Paul Bogaert
AUB
Meulenhoff / Manteau, 46 blz., euro 17,95

Iedereen kent ze wel, die allochtone rozenverkopers waar je in een restaurant geen roos van wilt kopen, maar die je eetlust bederven omdat ze zo arm en zielig zijn en aan je geweten knagen. De Vlaamse dichter Paul Bogaert (1968) schetst het in zijn bundel AUB als volgt:

Wat een menu, zo vormgegeven ook.

Een open deur waarin zij

als arme vrouw verschijnt.

Wat een keuze. Ze komt

mijn richting uit.

Ik wil een hol.

In mijn gezicht duwt ze een bos

per stuk verpakte rozen. Ze kijkt in mij

en spreekt ‘pour madame’ uit als ‘Pour Madame’.

Ik dweil met mijn ogen de kaart af

in alsmaar heter zijdelings spotlicht.

De ik-persoon bestudeert zo intens mogelijk het menu, in een poging de verkoopster te negeren. Dat lukt natuurlijk niet. Hij voelt zich hoe langer hoe meer bekeken en wil een hol om in weg te duiken.

Zulke gêne is aardige materie voor een dichter, maar dit gedicht treft me niet. Het is zoals je wel weet hoe het gaat: je wordt hyperzelfbewust van die verkopers.

Waar het dan poëtisch gezien nog om kan draaien, is bijvoorbeeld een taalgrapje als «pour madame» met en zonder hoofdletters. Of om de ironie in de eerste en een-na-laatste regel, want natuurlijk is niemand werkelijk zo geïnteresseerd in een menukaart als de dichter hier.

Of anders gaat het om dat kentheoretische knipoogje in de derde regel, waar de verkoopster wordt neergezet «als arme vrouw» – waarmee de dichter even aanstipt dat wij die vrouw niet kunnen zien zonder haar te herkennen als een archetype. Wie weet doet ze het er wel om en verkoopt ze meer als ze naar dat archetype verwijst; wie weet speelt ze toneel en trekt ze de dichter met haar spotlight-ogen de planken op.

Bogaert grossiert in zulke grapjes en ideetjes. In de serie SOS Sahel begint een gedicht als volgt:

Zo lang al zonder, geachte [voornaam] [naam],

dat de etter opkomt.

«Geachte» is onderstreept, [voornaam] [naam] is vetgedrukt. Het is een parodie op de bedelbrieven van goede doelen waarin de onpersoonlijke toon toch een beroep op je geweten doet. En dus gaat de tekst zo verder:

Geen druppels op een hete maar

van papier naar praktijk,

dus graag alvast bedankt een klein bedrog.

Geen bedrag, maar bedrog. Een aardig woordgrapje. En natuurlijk mag de lezer ook lachen om managementtaal als «van papier naar praktijk». Zulke grapjes zullen niemand tegen de borst stuiten, maar echt amuseren of bijten doen ze ook niet. In deze vorm hebben ze niets sprankelends, niets verrassends.

We zien hier trouwens opnieuw een archetype. Het lijkt Bogaert vooral daar om te doen: bekende structuren problematiseren, met name die die gêne oproepen of een beroep doen op je geweten. Hij is zich hyperbewust van al die structuren en toch doet hij weinig anders dan ze relativeren met, wederom, bekende structuren als woordgrapjes of afwijkende typografie. Misschien wil hij ze met hun eigen wapens bestrijden.

Ook de titel, AUB, is in al zijn beleefdheid zo’n structuur om te relativeren. Als je vriendelijkheid via een afkorting tot routine maakt, hoe vriendelijk ben je dan nog? «Maar hou nu afstand a.u.b.» schrijft Bogaert ergens, en je ziet meteen afstoting versus vriendelijkheid, bevel versus verzoek. Zo laat hij de taal zichzelf ondermijnen.

Het hyperbewustzijn van de dichter steekt dus niet alleen de kop op als er rozenverkopers in de buurt zijn. Obsessief speelt hij met de taal. De werking ervan is voor hem vaak al interessant genoeg: hij hoeft er weinig meer aan toe te voegen, schijnt hij te vinden:

Je zegt ‘los’ en het werkt.

Weg zijn het plan en de nasleep.

Kijk hoe lachwekkend de lont.

Nu kunnen we beginnen.

De afstand steeds opnieuw gedeeld door twee.

Wat een komen en gaan

in de buurt van de aard van het beest.

De dichter is kennelijk verbaasd dat je een woord zegt, zoals «los», en dat het dan wel eens werkt. Als hij eenmaal van zijn verbazing is bekomen, verwijst hij naar de schildpad en Achilles (oftewel de paradox van Zeno: als Achilles eerst de helft van zijn achterstand op de schildpad moet inlopen en daarna de helft van de overgebleven afstand enzovoort, dan blijft hij eeuwig bezig en haalt hij hem nooit in). En die paradox past hij toe op de aard van het beestje, de kern van de zaak: daar kom je nooit, al is het een komen en gaan. Van «beestje» maakt hij «beest», dat is uiteraard betekenisvoller.

Soms denk je even aan Derrida, dan weer aan Barthes, of Van Bastelaere. Wat voor bedoeling zou Bogaert hebben met zulke filosofietjes in zijn gedichten? Dat de kenner glimlacht en denkt: hij en ik lezen dezelfde teksten, wij vatten de missie van het postmodernisme, wij begrijpen elkaar?

Bogaert probeert de taal los te weken van zijn alledaagse gebruik en het effect is volslagen alledaagse poëzie. Alle manieren waarop hij te werk gaat, zijn bekend. Alle ideeën die hij gebruikt, hebben we eerder gelezen. Het averechtse effect dat deze poëzie teweegbrengt is uiterst merkwaardig.