Greco imiteert ondersteek

WIE AFGELOPEN vrijdag de zalen van het Crossing Border Festival betrad, werd allereerst via het mededelingenbord verwittigd dat Lamb vervangen zou worden door Red Snapper, dat Tricky wegens ziekte afwezig was, dat Don Byron & Existential Dred aan het programma waren toegevoegd, dat Arab Trap niet zou spelen maar de Emotional Nomads wel, en dat The Unbelievable Truth was afgelast. Voor het verwerken van deze stoot informatie was geen tijd, laat staan voor het in gedachten teruggaan naar de tochtige garages en naar zweet stinkende oefenruimtes waar deze bandnamen ooit bedacht waren: Eben Venter was al aan het voorlezen, evenals Vincent Bijlo, de Cubanen Omara Portuondo & Chuco Valdes trapten af voor hun eerste nummer en Juliette Gréco was net klaar met het spierwit schminken van haar gezicht en stond op het punt naar het podium te schrijden. Het binnenstromende publiek maakte dan ook een wat gedesoriënteerde indruk.

Het is een soort desoriëntatie die de organisatoren van het Festival graag zien. Crossing Border heeft zich er altijd op laten voorstaan dat in hun programmering vooral het onbekende en onbeminde een kans kreeg om te schitteren. In zijn voorwoord bij het programmaboek van dit jaar deed organisator Louis Behre dan ook het dringende verzoek: ‘Kom uit die gemakkelijke luie stoelen in de grote zalen en ga op ontdekkingstocht in de kleine zalen.’ Het zijn woorden die tekenend zijn voor de schizofrenie van een festival dat klein begonnen is en groter is geworden dan iemand in die eerste jaren ooit had kunnen bevroeden. Het is een loffelijk streven om onbekende schrijvers en muzikanten een kans te geven, maar een beetje organisator weet ook wel dat een festival zonder publiekstrekkers weinig kans maakt om ooit een traditie te worden. Hoe goed die onbekende artiesten ook mogen zijn, je krijgt er geen duizenden mensen mee naar Den Haag, zeker niet naar een sfeerloos, disfunctioneel partycentrum als het Congresgebouw. Dus is het zaak om ook een paar grote namen te engageren, waar de mensen zeker voor zullen komen. Dit jaar waren dat onder meer de Italiaanse bluesbrommer Paolo Conte, die enkele jaren geleden als achtergrondmuziek te horen was in alle grand cafés waar nu de Buena Vista Social Club het muzikaal behang is, de oude St. Germain des Prés-legende Juliette Gréco, en de al even doorleefde super-debutant van toen, Gerard Reve.
ER ZIJN ONGETWIJFELD mensen die afgelopen vrijdag en zaterdag hebben rondgelopen met de weeklacht 'dat het Crossing Border het Crossing Border niet meer is’. Het is waar, naar Crossing Border ga je niet om Paolo Conte te zien. Maar de wetten van de commercie hebben bij dit festival ook een gunstig gevolg: nergens anders krijg je de gelegenheid om ervaren artiesten te vergelijken met beginnelingen, om gladde show en onbeholpen gestamel op hetzelfde podium te zien, en om voor jezelf te bepalen welke optredenden het gaan maken en welke beter naar een kantoorbaan kunnen omzien. Nergens anders is het contrast tussen hype en hip duidelijker.
Meteen al de eerste optredens illustreerden de heilzame schizofrenie van Crossing Border: zoals het concert van de legendarische chansonnière Juliette Gréco. Het overgrote deel van de aanwezigen - die ongetwijfeld nog nooit van de Emotional Nomads hadden gehoord - verheugde zich op een uurtje jeugdsentiment. Zij werden niet teleurgesteld. Gréco heeft ooit, met profetische blik, een repertoire samengesteld waarmee ze makkelijk de honderd kan halen. Haar etherische gefluister is met de jaren steeds etherischer geworden, en haar dramatische uithalen (mét rollende Edith Piaf-rrr) hadden wel iets weg van de kreten die men hoort in verzorgingstehuizen als de nachtzuster te laat is met de ondersteek. Ook huiverde de zaal van genoegen als Gréco theatraal haar armen voor haar gezicht sloeg, als iemand die de koplampen van een tientonner op zich af ziet komen.
Het contrast met de na haar optredende Tristan Egolf had niet groter kunnen zijn. Egolf, een piepjonge (26) Amerikaanse schrijver, een moroos kijkende jongeman die vanwege een hardnekkige verkoudheid zijn bloedwarme parka gedurende het hele optreden aanhield, las op machinegeweersnelheid een scène voor uit zijn debuut Heer onder het gepeupel. Zijn voorlezen was uit theatraal oogpunt bekeken een aanfluiting; elke regisseur zou zich de haren uit het hoofd getrokken hebben bij zo'n gebrek aan podiumpresentatie, maar niettemin zat het publiek aan zijn stoel genageld door de vijftien minuten durende woordenstroom, het verslag van een auto-ongeluk gevolgd door een ouderwetse lynchpartij. Een of twee keer, als de absurditeit van het alles tot hem doordrong, zag men Egolf kort grinniken om eigen woorden, maar verder kende hij geen genade, en vijftien minuten lang waagde niemand in de zaal het om op te staan. Ik weet niet of Egolf een groot schrijver is, bij eerste lezing maakte zijn boek voornamelijk de indruk geschreven te zijn door J.J. Voskuil op amfetaminen, maar hij weet in elk geval wat je moet doen om een publiek vast te houden: tanden erin en niet meer loslaten.
Dat het een hele opgave is om met enkel gesproken tekst een rumoerig en snel afgeleid publiek te boeien, was te merken bij de voorleesbeurten van andere schrijvers: Wilbert Cornelissen, die verscholen achter de kegel van een leeslamp nauwelijks boven het gekraak van plastic bierbekers uit wist te komen, hoe gekweld hij nu en dan ook opblikte uit zijn werk; Abdelkader Benali, die een gaapverwekkend verhaal over varkenskoppen zo lang wist op te rekken dat hij nog profiteerde van het publiek dat binnenstroomde voor de volgende artiest; en de jonge debutant Stephan van den Broeck die zijn koddige Vlaamse accent in de strijd wierp, maar die men niet verteld had dat woorden als 'plezant’ en 'gagakkes’ niet meer geestig zijn sinds De heren van Sichem van de Nederlandse tv is verdwenen.
NATUURLIJK IS HET voor schrijvers niet verplicht om een goed optreden voor publiek te kunnen verzorgen. Er zijn genoeg mensen die vinden dat de taak van een schrijver op zijn bureau ligt, niet op een podium. Daar is wat voor te zeggen. Het is bijvoorbeeld veel moeilijker om een goed verhaal te schrijven dan om een zaal aan het lachen te brengen met vlotte anekdotes over neuken en als verhaal vermomde moppen, zoals in het programma van de cabaretiers Giph en Zwaag dat momenteel langs de theaters trekt. Maar het heeft geen zin om te ontkennen dat een schrijver die enkel op de kracht van zijn schrijven vertrouwt het tegenwoordig moeilijker heeft dan ooit om zijn werk onder de aandacht te krijgen. Als het werk goed genoeg is, mag je hopen, dan moet een schrijver ook het vertrouwen hebben om zijn publiek in de ogen te zien. De oude bard Gerard Reve gaf het goede voorbeeld: ondanks gestamel, voortdurend afglijdende bril en slecht ter been zijn, hield hij bij het voorlezen van zijn gedichten een volle PWA-zaal, normaliter voorbehouden aan massacongressen van Opel-dealers en de superacts van het North Sea Jazzfestival, in de palm van zijn gerimpelde hand. 'Dit is ook wel een aardig gedicht, een beetje sentimenteel’, sprak hij, en instemmend werd er geklapt voor klassiekers als 'Credo’ en 'Graf te Blauwhuus’.
Jonge mensen die het concertpodium op willen, zouden ook een voorbeeld kunnen nemen aan de Nieuw-Zeelandse troubadour Chris Knox, die de opdracht had gekregen om een van die optredens te doen waarbij alles misgaat. Een klein mannetje in korte broek op teenslippers, die op het eerste gezicht wat weg had van een demonische tuinkabouter en die meteen al in zijn eerste liedje de G-snaar van zijn gitaar doormidden ramde. Knox vloekte, grijnsde, rukte de snaar uit de weg en vervolgde onbekommerd: 'What do we do with love, sweet love…’ Het klaterende applaus nam hij in ontvangst met dezelfde scheve grijns, ondertussen een leengitaar in ontvangst nemend die ergens ter hoogte van zijn knieën kwam te hangen. Gelach. Knox schreeuwde: 'Yeah, you Dutch bastards.’ Meer applaus. Camera’s flitsten. Als door een adder gestoken sprong hij op, rukte een cameraatje uit zijn broekzak en flitste de zaal terug. Toen hij aan het eind van zijn optreden de zaal, die om een toegift schreeuwde, tot stilte maande, om afscheid te nemen met een donderend 'Fuck you!’ kende het enthousiasme geen grenzen meer.
Wat Chris Knox per ongeluk gebeurde, begon je naarmate het festival vorderde steeds meer collega-gitaristen toe te wensen: liefst alle snaren tegelijk. Het leek wel of er in de catacomben van het Congresgebouw een gitaristennest was opengebroken. Dieptepunt van deze geboortegolf was de uit de moerassen van Boston getrokken Willard Grant Conspiracy, vier gitaarnozems en een drummer, geleid door de volvette zanger Willard Grant; een zeldzaam akelig bandje, dat niet meer dan drie akkoorden in de aanbieding had, hoe vaak ze ook naar de technicus gebaarden dat het geluid harder moest. Ook nauwelijks te harden was het gitaargejengel van Faithless, in het programma enthousiast maar wat onhandig aangekondigd als voortgekomen 'uit de puinhopen van de house’.
PAS ALS ER een echte gitarist begon te spelen was het mogelijk om weer wat sympathie op te brengen voor dat veel misbruikte instrument: zoals Chris Sanchez, de op het oog twaalfjarige begeleider van de uitbundige zangeres Chezere (ook hier een snaarbreuk, wat je je deed afvragen of het soms alleen goede gitaristen zijn die snaren breken) of 'zoon van’ Chris Stills (wat je tot de conclusie deed komen dat alle goede gitaristen Chris heten).
Het was bepaald een opluchting om, vluchtend voor het gitaargejengel, tegen een forse blazerssectie aan te lopen, en dat in de band van Paolo Conte, voor wie je eigenlijk niet was gekomen. Een vakkundige bezetting, met onder meer es-klarinet, piccolo-trompet, trombone en hoorn drong erop aan dat de huidige trend misschien de gitaar is, maar dat het hoog tijd is voor een nieuwe. Volgend jaar graag: blazers en nog eens blazers. Het signaleren van trends is tenslotte ook een taak van Crossing Border, net zoals het de taak van de uitgenodigde schrijvers en muzikanten is om lak te hebben aan welke trend dan ook. Dat had niet beter geïllustreerd kunnen worden dan door het optreden van de dichter Murray Lachlan Young, laat op de zaterdagavond. Young, oorspronkelijk afkomstig uit de Londense underground-kunstscene, raakte enkele jaren geleden in één klap beroemd omdat een groot platenlabel hem een miljoenencontract aanbod voor het maken van een serie cd’s met zijn poëzie. Ook popzender MTV bood hem een contract aan, voor het maken van een aantal 'modern poetry’-televisiespotjes. Een trend was geboren, Youngs gonspotentie steeg binnen enkele weken tot supersonische hoogte. Enkele weken geleden raakte bekend dat het platenlabel het contract met Young na één cd had opgezegd, en de dichter zelf vertelde hoe zijn avontuur met MTV was afgelopen: 'Ze wilden teksten van niet langer dan dertig seconden, die een groot West-Europees publiek zouden aanspreken, en zonder lange woorden.’ Daarop reciteerde hij met vuurspuwende ogen zijn lange gedicht 'The Death of Art’, over een man die als kunst geboren werd en als kunst stierf, ten overstaan van een verrukt publiek. Young eindigde met een meewarige glimlach en de veelzeggende regel: 'Never believe your own PR’. Voor alle op Crossing Border aanwezige schrijvers, gitaristen, zangeressen, drummers, dichters en post-eclectische retro-punk avantgarde swampnoise tekstschrijvers leek het me een wijze raad, bijna net zo belangrijk als op het juiste moment 'Fuck you!’ kunnen zeggen.