Grazers zijn overal

In 1826 hield de filoloog, filosoof en staatsman Wilhelm von Humboldt voor de Pruisische Academie van Wetenschappen een rede waarin hij zijn toehoorders inwijdde in de ethiek van de Bhagavad Gita. Humboldt, die als pleitbezorger van het Bildungs-ideaal doorgaans hamerde op de vormende waarde van de cultuur van de oude Grieken en Romeinen, gaf bij deze blijk van grote bewondering voor de moraliteit in het oude Indiase werk, en die volgens hem overeenkomsten vertoont met de plichtethiek van de Stoa. Het jaar erop verscheen een uitvoerige recensie van dit boek door Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Volgens hem bevatte de Bhagavad Gita wel ‘wijsheid’ en 'een veelvoud van fijne reflectie’, maar mocht dit geen filosofie heten. Hoewel Hegel grote belangstelling had voor het oude Indiase en Chinese denken, waren dit in zijn ogen slechts 'voorvormen’ van het eigenlijke filosoferen, dat een exclusief westerse aangelegenheid was. Van 'eigenlijke’ filosofie was slechts sprake wanneer het denken voldeed aan de maatstaf die Hegel met zijn eigen 'wetenschap van de logica’ oftewel 'het zuivere denken’ had aangelegd.
Hegels eurocentrisme vormde een breuk met de voorgaande periode, waarin een filosoof als Leibniz grote belangstelling voor het Chinese denken toonde en veel wijsgerige teksten uit India waren vertaald. Bovendien waren er ook in Hegels tijd nog veel filosofen - zoals de genoemde Humboldt, August Wilhelm Schlegel en Schopenhauer - die beduidend positiever waren over bijvoorbeeld de hindoeïstische en boeddhistische denktradities. Niettemin werd dit eurocentrisme in de loop van de negentiende eeuw dominant, en terwijl veel historici en politicologen zich in de twintigste eeuw hebben bevrijd van die oogkleppen gaat de overgrote meerderheid van de academische filosofen nog gebukt onder deze erfenis van Hegel.
In de academische filosofie staan het kritisch denken en de conceptuele analyse centraal. Maar als filosofie zich hiertoe beperkt is sprake van een ernstige verschraling ten opzichte van oudere en niet-westerse denktradities. Bovendien betekent dit in de praktijk dat academische filosofen vrijwel uitsluitend bezig zijn met andere academische filosofen. Terwijl bij een breder publiek veel vragen zijn over levensbeschouwing, levenspraktijk en spiritualiteit en juist filosofen aan dit soort vraagstukken een zinvolle bijdrage zouden kunnen leveren. Voor een dergelijke 'therapeutische’ benadering halen de meeste filosofen echter hun neus op.
Een populair genre als de 'levenskunst’ wordt dan ook vooral buiten het academische circuit gelezen en besproken, net als boeken over niet-westerse denktradities, die nog altijd sterker gericht zijn op de levenspraktijk dan de officiële westerse filosofie. Ook de auteurs van de bundel Wereldfilosofie zijn actief in niet-academische instituten als de Stichting Filosofie Oost-West, de Antwerpse School voor Comparatieve Filosofie en de Internationale School voor Wijsbegeerte. Zij zijn ervan overtuigd dat het westerse denken aanzienlijk kan worden verrijkt door de confrontatie met andere denktradities, en dat het nog altijd heersende eurocentrisme leidt tot een steriele, naar binnen gekeerde filosofie die zich loszingt van de samenleving.
De bundel opent met een uitgebreide inleiding van Michiel Leezenberg, waarin hij de uitdagingen en problemen schetst die kenmerkend zijn voor het bestuderen en vergelijken van de verschillende denktradities, die overigens dikwijls meer met elkaar verbonden zijn dan wij geneigd zijn te denken. Naast grote artikelen over een aantal niet-westerse denktradities zijn steeds kortere stukken opgenomen over zogenoemde 'brugfiguren’, die de verhouding tussen verschillende tradities ter discussie stellen of opnieuw definiëren. Zodoende schrijft Leezenberg zelf niet alleen over de (niet uitsluitend islamitische) filosofische stromingen in het Midden-Oosten, maar ook over Averroës, die in de Middeleeuwen enorme invloed uitoefende op het christelijke denken. Op deze wijze heeft Bruno Nagel over het Indiase denken én over Schopenhauer geschreven, schetste Karel van der Leeuw niet alleen het Chinese denken maar ook de raakvlakken met de filosofie van Leibniz, en behandelt Heinz Kimmerle zowel Afrikaanse denkrichtingen als de hedendaagse denker Kwame Anthony Appiah. Daarnaast zijn nog essays opgenomen over het westerse denken in de Oudheid en de Middeleeuwen, de westerse filosofie vanaf Descartes, de brugfunctie van Jung en de zogenaamde Kyotoschool.
Wat al deze bijdragen duidelijk maken, is dat er buiten het steeds schraler wordende weiland waarop de westerse filosofen grazen tal van wonderschone bloemen bloeien en gewassen groeien die heel wat voedzamer zijn dan de taalspelletjes van de analytische filosofie, de ontologische diepdenkerij van de vele Heidegger-epigonen of de quasi-maatschappijkritische orakeltaal van Alain Badiou of Slavoj Zizek. In veel niet-westerse denktradities is denken immers geen doel op zich - wat het in de westerse academische filosofie dikwijls wel lijkt te zijn - maar een essentieel onderdeel van en een voorwaarde voor het menselijk leven. Daar is vaak sprake van een sterke relatie tussen enerzijds de filosofische reflectie en anderzijds zaken als kunst, religie, spiritualiteit en levenskunst. Dat heeft over het algemeen niets met 'zweverigheid’ te maken - veel denken is juist bijzonder praktijkgericht - maar alles met een volheid en rijkdom die de westerse filosofie voor een deel is kwijtgeraakt.

HANS VAN RAPPARD & MICHIEL LEEZENBERG (RED.) WERELD-FILOSOFIE: WIJSGERIG DENKEN IN VERSCHILLENDE CULTUREN
Bert Bakker, 367 blz., € 24,95