Greenpeace, quo vadis?

WIE DE MOEITE neemt om naar het Amsterdamse en Londense kantoor van Greenpeace te bellen met het verzoek om informatie over Magnus Gudmundsson, ontvangt even later een gefaxte lijst verwensingen. Gudmundsson, zo lezen we, moet worden beschouwd als een onverbeterlijk sujet dat betrekkingen onderhoudt met het riool van extreem-rechts; als een huurling van de walvisindustrie en het lobbywezen ten faveure van het nucleaire bedrijfsleven; als een bedrieger, een gek.

Vanuit zijn tijdelijke verblijfplaats in Washington DC blijft de aldus geportretteerde aan de telefoon nogal koel onder die aantijgingen. ‘Ik heb de afgelopen jaren zoveel naar mijn hoofd gehad dat ik er niet meer warm of koud van word’, zegt hij. 'Ik heb al mogen lezen dat ik op goede voet sta met Lyndon LaRouche (de vanuit het Duitse Wiesbaden opererende Amerikaanse komplottheoreticus - rz) die ik nog nooit heb ontmoet. Ook krijg ik te horen dat ik connecties heb met de Moon-sekte, die mij al even onbekend is. In de Scandinavische pro-Greenpeace-pers wordt mijn naam zelfs hier en daar in verband gebracht met de moord op John Lennon.’ Wel is het zo dat de Japanse vereniging van visserij-journalisten hem verleden jaar uit dankbaarheid voor zijn pogingen tot eerherstel voor de walvisvaart uitverkoos tot man van het jaar.
Hoe het ook zij: Gudmundsson staat garant voor de 'ergste crisis die Greenpeace ooit heeft gekend’, zoals het binnenskamers in de milieu-organisatie al eens zou zijn uitgedrukt. Ter bevestiging daarvan faxt Gudmundsson een intern memorandum van Greenpeace van 15 januari 1990, waarin de Zweedse Greenpeace-topman Jakob Lagercrantz de organisatie oproept om alles op alles te zetten in de campagne What to do with Magnus? 'Het is duidelijk dat Gudmundsson niet uit zichzelf verdwijnt’, zo valt daar te lezen. Inmiddels zijn Greenpeace en Gudmundsson gewikkeld in een bikkelharde publicitaire en juridische strijd.
GUDMUNDSSON, filmer en kerstboomverkoper te Reykjavik, IJsland, is de maker van een drietal documentaires over het doen en laten van Greenpeace. Zijn betrokkenheid met het onderwerp gaat naar zijn zeggen terug tot 1983, toen hij in Groenland een huilende oude man trof die hem vertelde dat zijn kleinzoon zelfmoord had gepleegd omdat hij totaal aan de grond zat sinds het door Greenpeace-acties bereikte verbod op de vangst van zeehonden. Gudmundsson: 'Die ontmoeting maakte me nieuwsgierig. Ik ging op onderzoek uit en ontdekte dat de hele economie en tradities in het hoge noorden waren ontwricht door de succesvolle acties van Greenpeace. Hele samenlevingen waren gedompeld in misere, met enorme werkloosheid en een hoog zelfmoordcijfer als de meest in het oog springende neveneffecten.’
Terwijl Greenpeace in de nasleep van de bomaanslag van de Franse geheime dienst op de Rainbow Warrior op 10 juli 1985 in Auckland uitgroeide tot een massaal gesteunde organisatie, begon Gudmundsson zijn dissident getoonzette campagne. Zijn op tv uitgezonden films Survival in the High North en The Rainbow Man zorgden in Scandinavie voor geweldige opschudding. In Nederland kwam het nooit tot een vertoning. De omroepen durfden het niet aan.
'In het begin was ik helemaal geen principieel tegenstander van Greenpeace’, aldus Gudmundsson. 'Sterker nog: ooit heb ik ook met de gedachte gespeeld om lid te worden. Ik denk dat de organisatie in het begin ook zeker nuttig werk heeft verricht. Maar Greenpeace is nu uitgegroeid tot een cult, een nieuwe religie. Greenpeace is uitgegroeid tot een cynische, op macht beluste organisatie met een criminele top. Het meest tragische is dat de gewone werkers van de club met de beste bedoelingen opereren en zich niet eens realiseren waar ze mee bezig zijn.’
IN SURVIVAL IN THE High North portretteerde Gudmundsson de volgens hem desastreuze gevolgen voor de economieen in IJsland, Groenland en de Faeroer-eilanden van het Europese verbod op de handel in zeehondenpelzen. Ook bepleit hij het recht van die landen om te jagen op walvissen. 'Ik vind dat zeezoogdieren hetzelfde moeten worden behandeld als andere dieren’, aldus de filmer. 'Nederland is bijvoorbeeld een land dat in het verleden op enorme schaal op walvissen heeft gejaagd, voor de levertraan, maar is er nu radicaal op tegen. Laat Nederland eens gaan letten op de toestanden in de slachthuizen binnen de eigen grenzen. In IJsland wordt al duizend jaar op walvissen gejaagd, zonder dat dat schade toebrengt aan het voortbestaan van de soort. Greenpeace blinkt uit in het organiseren van campagnes in de media, waarbij helemaal geen rekening wordt gehouden met de wetenschappelijke feiten. Alleen het gevoel telt nog, het effect.’
Dat Gudmundsson weinig salonfahige theorieen wel enige grond hebben, bleek toen Greenpeace, zoals gebruikelijk bij milieu-actiegroepen zeer begaan met het lot van inheemse volkeren, zich na felle protesten van Eskimo’s gedwongen voelde om excuses aan te bieden aan de Eskimo- jagers van Groenland. De Eskimo’s waren sinds het volledige exportverbod van zeehondenpelzen naar Europa en de Verenigde Staten in grote financiele problemen geraakt.
In The Ranboiw Man uitte Gudmundsson zware beschuldigingen aan het adres van Greenpeace. Volgens hem had Greenpeace leden van de Internationale Walvis Commissie (IWC) omgekocht om een verbod op de walvisvaart te krijgen. De in 1946 opgerichte IWC had als traditionele kernleden Japan, IJsland, de Sovjetunie en Noorwegen. Met een betaling van ongeveer 25.000 dollar konden echter ook andere landen lid worden. Daarvan maakte Greenpeace volgens de IJslandse filmer onheus gebruik. Op basis van een interview met Francisco Palacio, een Colombiaanse assistent van Greenpeace-baas David McTaggart, kwam Gudmundsson tot de conclusie dat Greenpeace kleine staatjes als Antigua en St. Lucia financieel mobiliseerde om toe te treden tot de IWC en aldus zorg te dragen voor een meerderheid binnen de commissie om een verbod op de walvisjacht mogelijk te maken. In 1984 werd inderdaad met een meerderheid van stemmen binnen het IWC een moratorium op de walvisjacht afgekondigd. Het huidige verblijf van Gudmundsson in Washington hangt met die beschuldiging van omkoping samen. Gudmundsson probeert leden van het Congres te overtuigen van het waarheidsgehalte van dat relaas.
De tweede beschuldiging van Gudmundsson was dat Greenpeace samenwerkt met Earth First, een radicale milieuorganisatie die er bijvoorbeeld geen been in ziet om de houtkapindustrie te bestrijden met tree-spiking: door grote spijkers in bomen te slaan zorgt Earth First ervoor dat kettingzagen uit de handen van de arbeiders vliegen, met bloederige resultaten. De naam van Earth-Firsttopman Mike Roselle duikt inderdaad op in uitnodigingen voor vergaderingen van Greenpeace die Gudmundsson aan de Groene-redactie heeft doen toekomen. Onder meer op basis van de (onder meer in de Nieuwe Revu gepubliceerde) getuigenissen van de Nederlandse ex-Greenpeace-boekhouder Frans Kotte beschuldigde Gudmundsson Greenpeace ook nog eens van financiele malversaties. Via geheime rekeningen zou donatiegeld in prive-zakken verdwijnen.
WELLICHT NOG pijnlijker was Gudmundssons beschuldiging in Survival in the High North dat de schokkende filmbeelden die de organisatie overal ter wereld vertoonde van de moord op een jonge zeehond in scene waren gezet. Die aantijging baseerde Gudmundsson onder meer op eerdere ervaringen van de Deense journalist Leif Blaedel, die betoogde dat een al even schokkende film over het martelen en doden van kangoeroes in Australie in scene was gezet ter mobilisatie van de volkswil. De betreffende film, Kangaroos under Fire, werd inderdaad door Greenpeace uit de roulatie gehaald, naar verluidt wegens 'integriteitsproblemen’.
In 1992 werd Gudmundsson in Oslo door Greenpeace voor de rechter gedaagd, onder wegens zijn suggestie dat de schokkende beelden van de zeehondjesmoord in scene waren gezet. Gudmundsson: 'Ik moest van de Noorse rechter vier uitspraken uit de film weghalen omdat ze te hard waren. Ik heb de film daarna iets aangepast. Die nieuwe versie is inmiddels in veel landen uitgezonden, maar Greenpeace heeft daar nooit actie tegen ondernomen. De boodschap staat dus recht overeind. Verklaringen van Greenpeace-mensen dat de beelden niet in scene gezet zijn, neem ik met een korrel zout.’
Toen The Rainbow Man in 1989 op de Deense televisiezender TV2 zou worden vertoond, probeerde Greenpeace een verbod op de vertoning te krijgen. Dat lukte niet. Sindsdien verkeren Greenpeace en Gudmundsson in permanente staat van juridische oorlog, zonder dat een van de twee partijen zich winnaar kan noemen.
Gevraagd naar de beschuldigingen van Gudmundsson over de fabricage van de jachtbeelden komt Greenpeace met schriftelijke verklaringen van medewerkers die zweren dat er absoluut niet is geknoeid met de beelden. Eerder pareerde Greenpeace kritiek dat er gerommeld was met geheime bankrekeningen - geluiden die vooral stammen uit de tijd dat de gewezen onroerend-goedmakelaar David McTaggart het bij de organisatie voor het zeggen had - met het verweer dat geheime rekeningen nu eenmaal noodzakelijk zijn voor een organisatie die zo vaak te kampen heeft met de gramschap van vele staten tegelijk. Met geheime, niet traceerbare bankrekeningnummers zou dan worden voorkomen dat Greenpeace-rekeningen in het heetst van de strijd worden geblokkeerd.
Gudmundsson is zeker niet de enige die Greenpeace lelijke dingen in de schoenen schuift. Ook in kringen van Greenpeace-mensen van het eerste uur heerst al sinds jaar en dag en zekere aversie tegen de machtigste actiegroep aller tijden. Daarbij wordt de Canadese ex-badmintonkampioen David McTaggart, de man die na twaalf jaar oppermacht binnen Greenpeace in 1991 terugtrad ten faveure van de Fin Matti Wuori, in de regel als kop van Jut gebruikt. Zo citeert het Amerikaanse, conservatief getoonzette zakenblad Forbes in de aflevering van 11 november 1991 Paul Watson, een van de oprichters van Greenpeace, die het in 1977 voor gezien hield: 'Het geheim van David McTaggarts succes is het geheim van het succes van Greenpeace: het doet er niet toe of het waar is, het gaat er alleen maar om wat de mensen denken wat waar is. Je bent wat de media van je maken. Greenpeace werd een mythe, en een mythe-genererende machine.’
Mede-oprichter Robert Hunter, auteur van het in 1979 verschenen Warriors of the Rainbow, signaleerde eenzelfde proces toen hij schreef dat 'zowel machiavellisme als mysticisme een rol speelden in het gevoel dat Greenpeace uitstraalde. Soms zorgde het voor een religieuze sfeer, dan weer was het resultaat een meedogenloosheid die grensde aan wreedheid. Corruptie en grootsheid speelden beide een rol en eisten hun tol.’
De bedrijfsmythologie van Greenpeace is gegrondvest op een oude legende die leefde onder de Cree-Indianen, die wilde dat zodra het uur van de ondergang van de wereld zou zijn geslagen een regenboog zou verschijnen met daarop krijgers voor een betere planeet. Die Rainbow Warriors zij nu de Greenpeace-activisten. Deze romantische hippie-ideologie werd de basis van een succesvol miljoenenbedrijf, dat qua marketing en mediabeinvloeding geen concurrent meer heeft. Tijdens de affaire rond het boorplatform Brent Spar bleek weer eens hoezeer Greenpeace uitmunt in het mobiliseren van de volkswil. De peperdure pr-bureaus van Shell waren geen partij voor de flamboyante, supersnel opererende pr-medewerkers van Greenpeace. Het is die mediatechnische know how die Greenpeace, sinds kort onder leiding van de Duitse ex-bankier Thilo Bode, bijna onverslaanbaar maakt.
'Romantisch, dramatisch, visionair, naief en een beetje arrogant’, zo omschrijft een Canadese Greenpeace-medewerkster de gewenste toonzetting van de organisatie tijdens de campagnes, zo valt te lezen in het boek Het geheim van Greenpeace van de Duitse milieu-expert Bernhard Knappe (1994). In deze lezenswaardige studie wordt duidelijk hoezeer Greenpeace leunt op het mediaverkeer. In dat verband wordt Greenpeace zelfs omschreven als 'de Coca-Cola van de milieubeweging’. De smalle marge tussen overtuigingskracht en demagogie wordt in de ogen van de critici echter steeds meer overschreden.
ZO DIENDE DE Belgisch-Nederlandse vereniging van Chlorophielen een klacht in bij de Reclamecodecommissie tegen de Greenpeace-campagne Chloor is overal. Akzo-chemicus Ferdinand Engelbeen, die naar eigen zeggen met rode oortjes kijkt naar de films van Gudmundsson (videokopieen schijnen in dit circuit als warme broodjes over de toonbank te gaan) omschrijft de Greenpeace-campagne als 'levensgevaarlijke propaganda’. Engelbeen, lid van de Chlorophielenvereniging: 'Greenpeace toont zich in die campagne een meester in de kunst van de suggestie, maar er klopt eigenlijk geen hout van. Het uitgangspunt van de campagne is dat chloor levensgevaarlijk is en uit de wereld moet. Maar er zijn meer dan elfduizend chloorverbindingen, waarvan er maar hoogstens tweehonderd gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid. Als je de gedachte van Greenpeace volgt, moet je eigenlijk tot de conclusie komen dat ieder element op aarde levensgevaarlijk is. Greenpeace stelt voor om chloor te vervangen door ozon. Maar ozon is tachtig keer gevaarlijker dan chloor!’
De chlorophielen zagen hun klacht bij de Reclamecodecommissie niet gehonoreerd, en wachten nu op een uitspraak van het College van Beroep. Engelbeen: 'Blijkbaar is in een Greenpeace-campagne veel geoorloofd. Maar ik vind het persoonlijk een schandelijke zaak dat Greenpeace zo vrij mag omspringen met wetenschappelijke gegevens. Getallen worden krankzinnig overdreven. Er zit een fanatisme bij sommige mensen van Greenpeace dat ik erg eng vind. Het lijkt soms wel godsdienstwaanzin. Het gaat om het gelijk. Hoe dat verkregen wordt, schijnt niet uit te maken.’
Terwijl dergelijke kritiek steeds meer opduikt, al dan niet geinspireerd door slechte verliezers, maakt Greenpeace zich momenteel op voor een campagne in de Stille Zuidzee om te protesteren tegen de hervatting van de Franse atoomproeven. Een nieuwe krachtproef dient zich aan. Greenpeace overweegt in het verlengde van de succesvolle Shell-boycot een boycot te organiseren van de Franse energie-industrie en dito militaire industrie. De sympathie van de wereld zal aan de kant van Greenpeace zijn.
Het is echter wel te hopen dat de organisatie, in Nederland zo'n zeshonderdduizend donateurs sterk, zich meer gaat bezinnen op de te volgen strategieen. Mobilisatie van volkswoede, ongeacht de feiten, kan de zaak van het milieu op korte termijn wellicht ten goede komen; op langere termijn werkt het contraproduktief.