Grand Voyageur

Hendrik Muller (uiterst rechts) viert zijn tachtigste verjaardag © Erich Salomon / Haags Gemeentearchief

De naam van Hendrik Muller (1859-1941) leeft voort in de ‘Stichting dr. Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds’, die ‘het belang van het Nederlandse volk’ dient door het verlenen van subsidies voor behoud van erfgoed, studiebeurzen, prijzen, enzovoort. Hendrik Muller zelf is ondanks dat ruime legaat goeddeels vergeten, en daarom heeft het Fonds Dik van der Meulen nu zijn biografie laten schrijven. Dat is een gelukkige greep. Van der Meulen heeft eerder al de varkentjes Multatuli en koning Willem III gewassen, beiden net als Muller volbloed negentiende-eeuwse excentriekelingen en kopstukken van een sterk veranderende wereld; ook van deze biografie maakte hij een vermakelijk, smakelijk en tintelend geestig boek.

Behendigheid was wel vereist: Muller leidde een lang en avontuurlijk leven, waarin hij (op Australië en Antarctica na) alle continenten bereisde en waarin ten minste vier carrières vervlochten waren. Hij was tegelijkertijd een ijverig zakenman, een bevlogen diplomaat, een wetenschapper, een enthousiaste reiziger en een briljante schrijver. Hij was ook een opschepper en een dikdoener van formaat, een geliefd causeur, een lintjesjager, een verzamelaar van etnografie, een weldoener, een ruziemaker én een vrouwenversierder, en dat alles ten dienste van eigen glorie en van die van ‘het vaderland’, zoals de ondertitel van het boek wil.

Het voert te ver om dat leven hier na te vertellen, maar even snel: opgegroeid in een Rotterdamse patricische handelsfamilie, bestemd voor de internationale handel, reist daarvoor naar Mozambique en Zuid-Afrika, schrijft daar een boek over en promoveert erop, wordt consul van Liberia en consul-generaal van Oranje-Vrijstaat als de Boerenoorlog uitbreekt, reist de wereld over om steun voor de Boeren te krijgen, schrijft ondertussen prachtige boeken over Amerika en Azië, ontmoet Teddy Roosevelt, Porfirio Díaz, de keizer van Korea en de koningen van Siam, Italië en Roemenië, om er maar een paar te noemen, wordt daarna regeringscommissaris belast met het management van twee opvangkampen voor Belgische vluchtelingen op de Veluwe, in 1919 benoemd tot zaakgelastigde in Roemenië en daarna tot ambassadeur in Praag. Van der Meulen: ‘Het is nauwelijks te bevatten wat Muller allemaal heeft gezien en beschreven: Europa in een tijd dat de keizerrijken ten onder gingen; het Ottomaanse rijk in de dagen van zijn neergang; de Verenigde Staten, kort nadat de laatste prarie-indianen naar reservaten waren verbannen; Mexico en Rusland voordat revoluties die landen onherkenbaar zouden veranderen; China in de dagen van de laatste keizer…’

Was Muller Brits geweest, dan had zijn biografie naast die van Livingstone op de plank gestaan

Van der Meulen ziet het leven waarin al die ongelijksoortige werkzaamheden aaneengeregen werden als een bestaan ‘dat eigenlijk geheel uit intermezzi bestond’. Daarin volgt hij Muller zelf, die zich, telkens wanneer een bezigheid wegviel, afvroeg wat toch het hoofddoel van zijn leven kon zijn.

Een ambtenaar bij Buitenlandse Zaken typeerde hem als een ‘grand voyageur’, en dat is hij: een Phileas Fogg, een Hector Servadac, een Sven Hedin. Op reis is hij pas werkelijk in zijn element, en hoewel in de wieg gelegd voor luxe is hij gauw gewend aan ontberingen op het Afrikaanse Veldt, langs de Zambezi, of op een derderangs Roemeens passagiersschip. Hoewel doordesemd van de toen gangbare indeling van de wereldbevolking in racistische categorieën is hij in de omgang met individuele wereldburgers waar dan ook altijd opvallend hartelijk, en zelfs vol bewondering voor, bijvoorbeeld, de Amerikaanse en Mexicaanse Indianen, die hij veel aristocratischer en nobeler vindt dan de Angelsaksische Amerikanen zelf met hun ‘openhangende vesten, breede, platte voeten en ongebreidelde vormen’. Op Cuba moet hij enkele weken in quarantaine, in erbarmelijke omstandigheden, en bevindt zich dan in gezelschap van ‘een adellijke Spaanse oud-strijder, een juwelier uit Mexico, een Chinees die zijn staart verborgen hield onder zijn Europese hoed, een Mexicaanse vrouw ‘van verdachte zeden’ en een ‘jezuïetenpater’, en ook van een jonge Franse graaf, die een Mexicaans meisje van een jaar of vijftien heeft geschaakt en de hele dag met haar ligt te vrijen. In zo’n gezelschap is Muller op zijn best, joviaal en sociaal: hij laat zelfs zijn ‘Javaansche nachtbroek’ verloten ten behoeve van het vrijend paartje. En hij schrijft daarover, rap, levendig, direct en fris. In Burgos, bijvoorbeeld: ‘Het regent priesters. En stinken! Overal! Geweldig!’

Mullers zin voor avontuur staat dan weer in contrast met zijn streberige hang naar status, zijn passief-agressieve, altijd verongelijkte houding ten opzichte van de Nederlandse instanties, die hem maar geen adellijke titel willen verlenen, et cetera. Van der Meulen vindt Muller duidelijk aardig, maar blijft zichtbaar alert: alles wat Muller over zichzelf berichtte moet met een schep zout worden genomen. Het boek heeft daardoor een charmante lichtheid, die de stoute quichotterie van Muller naar voren brengt, maar ook een beetje een sardonische teneur, alsof de biograaf vindt dat je Muller in zijn ijdelheid toch maar beter niet al te serieus moet nemen. Het lijkt mij dat hem zo soms een beetje tekort gedaan wordt. Zijn ambassadeurschappen in Roemenië en Tsjecho-Slowakije stonden bol van het uiterlijk vertoon, zeker, maar Muller betoonde zich wel degelijk een vaardig diplomaat in soms penibele omstandigheden, en verzette ondertussen bergen werk voor Nederlandse belangen. Dat kan niet allemaal humbug geweest zijn. En stak Muller met zijn sjerp en zijn steek en de vele grootkruizen op de borst werkelijk zo vreemd af bij al die andere pluimstrijkers en paradijsvogels, in dat glansrijke fin de siècle?

Was Muller honderd jaar eerder geboren, hij was misschien een Talleyrand, een De Custine of een Casanova geworden; was hij Brits onderdaan geweest, dan had deze biografie op de plank gestaan naast die van Livingstone, Churchill, Thesiger, Bruce Chatwin en Rory Stewart: mannen met onrust in het lijf, met een onstuitbaar verlangen naar nieuwe uitzichten, en met talenten die domweg te veelzijdig zijn voor maar één soort carrière.