Grafsteen

Paul van der Steen, Van gelijke duisternis. Gedichten. In de Knipscheer, f29,50 Hij was nu drie jaar dood en leek geheel vergeten, als de krantekop van een ramp van gisteren
Aldus dichtte Pieter Boskma in zijn vorig jaar verschenen bundel Simpel heelal. Het zijn regels uit een prachtig, episch gedicht; een evocatie van een man, een vriend, een dichter (Paul van der Steen, 1950-1991), die voortijdig uit het leven wegsloop. In het gedicht - dat uit maar liefst 33 episoden bestaat - roept Boskma hem weer tot leven, als stem uit het hiernamaals, een engelachtig figuur, een symbool van vergankelijkheid.

Voor Boskma was het niet genoeg. In mei 1995 organiseerde hij een balorige literaire avond in de Kring met de bedoeling fondsen te werven voor een definitieve grafsteen voor zijn drinkebroeder en collega - iets waaraan heel literair Amsterdam (uit opstandigheid tegen de dood die niet het recht heeft creatieve geesten zo abrupt tot zich te roepen?) spontaan en belangeloos zijn medewerking verleende. De grafsteen moest een bundel worden met een selectie uit het nagelaten werk van de dichter, waarvan slechts zeer weinigen tot dan toe (via in eigen beheer verspreide bundels en een enkele publikatie in een literair tijdschrift) kennis hadden kunnen nemen.
Van gelijke duisternis heet het kleine, stemmige monument dat vorige week is verschenen bij uitgeverij In de Knipscheer, en dat is ook de titel van de eerste dichtbundel die Van der Steen in 1982 onder vrienden verspreidde. De selectie begint sterk, met lyrische verzen van een aantrekkelijke ingetogenheid, die een beetje aan de eveneens jong gestorven dichter Hans Lodeizen doen denken. Tegenover ‘Dit leven zachtjes ken ik het/ zachtjes loop ik eruit’ of 'morgen ben je dood’ van Lodeizen staat het net zo omineuze 'op een dag zal ik doorzichtig zijn’ van Van der Steen: op een dag zal ik doorzichtig zijn kunnen mijn handen niet strelen niet klappen slaan mijn ogen blind op een muur dan zal ook de nacht wijken waarop de dood altijd heeft gerust
Er is in Van gelijke duisternis erg veel dat naar de dood verwijst, vaak zeer expliciet. Van der Steen mag dan niet oud geworden zijn, in zijn verzen geeft hij de indruk door en door vermoeid te zijn geweest van 'altijd weer dit leven’. 'Hoeveel jaren nog moet ik dit/ zien hoeveel stappen ver weg?’ vraagt de dichter zich af in het moedeloze Veel ben ik niet geworden. En: als ik leun tegen een slagboom dan weet ik het: daar is het! maar ik ben niet veel geworden en ook daar zal ik niets dan tot mijn lichaam behoren dat al zo ver weg klinkt
Herman de Coninck noemde een verzamelbundel ooit 'een nogal genadeloze vuurproef’. Genadeloos, want de zwakke kanten van een dichter kan zo'n bundel niet verhullen. Van gelijke duisternis bevat een aantal rommelige, saaie en zinloze gedichten die de zwakheden van Van der Steen blootleggen. De lezer die begint aan deze postume bundel met de stiekeme hoop met een miskend talent van doen te hebben, wordt helaas teleurgesteld. Erg is dat niet. De bundel is een mooi en passend saluut aan een dichter die misschien 'niet veel geworden is’, maar die het met een tiental kleine juweeltjes beslist niet verdient om geheel en al door de vergetelheid te worden verzwolgen.