Grachtengordel

De voorlaatste dag van oktober verscheen Blauw goud: De Amsterdamse grachten in gedichten. De samenstellers Patrick Roubroeks en Thomas Möhlmann hadden tachtig dichters om een gedicht gevraagd. Ze hebben bijna allemaal meegedaan. Bovendien riep Het Parool zijn lezers in augustus op om een gedicht over de grachten in te sturen. En van de vele inzendingen die binnenkwamen, zijn vijftien gedichten opgenomen in Blauw goud.

Misschien maken we dit jaar mee dat het woord ‘grachtengordel’ in ere wordt hersteld. Er wordt in ieder geval met publicaties, concerten en tentoonstellingen weer serieus en enthousiast aandacht besteed aan de geschiedenis van deze unieke stadsuitbreiding.

Het is niet makkelijk je voor te stellen dat de enorme grachten zijn gegraven door mannen met scheppen en kruiwagens. Eerst het westelijke deel tot de Leidsestraat plus de Jordaan, vijftig jaar later de oostelijke helft. Al vanaf het begin hebben bezoekers uit de hele wereld zich aan het indrukwekkende project vergaapt. Ik denk dat het woord ‘grachtengordel’ pas sinds onze jaren zeventig honend wordt gebruikt, en dan gek genoeg soms om er de omgeving van het Concertgebouw mee aan te duiden. Maar dit is een kleine rimpeling in een geschiedenis van eeuwenlange waardering en bewondering.

Het patroon van de grachten is streng: ze zijn ontworpen aan de tekentafel. Maar de elegante bochten doen natuurlijk aan. De grachten bestaan uit lange rechte stukken, waardoor je een diepe verte in kijkt. Maar toch vormen ze, ook weer door de bochten, een besloten en intieme omgeving. Het is typisch Nederlandse perspectiefkunst, die je ook in de droogmakerijen uit de zeventiende eeuw ziet. En dan: de afmetingen die de huizen mochten hebben was streng vastgesteld, maar de gebouwen zelf hebben allemaal hun eigen karakter. Eentonigheid en afwisseling vallen hier volkomen samen.

Als je er even voor gaat zitten, kun je zo een hele reeks tegenstellingen opsommen die elkaar in deze omgeving opheffen. Het gevolg is dat de grachten ook iets raadselachtigs en ongrijpbaars hebben. Het ideale onderwerp voor poëzie.

In de meeste liederen en gedichten waarin een stad, een dorp of een eiland wordt bezongen, beweert de schrijver dat het ‘de mooiste plek op aarde’ is. Ook toevallig! denk ik bij zo’n tekst: precies die ene plek waar de schrijver vandaan komt, zou de allermooiste plek van de wereld zijn. In Blauw goud is van zulk algemeen en abstract chauvinisme helemaal geen sprake. De bijna honderd gedichten geven op bijna honderd verschillende manieren een beeld van wat er in onze tijd op en aan de grachten gebeurt. Een caleidoscoop waarin je rondvaartboten en woonboten ziet, zelfs een gondel, mensen die hun weg door de stad zoeken, de mist, de bomen, de meerkoeten en de eenden. De toeristen, de koopmanshuizen. De verroeste fietsen, de liefde die er wordt bedreven of die er juist aan zijn einde is gekomen, de stegen, de taxi’s, de hotels en een herinnering aan de Nieuwe Prinsengracht in de oorlog: alles kom je in deze bundel tegen. Ik vind het een prachtige aanvulling op de historische publicaties van dit jubileumjaar: het beeld van de levende binnenstad bewijst dat dit ontwerp nog altijd volop functioneert