Anne Applebaum, IJzeren Gordijn

Grammofoonplaten aan gruzelementen

In één ding zijn de sovjets nooit geslaagd: het veroveren van de harten der inwoners van Oost-Europa. Terecht staat Anne Applebaum uitgebreid stil bij de droeve geschiedenis van onze nieuwste EU-leden.

Anne Applebaum, IJzeren gordijn. De inlijving van Oost-Europa 1944-1956, € 34,95 e-book, € 24,99

In mei 1945, zodra het oorlogsgeweld was afgelopen, begonnen jongeren in Berlijn allerlei initiatieven te ontplooien om het leven weer op gang te krijgen. Ze vormden spontane antifascistische verenigingen die zich bezighielden met puinruimen, het opvangen van weeskinderen, het verschaffen van voedsel en water en het ontplooien van culturele activiteiten. Wolfgang Leonhard, een Duitse communist die de oorlog in Moskou had doorgebracht en nu samen met Ulbricht door de sovjets naar Berlijn was teruggebracht, kwam in contact met een van de jongerengroepen. Hij was diep onder de indruk van hun enthousiasme en vooral van hun efficiënte werkwijze. Hij vertelde er zijn baas, Ulbricht, over, die echter heel anders reageerde dan Leonhard had verwacht. Volgens hem waren dit allemaal mantelorganisaties van de nazi’s die zo snel mogelijk verboden moesten worden. Het was prachtig dat jongeren zich inspanden voor de samenleving, maar alleen onder auspiciën van de communistische partij. Leonhard kreeg opdracht een einde te maken aan de spontane jongereninitiatieven en een communistische jeugdbond op te richten.

Het is kenmerkend voor het volstrekte totalitarisme van de communisten, en van hun paranoia. Het verenigingsleven, een van de opvallendste kenmerken van de burgerlijke samenleving, werd als een levensgrote bedreiging gezien. Of het nu ging om voetbalverenigingen, schaakclubs of fanfarekorpsen, het konden allemaal haarden van subversieve activiteiten zijn.

Het is een van de vele voorbeelden die Anne Applebaum in IJzeren Gordijn: De inlijving van Oost-Europa 1944-1956 geeft van de manier waarop de Sovjet-Unie er in samenwerking met een gering aantal plaatselijke communisten in is geslaagd de acht landen van Oost-Europa (of beter gezegd Midden-Europa) die ze in 1944-45 had bezet binnen een paar jaar in schijnbaar volstrekt uniforme satellietstaten te transformeren met identieke 1 mei-parades, jeugdbewegingen en volksdanstheaters. Terwijl die acht landen (die door een groot deel van de West-Europeanen nog steeds als één pot nat worden beschouwd) toch zo verschillend waren als maar kan. Er waren ontwikkelde industrielanden als Tsjecho-Slowakije en Oost-Duitsland bij en bijna feodale landen als Bulgarije en Albanië. Ze waren katholiek, protestant of orthodox. De bevolking was hooggeschoold of analfabeet. Sommige landen hadden tijdens de oorlog de zijde van Duitsland gekozen, andere zaten in het geallieerde kamp. Veel van die landen hadden voor de oorlog een tamelijk autoritair rechts bewind gekend, wat het ontstaan van een vrij normale burgerlijke samenleving echter niet in de weg had gestaan. Er waren tal van verenigingen waar de staat zich niet mee had bemoeid.

Anne Applebaum geeft een onthutsend en ongekend gedetailleerd beeld van de manier waarop de Sovjet-Unie erin slaagde om dit gevarieerde en door de oorlog zwaar getroffen onsamenhangende zooitje om te bouwen tot één blok. Het zou een succesverhaal zijn geworden, ware het niet dat de sovjets in één ding niet slaagden: het veroveren van de harten der inwoners. En juist dit laatste zou hun op den duur fataal worden. Het stalinisme (de heel specifieke variant van het communisme die sinds 1930 dominant was) had niet zo veel met het winnen van harten, dat vertrouwde meer op intimidatie, angst en terreur. Dat begon meteen al bij het begin, met de invasie van het Rode Leger. Dat trok plunderend, brandstichtend, moordend en verkrachtend binnen. Hoewel Oost-Europa niet het welvarendste deel van Europa was, waren de sovjetsoldaten, die zelf nauwelijks te eten hadden, verbijsterd over de rijkdom van de gebieden die ze veroverden en hun eerste reactie was maar al te vaak: de fik erin. Ook de bevolking werd niet ontzien, vooral vrouwen waren vogelvrij. In de eerste plaats in Duitsland en de met Duitsland collaborerende staten, maar de landen die aan de andere kant hadden gestaan, zoals Polen en Tsjecho-Slowakije, werden nauwelijks minder ontzien. Dat deed de aanvankelijke vreugde om de bevrijders, die er zeker is geweest, al snel omslaan in angst, argwaan en haat.

Niet dat de sovjets en de plaatselijke communisten die meteen na de bezetting van Oost-Europa uit Moskou werden overgevlogen zich daar erg veel van aantrokken. De Sovjet-Unie ging rustig door met het confisqueren van alles wat los en vast zat bij wijze van herstelbetaling, wederom niet alleen uit de landen die tot het vijandige kamp hadden behoord, maar evenzeer uit de ‘bevriende naties’. Op die manier slaagde de Sovjet-Unie erin om al in de eerste naoorlogse maanden haar laatste restjes populariteit te verspelen.

Aangezien de communistische partijen in geen enkel Oost-Europees land erg talrijk of machtig waren geweest begrepen ze dat ze voorzichtig moesten beginnen. Er werden onder druk van de Sovjet-Unie coalitieregeringen gevormd waarin de communisten vaak niet eens een meerderheid hadden, maar in ieder geval twee ministeries bezetten: Defensie en Binnenlandse Zaken. Op die manier hadden ze controle over het veiligheidsapparaat: leger en politie. Tevens maakten ze zich meester van de radio, hét massacommunicatiemiddel bij uitstek, en probeerden ze de jeugdbewegingen te infiltreren. Vol vertrouwen wachtten ze de verkiezingen af, die in de meeste landen in 1946 of 1947 werden gehouden. De klap die daar kwam was groot. De communisten deden het in bijna alle Oost-Europese landen ronduit slecht. Dertig procent (in Tsjecho-Slowakije) was het maximum. Als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks, was hun typerende reactie. Vanaf dat moment werd elke democratische façade afgeworpen. De sociaal-democratische partijen werden gedwongen met de communistische te fuseren en naar hun pijpen te dansen, de leiders van de machtige boerenpartijen en de conservatieven werden opgepakt of geïntimideerd, en al spoedig was er nog maar één partij, de communistische (ook al heette die meestal anders), soms met voor de vorm nog een boerenpartij als pseudo-oppositie, zoals in Polen of Oost-Duitsland.

In haar boek concentreert Applebaum zich op drie landen: de ddr, Polen en Hongarije, landen die voor en in de oorlog een heel verschillende achtergrond en cultuur hadden: de ddr maakte deel uit van Duitsland, Polen was het eerste slachtoffer van de Duitse opmars geweest en Hongarije had het grootste deel van de oorlog met de nazi’s gecollaboreerd en was pas in het laatste jaar door de Duitsers bezet geweest. Net zoals in haar vorige standaardwerk, De Goelag (2003), baseert ze zich in dit boek niet alleen op archiefonderzoek, maar ook op interviews met betrokkenen en ooggetuigen uit deze drie landen, waardoor het algemene en het particuliere naadloos worden verweven.

Omstreeks 1950 leken de landen van Oost-Europa een communistische eenheidsworst, waar de gesproken talen het enige verschil schenen uit te maken. De bevolking maakte de indruk compleet te zijn gehersenspoeld, tekenen van ontevredenheid en oppositie waren nauwelijks waarneembaar. Maar Stalin was nog niet dood, in 1953, of deze façade bleek een Potemkin-gevel. Stakingen en demonstraties in Oost-Berlijn, een nog net op tijd bezworen opstand in Polen en als hoogtepunt de volstrekt uit de hand gelopen Hongaarse opstand van 1956, waarbij duizenden doden zijn gevallen en in Boedapest en andere Hongaarse steden complete veldslagen zijn geleverd, verbijsterden de wereld, de eigen leiders en het Politburo van de Sovjet-Unie niet uitgezonderd. De bevolking bleek zich net zo veel te hebben geconformeerd aan de nieuwe machtsstructuren als strikt noodzakelijk was. Ze marcheerde braaf mee omdat ze anders grote problemen zou krijgen. Maar zodra de druk even van de ketel was barstte de ontevredenheid los. In vijf jaar had het communisme voornamelijk armoede, hoge werkdruk, massamanifestaties, leuzen en terreur gebracht. Een schril contrast met West-Europa dat door de Marshallhulp aan een economische opmars bezig was.

Oost-Europa had vlak na de oorlog nog een ander probleem voor de kiezen gekregen waarvoor West-Europa gespaard is gebleven: etnische zuivering. Het is een episode die in veel geschiedenissen over deze periode nogal stiefmoederlijk wordt bedeeld, maar Applebaum zet het in een apart hoofdstuk allemaal nog eens duidelijk op een rijtje. De Sovjet-Unie had na de oorlog nogal wat gebieden geannexeerd. De oorspronkelijke bewoners werden daaruit meestal verdreven, de Polen naar Polen, de Duitsers naar Duitsland, de Hongaren naar Hongarije, de Oekraïners naar Oekraïne en de joden moesten het zelf maar uitzoeken. In 1944 en 1945 heeft zodoende een ware volksverhuizing plaatsgevonden waarbij miljoenen mensen op drift zijn geraakt en honderdduizenden het niet hebben overleefd. Vooral Oost-Duitsland en Polen moesten massa’s ontheemden opvangen, huisvesten, voeden en opnieuw integreren, wat een zware wissel trok op de toch al zwakke economieën.

Net als in haar boek over de Goelag heeft Applebaum in dit boek gekozen voor een deels chronologische en deels thematische opzet, waarbij ongeveer gelijkelijk aandacht wordt besteed aan politiek, economie en cultuur. Vooral die laatste is interessant. De communisten wilden niet alleen een geheel nieuw politiek en economisch systeem ontwikkelen, ze wilden ook een nieuwe mens creëren, en cultuur was daarvoor een van de belangrijkste middelen. Zo besteedt Applebaum onder meer aandacht aan de socialistische stedenbouw, met saillante details, zoals dat het centrale plein in het Poolse Nowa Huta, dat als socialistische modelstad rond een hoogovenbedrijf was opgezet, tegenwoordig het Ronald Reagan-plein heet, waarop onder meer de Johannes Paulus II Laan en de Solidariteitslaan uitkomen. Een andere belangrijke factor die je in bijna geen enkel ander boek over dit onderwerp tegenkomt, en waaraan Applebaum een hoofdstuk wijdt, is de invloed van de westerse popmuziek op de Oost-Europese jeugd. De jongeren hadden weinig op met de hun opgelegde jeugdbewegingen en de daarmee verbonden strijdliederen en volksmuziek. Hun hart ging uit naar jazz en vanaf de jaren vijftig naar popmuziek en de bijbehorende cultuur: seks, drugs, rock-’n-roll, compleet met lang haar en strakke spijkerbroeken. Aanvankelijk reageerden de autoriteiten hier heftig op. Communistische knokploegen sloegen bijvoorbeeld alle grammofoonplaten van een Warschause jazzclub aan gruzelementen, en jongelieden die zich te opzichtig kleedden werden aan de schandpaal genageld. De strijd was echter hopeloos, de Oost-Europese landen lagen te dicht bij het Westen om alle invloeden tegen te houden. Zo was de West-Berlijnse radio in bijna de hele ddr te ontvangen, en de Oostenrijkse in grote delen van Hongarije en Tsjecho-Slowakije. Ook de Amerikanen waren actief met hun Radio Free Europe vanuit München. De slag om de jeugd was omstreeks 1955 onherroepelijk verloren, waarmee in wezen het systeem zijn toekomst had verspeeld. Dat het het nog tot 1989 heeft uitgehouden mag een wonder heten.

Applebaum heeft over dit sombere tijdvak – toch een van de zwarte bladzijden uit de Europese geschiedenis – een prachtig evenwichtig en leesbaar boek geschreven, dat gelukkig even zorgvuldig is vertaald (zelfs de Russische transcripties zijn correct). Eén rare fout zag ik op bladzijde 298. ‘Gomulka zou uiteindelijk Beria vervangen als leider van de communistische partij’, staat er, maar Beria was hoofd van de geheime dienst in de Sovjet-Unie en geen leider van de Poolse communisten en op dat moment al drie jaar dood. Bedoeld is ‘Bierut’, de Poolse partijleider die in het vliegtuig terug van Moskou naar Warschau na het aanhoren van de destalinisatie-redevoering van Chroesjtsjov in 1956 een hartaanval kreeg en kort daarop stierf.

Applebaum is erin geslaagd om tien jaar na De Goelag een tweede standaardwerk te schrijven over een ongemakkelijk onderwerp dat maar al te vaak in enkele alinea’s wordt afgedaan. De droeve geschiedenis van onze nieuwste EU-leden kan wel wat aandacht gebruiken. Zeker in landen waar Polen-meldpunten vrij spel hebben. Lees IJzeren Gordijn van Anne Applebaum en besef wat een godswonder het is dat Polen, Tsjechen, Hongaren, Oost-Duitsers, Bulgaren en Roemenen zo soepel in Europa zijn geïntegreerd en zulke volstrekt normale mensen zijn gebleven.


Anne Applebaum
IJzeren Gordijn: De inlijving van Oost-Europa 1944-1956
Vertaald door Bep Fontijn, Pieter de Smit en Han Visserman. Ambo, 549 blz., € 34,95