Berlijn, graffitihoofdstad van Europa

Graffiti in de Mauerstadt

«Die saubere Stadt ist eine Utopie.» Berlijn is, vijftien jaar na de val van de Muur, graffiti hoofdstad van Europa.

Graffiti is alomtegenwoordig in de Duitse hoofdstad. Nergens anders in Europa is de street art scene zo levendig als in Berlijn. De stad kende voor de val van de Muur alleen in het westelijk deel een kleurrijke straatcultuur. Wijken als het links-alternatieve en Turkse Kreuzberg waren broedplaatsen voor kunstzinnige graffiti en doldwaze boodschappen als «Kein Gott, kein Staat, kein Mietvertrag». De 167 kilometer lange Berlijnse Muur was het langste en meest beroemde podium dat graffiti-artiesten ooit bezaten. Als de Amerikaanse icoon Keith Haring in de Duitse metropool kwam schilderen, bleven lokale taggers daar respectvol met hun spuitbussen vanaf. Over pieces (muurschilderingen) van mindere goden spoten ze daarentegen genadeloos hun namen heen. Die Mauer was het in cement gegoten symbool van de Duitse deling en tegelijkertijd politiek projectievlak. Deze experimentele expositieruimte bestaat echter niet meer.

De snelle afbraak van het betonnen monster betekende niet het einde van de beroemde Berlijnse graffiticultuur. Vanaf 1989 kende Berlin-Ost een regelrechte renaissance op dit gebied. Doordat bonte kleuren in het grijze Oostblok zeldzaam waren en er op het spuiten van leuzen hoge straffen stonden, bleef het sombere straatbeeld leeg. Tevens waren er in Konsum of Kaufhalle nauwelijks Sparvar-spuitbussen verkrijgbaar. Bij gebrek aan expositieplekken buiten het staatscircuit benutten Oost-Duitse kunstenaars de gelegenheid om hun woning tot tentoonstellingsruimte om te vormen.

De jaren negentig betekenden voor Oost-Berlijn een inhaalslag. Uit heel West-Europa en de Verenigde Staten kwamen writers om het onontgonnen terrein te bezetten, of te bomben, om met hun eigen vocabulaire te spreken. «Berlijn kent zowel Masse als Klasse», oordeelt spuiter Thomas Bratzke: «Hier vind je een reusachtig, zichzelf regenererend reservoir van talent.» Bratzke, architect van beroep, wijst op honderden lege fabrieken, het enorme spoorwegemplacement en grote brandmuren uit de oorlog, die de ideale plekken voor een illegale hobby in de Duitse metropool vormen. Daarnaast biedt het nauw gesloten net van U- en S-Bahn een uitstekende mogelijkheid voor verspreiding en tentoonstelling van eigen ego’s.

De Berlijnse straatcultuur bleef echter niet steken in de moerassige oorlog tussen politie en graffitischrijvers. Nieuwe ontwikkelingen dienden zich aan, doordat duizenden buitenlandse kunstenaars spotgoedkope en vaak leegstaande woon- en atelierruimte in gebruik na men. Zij kleurden het stadsbeeld door het plakken en bespuiten van allerhande stencils, stickers en sjablonen. De razendsnelle ontwikkeling van de illegale jeugd- en clubcultuur was een belangrijke drijfveer voor hun activiteiten. Geen lantaarnpaal, stoplicht of elektriciteitshuisje is meer veilig voor «urbane interventies». Op alle muren zie je glorievolle motieven uit de sovjettijd, soldaatjes of Russische raketten. De ontworpen sjablonen worden ook naar zeefdrukkers gebracht en door fashion victims gedragen. Een dag na de dood van Johannes Paulus II verschenen in de wijk Berlin-Mitte gespoten sjablonen van een glimlachende Poolse paus op straat. De boodschap werd zo rap verspreid als een krant.

Werken in deze bikkelharde branche is minder gezellig. Neem de posterplakker: ongetwijfeld een van de slechtst betaalde banen in Berlijn. Enkele minuten nadat zo’n Niedriglohner zijn plakkaat bij nacht en ontij heeft opgehangen is er meestal al een nieuwe overheen verschenen. Inzet: de heerschappij van de straat.

Iemand die precies weet hoe deze moeilijke markt functioneert is Rainer Brendel, die al tien jaar het Berlijnse straatbeeld beschildert. De veertiger fietst dagelijks met emmers verf door de stad. Hij plaatst zijn merkteken, een buitenproportionele zes, niet op muren maar over posters heen, dat is niet tegen de wet. Daarnaast hangt Brendel ongevraagd zijn eigen dadaïstische objecten op. Naar schatting heeft de Zuid-Duitser al vierhonderdduizend afbeeldingen in de metropool gemaakt, vrij naar Joseph Beuys’ principe «Jeder Mensch ist ein Kuenstler». Met deze feiten in het achterhoofd is het logisch dat het statige Kuenstlerhaus Bethanien in Kreuzberg vorige maand haar poorten opende voor internationale straatcultuur, de tweede uitgave van het festival Backjumps: The Live Issue, in samenwerking met het gelijknamige Duitse magazine. Met twaalfduizend bezoekers kon de expositie een succes genoemd worden.

De verschillende media van het Springer-concern vatten dat anders op. Bladen als Bild Zeitung, de grootste boulevardkrant van Europa, lieten geen spaan heel van het feit dat officiële instanties geld gaven om graffitikunst te propageren. Samen met de CDU en de Berlijnse antigraffiti-organisatie Nofitti werd een weergaloze campagne tegen de kunstenaars gestart. Voor de moraalridders is street art simpelweg geen kunst maar een strafbare daad. Zero tolerance is de enige optie.

De Franse filosoof Jean Baudrillard schreef al in 1975: «In de steden van de uitdovende twintigste eeuw vinden we tekens met markers en spuitbussen die tegen de linguïstische canon van waarden en wetten ingaan. De syntaxis van deze vertellingen kan alleen door de flaneur worden ontcijferd. Maar deze stedelijke textuur is met uitsterven bedreigd. De komende tijd zal door censuur worden gedomineerd.»

Het is daarom opvallend dat de autoriteiten Backjumps financieel steunden. De grootste vijand van de illegale straatkunst is immers de staat, die tot tweeduizend euro uitlooft om sprayers te verklikken. Toch werd de Berlijnse tentoonstelling door zowel de EU en de Bondsregering als de Berlijnse deelstaat gesponsord. Ook de Nederlandse ambassade droeg een steentje bij.

Aan de omgang met graffiti blijft een dilemma kleven: gaat het om kunst of om vandalisme? Tijdens de opening van de expositie in 2003 grepen graffiticrews de gelegenheid aan om het volledige Bethanienhaus te besmeuren. Het valt niet te ontkennen dat de kladderij elke overheid tientallen miljoenen euro’s aan schoonmaakkosten kost. Deze kunstvorm breekt wetten, beschadigt eigendom en tart het gezag.

Het beste antwoord kwam van de Nederlandse kunstenaar Influenza. De Rotterdammer, wiens ware naam Jeroen Jongeleen luidt, bouwde in Bethanien een tweedimensionale, houten sculptuur van feestvierende mensen. Op dit schaduwpanorama vol silhouetten schreef Jongeleen een felle juridische tekst over de vrijheid van meningsuiting, die be schadiging van andermans eigendom echter niet goedpraat. Tijdens een stadsrondgang foetert Influenza: «Er is zoveel onnodige reclame op straat. Waarom kunnen commerciële bedrijven de openbare ruimte zo eenvoudig verontreinigen? Hebben de burgers soms om al die megabillboards gevraagd?» De 36-jarige Jongeleen is al vaak door de politie opgepakt, zoals bijna al zijn collega’s. Ze vinden dat de façades van een stad publiek bezit zijn en daarom door iedereen beschilderd mogen worden. «Die saubere Stadt ist eine Utopie», luidt steevast het goedkope excuus.

De eersten die met graffiti op grote schaal be gonnen kregen ook expositieruimte in Be tha nien, een voormalig ziekenhuis uit de negentiende eeuw. Met idolen als Rammell:zee (New York), Mode 2 (Londen) en Delta (Am sterdam) wist curator Adrian Nabi enkele sterren naar Berlijn te lokken. Deze old school-grootheden uit de internationale graffitiscene staan nog steeds garant voor een flink publiek, dat de wortels van street art wil begrijpen. Het gaat nog altijd om begrippen uit de hiphopcultuur als roots en street credibility. Daarbij blijft het vreemd waarom de graffitiscene om Nabi zo graag museumstatus wil krijgen. Voorheen illegaal werk hangt nu trots in «the white cube». De jonge tentoonstellings maker draagt een T-shirt met het opschrift «Graffiti can’t be stopped» en zegt: «Voor treinspuiters is dit alles Kinderkacke.» Nabi geeft het onomwonden toe: «Natuurlijk heb ik vroeger ook op de rangeerterreinen mijn signaturen achtergelaten.» Maar hij is nu een stuk volwassener en geeft grif toe dat de teksten grotendeels uit puberale onzin zonder enige reflectie bestaan.

Iemand die wel dieper over straatcultuur nadenkt is Zevs, een 27-jarige Parijzenaar. Deze kunstenaar is gefascineerd door de macht van de reclame-industrie. Op een nacht kroop hij op het Forum Hotel op Berlijn-Alexanderplatz en sneed een meterslange wulpse dame uit een reusachtige reclameposter van het Italiaanse koffiemerk Lavazza. Visual Kidnapping noemde Zevs zijn project en stelde het stuk poster tentoon in een Berlijnse galerie. Daarna vroeg hij het espressobedrijf vijfhonderdduizend euro losgeld, als ze hun reclamevrouw heelhuids wilden terugzien. Het model was natuurlijk al lang over de bondsgrens in veiligheid gebracht en het fraaie staaltje guerrilla-marketing hing al in het Palais de Tokyo in Parijs. Dat herinnerde ook aan de Blitzkrieg-acties van Marc Bijl, het Nederlandse enfant terrible dat ook in het buitenland graag provoceert. Bijl had op de vooravond van de opname van een commer cial van Nike, ook op Alexanderplatz, het door de Amerikaanse sportschoenenfabrikant ge doneerde basketbalveldje overgespoten in de kleuren van Adidas, de Duitse concurrent. Elders in de Duitse hoofdstad heeft Bijl brisante objecten achtergelaten. Bij de Brandenburger Tor legde hij ongevraagd een groot stenen Eisernes Kreuz neer. Deze Pruisische oorlogsonderscheiding werd door de nazi’s misbruikt. De huidige Bundeswehr zag er geen probleem in om dit gehate kruis over te nemen.

Sowieso was de Nederlandse inbreng fors op Backjumps. «Psycho-geograaf» Wilfried-hou-je-bek uit Utrecht was natuurlijk van de partij, net als de Rotterdammer Iepe Rubingh. Deze Nederlandse «hofnar» is al bijna een de cennium in Berlijn actief en toonde bij Backjumps zijn video Das Wunder von Berlin. Hierop liet hij aan de Hackescher Markt, een toeristische trekpleister, een kastanjeboom wekenlang regenen. Door een ingenieuze constructie kon Rubingh op afstand meisjes met een on ge wenst wet-T-shirt-contest confronteren. Dagjesmensen namen de gelegenheid om in een zonovergoten zomer een frisse douche te nemen.

www.backjumps.org