerde Italië is die praktijk al lang uitgebannen: daar toont het steigerdoek een beeld van het bedekte gebouw, met hoogstens een kleine reclame-uiting. Het zal ongetwijfeld ook betekenen dat de gemeente blijft aanrommelen met autowerende betonobjecten op het trottoir, met het halfhartig toestaan van terrassen op stoep en dak, et cetera.

Het vervelende is dat de variatie in dat stadsdeel zo buitengewoon groot is dat er van één historisch stadsgezicht nauwelijks sprake is, laat staan van een zeventiende-eeuws. Een aantal elementen die het bijzondere kwaliteit geven staat al lang vast: de bouwhoogte en perceelbreedte langs de grachten, het gebruikte bouwmateriaal, de hoogte van kaden en bruggen, de aanwezigheid van bomen. Mooi, maar dan: welke bomen moeten dat zijn? De stad stelde in 1600 een stadshoutvester aan die zorg droeg voor geregelde aanplant van bomen langs grachten en op pleinen, en dat waren linden en iepen. Van meet af aan werden die gezien als integraal onderdeel van de aanleg, als cieraat en luister. Grote negentiende-eeuwse bomen als de rode beuk in de tuin van Museum van Loon of de kastanje achter het Anne Frank Huis zijn anachronismen. Die horen daar niet. Linden zijn echter niet populair, omdat ze slecht tegen uitlaatgassen kunnen en de bladluizen een kleverig spul afscheiden dat de pest is voor autodaken. Horen auto’s dan wel op de gracht? Heeft Unesco daar een mening over? De duivel zit in de details.

De Amsterdamse grachtengordel. De uitbreiding van Amsterdam in de Gouden Eeuw. Rijksmuseum Amsterdam, t/m 6 september