Economie

Grand vision

Bij zijn aantreden wekte Ronald Plasterk hoge verwachtingen. Een wetenschappelijk toonaangevende bioloog werd minister van Hoger Onderwijs, maar met een ambitieloze hoger-onderwijsagenda kan Plasterk de verwachtingen niet waarmaken. Natuurlijk doet hij zinnige dingen. Tot grote ergernis van de universiteiten versleepte hij – terecht – geld van de universiteit naar de NWO. Om de hogere lerarensalarissen te betalen stijgen de collegegelden in tien jaar tijd met tweehonderd euro. Daarnaast worden wat miljoenen beschikbaar gesteld voor opleidingen aan excellente studenten. Een paar opleidingen aan sommige university colleges krijgen de mogelijkheid te selecteren en de collegegelden een beetje te verhogen. En Plasterk wil dat studenten een intakegesprek voeren om zo de grootschalige uitval te beperken. Een ‘harde knip’ tussen bachelor- en masterfase moet het keuzebewustzijn van studenten ook vergroten. Toch illustreert deze opsomming treffend dat het gevoerde beleid marginaal is.
Structurele hervormingen in het hoger onderwijs zijn urgent. De inkomensverschillen tussen hoog- en laagopgeleiden zijn de afgelopen vijftien jaar toegenomen: de financiële rendementen op onderwijsinvesteringen zijn daarom bijna verdubbeld. Het is economische noodzaak dat er meer in het hoger onderwijs wordt geïnvesteerd. Alleen, dat gebeurt niet. De overheid weigert met publiek geld over de brug te komen. En opportunistische politici blokkeren hogere private bijdragen. Politieke onwil en opportunisme veroorzaken niet alleen economische schade, maar zorgen bovendien voor een groeiende inkomenskloof tussen hoog- en laaggeschoolden.
Tegelijkertijd komt Nederland niet voor in de wereldranglijsten met de beste hoger-onderwijsinstellingen. De Nederlandse universiteiten en hogescholen vormen een bizar inefficiënt kartel. Volgens de Onderwijsraad zijn tussen 1980 en 2000 de directe uitgaven aan het onderwijs voor hbo met dertig procent en voor wo met veertig procent per student afgenomen, terwijl de overheadkosten in het hbo verdubbelden en die in het wo met een derde toenamen. Daar bovenop komt de eenheidsworst in het opleidingenaanbod, veroorzaakt door afwezigheid van concurrentie, de uniforme bekostigingssystematiek en de vaste collegegelden.
Aangezien de verschillen tussen instellingen klein zijn, blijven studenten in groten getale bij hun ouders wonen en studeren aan de universiteit om de hoek. Uitvalpercentages zijn met 25 tot dertig procent schrikbarend. De beste Nederlandse studenten staan slechts in de middenmoot van de intellectuele wereldranglijsten.
Iedere Haagse beleidsnotitie spreekt over het belang van ‘de kenniseconomie’, ‘innovatiekracht’ en ‘excellentie’. Maar Plasterk schiet structurele hervormingen keer op keer af, breed gesteund door de Tweede Kamer, die vrijwel alle hoger-onderwijshervormingen bijna nihilistisch saboteert. Er komen geen substantieel hogere private bijdragen noch selectie aan de poort. Collegegelden worden niet gedifferentieerd. En private aanbieders komen niet in aanmerking voor publieke bekostiging, waardoor publieke instellingen hun monopoliepostitie kunnen beschermen.
De private investeringen in het hoger onderwijs moeten toenemen om een hogere onderwijskwaliteit en excellentie mogelijk te maken. Studenten kunnen gemakkelijk meer betalen via een sociaal leenstelsel, dat de toegang tot het hoger onderwijs perfect kan borgen. Collegegelddifferentiatie en selectie moeten een eind maken aan de eenheidsworst, waardoor excellente studenten niet naar het buitenland hoeven.
Hogere investeringen alleen leiden echter niet tot hoogwaardiger onderwijs, zolang de overheid het kartel van hoger- onderwijsinstellingen tolereert. Exorbitante salarissen van bestuurders zijn symptomatisch voor het ontbreken van de tucht van de markt of de dwang van de overheid. Concurrentie, vrije toetreding en een open bestel dwingen instellingen om meer waar te leveren. Maar als dat niet werkt, of politiek onhaalbaar is, dan moet de overheid noodgedwongen de regie nemen, via wet- en regelgeving en aansturing via de bekostigingssystematiek.
De OESO publiceerde in december het rapport Tertiary Education for the Knowledge Society. Volgens de OESO moet de hoogste beleidsprioriteit zijn: ‘Establishing a grand vision for tertiary education’. Inderdaad. Ondanks alle gebral over het belang van de kenniseconomie komt daarvan bar weinig terecht. Het ontbreken van Plasterks ‘grand vision’ op het hoger onderwijs zal niet alleen velen bitter teleurstellen, maar – erger – voor nog eens vier jaar stilstand in het hoger onderwijs zorgen.