Kunstenaar Jaap Hillenius wilde «het zien» schilderen

Gras is niet groen

Jaap Hillenius wilde «de waarheid van het zien» schilderen. Het zien moest gezuiverd worden van alle bemoeiing van cultuur en geest. In Amsterdam staan drie exposities van de kunstenaar op stapel.

De koerier die op 26 augustus 1999 met zijn bestelauto Jaap Hillenius doodreed, voerde later ter verdediging aan dat hij de fietser door het lage licht van de ondergaande zon niet had gezien. Los van het feit dat hij, op het kruispunt van de Willemsparkweg en de Cornelis Schuytstraat in Amsterdam, veel te hard had gereden op de voor auto’s verboden trambaan was deze verklaring van een weliswaar onbedoelde maar ongekend wrede ironie. Was de 65-jarige Jaap Hillenius immers niet de schilder die als geen ander het zien, het kijken, tot uitgangspunt én doel van zijn werk had gemaakt? Was hij immers niet de kunstenaar die eindeloos de werking van het licht had bestudeerd en vastgelegd?

In de jaren tachtig was Hillenius vermaard geworden door zijn streven het ultieme schilderij, het definitieve meesterwerk te maken. In het postmoderne tijdsgewricht, waarin niemand nog ergens in leek te geloven, waarin geen kunstenaar nog leek te zoeken naar schoonheid, waarin dat zelfs een verdacht begrip was geworden, verkondigde Hillenius dat hij systematisch werkte aan een schilderij waarin waarheid en schoonheid verenigd zouden zijn. En dan niet zijn waarheid en zijn particuliere opvatting van schoonheid, maar de waarheid en een universele beleving van schoonheid.

In 1983 zei Jaap Hillenius in een NRC Handelsblad-interview met Betty van Garrel: «Mij staat een droom voor ogen: een landschap in het zonlicht, met mensen onder bomen, aan het water… Dat beeld zou je impressionistisch kunnen schilderen, maar wij zijn honderd jaar verder. Je moet gebruik maken van de ontwikkelingen in de kunst.» Hiermee doelde hij niet alleen op de abstracte vormentaal die sinds de impressionisten was ontwikkeld, maar ook op de studie van het licht, zoals die was gedaan door bijvoorbeeld Seurat en Delaunay.

Eind jaren zeventig zag ik, thuis bij een docent nieuwste geschiedenis van de lerarenopleiding, een groot, overwegend groen doek dat me aanvankelijk deed denken aan een topografische kaart, omdat in het rijk geschakeerde groen tal van rode vlekken en blauwe lijnen zichtbaar waren. Op het eerste gezicht een abstract werk, maar wel een schilderij waarvan duidelijk was dat de schilder niet willekeurig wat vormen en kleuren had gebruikt. Als je er enige tijd naar keek, leek het groen te bewegen en begonnen de kleuren te vibreren. Pas toen halverwege de jaren tachtig de aandacht voor het werk van Hillenius toenam, en er interviews en artikelen over zijn opvallende zoektocht naar hét schilderij verschenen, besefte ik dat ik toen een van zijn talloze voorstudies had gezien, een werk dat Figuur in oerwoud (oogbeweging) bleek te heten.

Diezelfde docent, Bauke Marinus, bleek vanaf zijn middelbare-schooltijd bevriend met Hillenius, en maakt nu deel uit van het bestuur van Stichting Jaap Hillenius. Hij heeft het boek geredigeerd dat verschijnt op hetzelfde moment dat in Amsterdam drie tentoonstellingen met werk van de kunstenaar worden geopend. Marinus maakte samen met de latere Pessoa-vertaler August Willemsen deel uit van het «Centraal Comité» van de vijfde klas van het Amsterdamse Hervormd Lyceum, dat onder auspiciën van geschiedenis- en aardrijkskundeleraar Jan Meilof IJben in 1954 een voor die tijd zeer uitzonderlijke busreis naar Zuid-Frankrijk organiseerde.

«Op volstrekt ondemocratische wijze selecteerden wij de leerlingen die mee mochten, en Guus (Willemsen — rh) kwam met Jaap aanzetten. Op zich al heel opmerkelijk, want Jaap zat niet bij ons op school.» De reis, door Willemsen geboekstaafd in De tuin van IJben (Thomas Rap, 1999), maakte diepe indruk op de jonge scholieren en legde de basis voor een levenslange vriendschap.

De in 1934 geboren Jaap Hillenius, een jongere broer van bioloog en schrijver Dick Hillenius, had op de hbs aan het Vondelpark gezeten en volgde sinds 1952 op de Normaalschool de opleiding tot tekenleraar. Als jong kunstenaar die in weerwil van Cobra bleef vasthouden aan het realisme gaf hij blijk van een aanzienlijk talent. In 1958 en 1959 ontving hij de Koninklijke Subsidie voor Schilderkunst en in 1961 nam hij deel aan de in Parijs gehouden tentoonstelling Les jeunes peintres du monde. Vóór die tijd was Hillenius samen met Guus Willemsen nog diverse keren naar Zuid-Europa gereisd. In de bewerking van zijn dagboeken uit die tijd — Vrienden, vreemden, vrouwen (Arbeiderspers, Privé domein nr. 220) — beschrijft Willemsen dat het kunstenaarsoog van zijn vriend hem af en toe behoorlijk op de zenuwen begon te werken: «Ik werd onderhouden over de meest subtiele kleurnuances in voor mij volkomen normale bomen, geen grasveld was zo groen of er lag een paars waas over, en als ik eindelijk even naar niets wilde kijken, werd ik gewezen op gaten in het wolkendek waardoor God eventueel zichtbaar zou kunnen zijn. Ik kreeg het wat dommige gevoel dat ik niets zag en op alles gewezen moest worden.» Achteraf kenschetst Willemsen deze houding als aanstellerij, al bekent hij dat hij daar zelf ook een handje van had, bijvoorbeeld door te weigeren naar de zonsondergang boven de Mont Blanc te kijken, omdat hij verdiept was in Proust.

Ook Marinus, die in deze jaren in militaire dienst moest, vond de kunstenaarspose van Hillenius en Willemsen nogal puberaal. Hij had enkele jaren weinig contact met hen. Marinus: «Maar toen ik in 1960 ging trouwen was Jaap daar, met als cadeau een ets. Enige tijd later werd ik verheven tot lid van de abonneeclub. Dan stortte je jaarlijks een bepaald bedrag op Jaaps girorekening en mocht je in het najaar zeven à acht zwart-wit- en twee kleurendrukken uitzoeken.» Hillenius, die in die tijd samen met zijn vrouw Mies een van de atelierwoningen aan de Zomerdijkstraat betrok, werkte als tekenleraar aan de Tweede Daltonschool en maakte als graficus en schilder realistisch werk in expressionistische trant. Volgens kunsthistoricus Hans Sizoo, in het boek Jaap Hillenius: Poging om dichterbij te komen, waren zijn etsen en schilderijen het resultaat van «een zien op de golf van het gevoel».

Rond 1970 besloot Hillenius radicaal een andere richting in te slaan. Hij wilde «de waarheid van het zien» schilderen. Het zien moest gezuiverd worden, het diende bevrijd te worden van alle oneigenlijke bemoeiing van de cultuur en van de geest. Het moest worden herleid tot de kern, tot het optisch proces. Hij trachtte te «kijken zonder geheugen». Binnen de moderne kunst was dit al een zeldzaam geluid, uitzonderlijk was dat Hillenius ook nog zonder blikken of blozen het begrip «schoonheid» hanteerde en dat de jarenlange zoektocht die hij ondernam, moest resulteren in een schilderij «waar de mensen met een glimlach voor stil blijven staan».

Hillenius richtte zijn leven zo in dat het geheel in het teken van «het» schilderij kwam te staan, en betrachtte een ijzeren discipline. Van het architectenechtpaar Aldo en Hannie van Eyck huurde hij in Loenen een zeventiende-eeuws botenhuis, dat hij als atelier inrichtte. Minimaal vijf dagen per week reed hij ’s ochtends op zijn racefiets binnen vijftig minuten naar Loenen, om daar uiterst geconcentreerd en systematisch te werken. Eindeloos bestudeerde hij de inval van het licht, het ritme van planten, de reflectie op het water. Samen met zijn vriend Rudy Koegler schilderde hij een jaar lang iedere dag, op hetzelfde tijdstip, hetzelfde stukje gras. Aan Betty van Garrel legde hij uit waarom het belangrijk was geweest om dat samen met iemand anders te doen: «Want als je je op kleur concentreert is het net of je de boel beduvelt. Gras is namelijk niet groen. Als je er lang genoeg naar kijkt, heb je kans dat de kleur zich waarmaakt. Je ontdekt dat er nogal wat blauwen in zitten. Vervolgens moet je die blauwen analyseren. De kleur zetten we neer in blokjes en streepjes om het schilderij technisch eenvoudiger te maken. Als we zo’n uur of vijf geschilderd hadden en we vergeleken de resultaten, dan bleek soms dat we van dezelfde kleurstelling waren uitgegaan. Een gelukkige ervaring. Je had een bewijs. De optische waarheid bestaat.»

Deze welhaast wetenschappelijke benadering van het schilderen paste Hillenius toe op alle elementen die deel zouden uitmaken van het uiteindelijke meesterwerk: water, lucht, gras, bomen en mensen. Ook bracht hij consequent zijn eigen oogbeweging in beeld, waarbij hij ontdekte dat hij steeds efficiënter ging kijken en het gevoel had dat hij doordrong tot de essentie van het beeld. Hij reisde naar het oerwoud in Guatemala en de woestijnen in Marokko en Arizona om de werking van het licht aldaar te bestuderen. Dit alles resulteerde in onafzienbare reeksen penseeltekeningen, etsen en schilderijen, die op het eerste gezicht abstract leken, maar die altijd hun oorsprong hadden in de visuele werkelijkheid. Zo schilderde Hillenius keer op keer zijn vaste model en muze Marja, maar dat leverde zelden op wat men doorgaans een portret noemt. Consequent onderzocht hij de inval van het licht op het gezicht, de invloed die het uit oefende op het volume van neus, mond, jukbeenderen, enzovoort. Hij was naar eigen zeggen niet op zoek naar de gelijkenis, maar naar de «architectuur» van het gezicht.

Met zijn broer Dick, die bijvoorbeeld het vastleggen van de oogbeweging in een schilderij afdeed als aanstellerige flauwekul, voerde Hillenius conflictueuze gesprekken. De schrijver en bioloog was erg kritisch en dreef ook de spot met de in zijn ogen obsessieve, volkomen gedisciplineerde zoektocht van de schilder. Niet alleen was hij van mening dat er in het streven van Jaap «iets imperialistisch, kannibaligs» zat, ook leefde hij volgens hem het leven van een ambtenaar: «Niks geen romantisch hoereren met de inspiratie, maar planning, strategie, beleid, invulling.» Ook Bauke Marinus herinnert zich de volkomen gestructureerde levenswijze van Hillenius: «Als hij jarig was kreeg je te horen hoe laat je op de soep werd verwacht, en ’s avonds om half elf, hoe gezellig het ook was, stond Jaap op en klapte in zijn handen. Dat was een teken dat het tijd was om te gaan, want de volgende dag moest er uiteraard weer gewerkt worden. Die strenge tijdsindeling had soms wel iets lachwekkends.»

De discipline en systematische werkwijze wierpen echter vruchten af, en vanaf de jaren tachtig nam het aantal exposities toe. Hille nius kreeg enkele grote opdrachten. Hij maakte reeksen schilderijen voor onder meer Centraal Beheer, het ministerie van Sociale Zaken en het gerechtshof in Groningen. Toen Aldo en Hannie van Eyck de opdracht kregen om in Den Haag het gebouw van de Algemene Rekenkamer te ontwerpen, bedongen ze dat Jaap Hillenius de kleurstelling van de gevel mocht maken.

Ondertussen resulteerde de zoektocht naar «het» meesterwerk in een aantal Grote harmonische landschappen, letterlijk schitterende, van licht trillende maar tegelijkertijd rustgevende doeken. In het nog steeds door Mies Hillenius bewoonde Amsterdamse atelier staat het laatste, in 1999 voltooide, schilderij uit deze reeks. Het is een gewemel van bijna licht gevende kleurvlakjes, die naar rechts toe groter en daardoor rustiger worden. Helemaal rechts zijn op dit ogenschijnlijk abstracte doek de contouren van twee figuren geschilderd. Het ingetogen vrolijke schilderij hangt boven een in prachtige gekleurde grijzen geschilderd portret van Mies uit 1961, dat zowel kracht als tederheid uitstraalt. Mies Hillenius wijst op de wand ernaast, waar boven een forse verzameling etnografica een reeks kleinere, vierkante doeken hangt: «Zie je die schilderijen met zwart erin, die zijn heel uitzonderlijk, dat gebruikte hij immers nooit. Ze zijn allemaal gemaakt na de dood van Dick, in 1987, net als dat doek, dat vrijwel helemaal wit is.»

Van de opvatting van enkele kenners van het werk van Hillenius dat het laatste doek onvoltooid is, wil Mies niets weten. Kordaat loopt ze erop af, en wijst in de rechterbenedenhoek: «Kijk dan, het is door Jaap gesigneerd. Dat deed hij nooit als het niet af was. O ja, zie die blauwe lijn. Dat is de woestijntekening, die komt in veel werk terug.» Vervolgens haalt ze enveloppen te voorschijn met door haarzelf gemaakte foto’s van het atelier in Loenen. «Een half jaar zijn we bezig geweest om het leeg te halen. Moet je zien, dit stond op zolder, onder allerlei kleden en rotzooi van Aldo: honderden schilderijen die ik nog nooit had gezien.» Vol vuur laat ze van alles zien: publicaties, reproducties, reeksen penseeltekeningen van «plantenritmes», etsen waarop haar man aquarellen heeft geschilderd, om ondertussen met Bauke Marinus de laatste details voor de drie exposities te bespreken.

De vraag of een van de grote landschappen, of de reeks als geheel, kan worden beschouwd als «het meesterwerk» dat Hillenius in 1970 voor ogen stond, is eigenlijk niet interessant. Als je dit omvangrijke en kwalitatief zeer hoogstaande oeuvre overziet wordt duidelijk dat Hillenius’ zoektocht veel heeft opgeleverd. Volgens Hans Sizoo was Hillenius er in de loop der jaren van overtuigd geraakt dat de totale onbevangenheid van het zien een onbereikbaar ideaal was, maar hield hij consequent vast aan zijn «poging om dichterbij te ko men». De nagejaagde droom was allesbehalve vergeefs geweest, en had werk opgeleverd dat het ideaal van schoonheid en waarheid zo dicht mogelijk benaderde. «Een verrukking voor het oog, een lafenis voor de geest, een uitstraling van blakende vitaliteit zoals ze in de moderne schilderkunst al sinds enkele decennia zeldzaam was.» Bovendien gelooft Sizoo niet dat Hillenius in creatief opzicht aan het eind van zijn Latijn was, en kreeg in het werk dat hij kort voor zijn dood maakte juist het gevoel weer een belangrijke plaats.

Maar misschien was dat gevoel toch altijd in dat werk aanwezig geweest. In de catalogus van een expositie in Antwerpen in 1984 refereerde August Willemsen aan de irritaties die het zien van Hillenius vroeger had opgeroepen. Hij vroeg zich af of Hillenius toen al iets anders zag dan hijzelf, namelijk «het zien» zelf. Hij citeerde de Braziliaanse schrijver João Guimarães Rosa: «Wanneer er niets gebeurt, is er een wonder dat we niet zien.» Volgens hem was Jaap Hillenius «erin geslaagd te laten zien wat we niet zien in het zien — het zien, het waas, het wonder».

Betty van Garrel e.a., Jaap Hillenius: Poging om dichterbij te komen. Ludion, 176 blz., € 39,50.

Tentoonstellingen in Amsterdam: Arti et Amicitae (overzichtstentoonstelling, 20/2-14/3); Galerie Collection d’Art (schilderijen, 21/2-20/3); Galerie Clement (grafiek, 21/2-24/3)