Ger Groot

Greenhorn

Lisa Kuitert heeft het geweten. De kersverse hoogleraar in de boekwetenschap had haar inaugurele rede nog niet uitgesproken, of de critici maakten zich vrolijk over haar aanval op moeilijke subsidieliteratuur. Gansje Kuitert wil terug naar de jongemeisjesromans die haar vroeger zoveel leesplezier gaven: het was een schot voor open doel.

De boekenredacteur die vond dat Kuitert vooral had bewezen hoe je met domme opmerkingen de media-aandacht op je kunt vestigen, zal wel gelijk hebben gehad. Maar niet alles in Kuiterts rede was onzin. Haar onderzoeksprogramma, Een literatuurgeschiedenis in termen van geld, maakt in elk geval nieuwsgierig, al lijkt dat terrein me niet zo maagdelijk als zij suggereert. Nog benieuwder ben ik geworden naar dat vermaledijde jongemeisjesproza dat Lisa ooit op het pad van de literatuur heeft gezet.

Ik blader door de zojuist verschenen bundel Het beslissende boek, waarin Nederlandse en Vlaamse schrijvers vertellen over het boek dat hun leven veranderde. Het is een mooie dwarsdoorsnede van de klassieke en moderne canon, van Herman Gorter tot Thomas Mann, van Rainer Maria Rilke tot de onvermijdelijke Marcel Proust. In ons taalgebied vatten schrijvers hun taak niet licht op.

De canon verenigt het beste wat de traditie heeft voortgebracht. Daarom is hij de uitgelezen plek voor de «zoektocht naar een moeilijk genot» wat volgens Harold Bloom het lezen van literatuur is. Hij noemt het zelfs «de enige seculiere transcendentie die we ooit kunnen bereiken» en maakt de literatuur daarmee tot een soort Ersatz-religie. «Lees diepgaand», schrijft hij in zijn vrijwel tegelijkertijd verschenen boek De kunst van het lezen, «om te leren deelnemen aan dat ene wezen dat schrijft en leest.» Hij durft het niet te zeggen, maar hij bedoelt «de Geest».

Dat zal de ernstige schrijvers in Het beslissende boek als muziek in de oren klinken en gansje Lisa kan het in haar zak steken. Maar eerlijk gezegd: ik geloof het niet. Proust en Mann hebben de verzamelde dames en heren niet op het spoor van de literatuur gezet, en een belangrijker beslissing is in het leven van een schrijver moeilijk denkbaar. Dat zijn boeken geweest als Blijf toch bij ons, Ingertje! van een zekere Aili Konttinen, dat Kristien Hemmerechts met lofwaardige eerlijkheid als haar beslissende boek opvoert.

Toegegeven, ze verpest het door voor alle zekerheid het zeer correcte The Women’s Room van Marilyn French erbij te nemen. Maar wat ze over Ingertje vertelt — het stadsmeisje dat op een boerderij helemaal opbloeit en na de vakantie toch weer terug moet naar huis — is innemend genoeg. «Ik herinner me heel goed dat ik het boek in bed heb uitgelezen… en dat ik vreselijk begon te huilen. Toen heb ik het licht weer aangedaan, het slot weggeschrapt en een ander einde geschreven.»

Mijn Ingertje was een boek dat Vier vrolijke vrienden op vacantie heette en net als Hemmerechts weet ik de schrijver niet meer. Wel staat me nog duidelijk bij dat het om stadsjongens op een boerderij ging en dat zelfs de meest lijzige er blozend van werd. Ik geloof niet dat ik erom heb moeten huilen, maar de herinnering eraan is onuitwisbaarder dan die aan duizenden andere romans die ik sindsdien heb gelezen.

Naast Hemmerechts zijn alleen Harry Mulisch (De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling) en Gerrit Komrij (Encyclopedie voor iedereen) eerlijk genoeg om in hun lezersleven tot vóór de canon terug te gaan. Daarom ontbreekt Karl May zo opvallend in dit boek. En toch verdient zijn openingszin «Weet gij, waarde lezer, wat een greenhorn is?» een plaats naast «Longtemps, je me suis couché de bonne heure» en «Een nieuwe lente en een nieuw geluid». Om de dood van Winnetou heb ik in bed gehuild, ja. En Mays eindeloze theologische discussies hebben me misschien op het spoor van de wijsbegeerte gezet, zoals Hemmerechts’ behoefte aan een ander einde van Ingertje haar voor het eerst tot een schrijfster maakte.

Er is één verschil. Een greenhorn — schreef Karl May — durft in de postkoets zijn bemodderde laarzen niet op de schoot van de jongedame tegenover hem te leggen. Zoveel «noblesse» was voor hem geen aanbeveling. Het was nog lang vóór Marilyn French.