Ger Groot

Grenadiers

Heinrich Heine maakte geen geheim van zijn Franse gezindheid toen hij rond 1820 zijn romance Die Grenadiere dichtte. In negen strofen drukte hij zijn bewondering uit voor het land dat met zijn revolutie het voorbeeld voor Europa (en vooral voor Duitsland) moest zijn. Maar er weerklonk ook de melancholie in door om de teloorgang daarvan, en aan het eind toch weer de hoop op een herleving van de belofte.

Tegen 1840 zette Robert Schumann het op muziek voor zijn op Heine geïnspireerde cyclus Romanzen und Balladen, nu onder de aangepaste titel Die beiden Grenadiere. Van begin af aan moest duidelijk zijn dat het lied een tweegesprek behelsde, want één zangstem heeft het daar altijd moeilijk mee.

Twee grenadiers dus, die terugkeren uit Russische gevangenschap en ontdekken dass Frankreich verloren gegangen, besiegt und geschlagen das tapfere Heer — und der Kaiser, der Kaiser gefangen. Zo sneed althans Schumann zijn tekst toe op de muzikale eisen, want tapfer was bij Heine nog gross geweest en geschlagen het wat minder zingbare zerschlagen. Maar diens climax in de ontstelde herhaling van der Kaiser zette ook hij in zijn melodie zo sterk mogelijk aan, want daarom — zo blijkt uit het slot van het gedicht — gaat het uiteindelijk.

In de tweede helft daarvan spreekt de ene grenadier in één adem de andere toe. Defaitisme (Das Lied ist aus) is niet zijn stijl. Zelfs vrouw en kind die thuis zitten te wachten, moeten, als ze honger hebben, maar uit bedelen gaan. Eén ding telt: Mein Kaiser, mein Kaiser gefangen! Daarvoor gaat hij door het vuur en door de dood. Gesneuveld wil hij begraven worden in Frankreichs Erde, om de eindoverwinning te verwachten. Dann reitet mein Kaiser wohl über mein Grab,/ Viel Schwerter klirren und blitzen;/ Dann steig’ ich gewaffnet hervor aus dem Grab, —/ Den Kaiser, den Kaiser zu schützen!

Schumann zet die laatste regels op de melodie van de Marseillaise, en dat is zowel passend als imposant. Maar er wringt ook iets in die ontmoeting van revolutie en keizerverering. Het moderne staatsbestel dat de soevereiniteit bij het volk legde, laat zich moeilijk verenigen met een monarchische traditie waarin de vorst niet alleen het symbool maar ook letterlijk de belichaming van het volk was.

Die traditie overleeft de Franse Revolutie nog lang, al wortelt ze in een kosmo logie die, over het ancien régime heen, teruggaat tot in de Middeleeuwen en verder. Zelfs de moderne Heine, die haar aan het woord laat komen in de oude vorm van de romance, distantieert zich niet van die behoefte aan een politieke praesentia realis.

De Franse historicus Georges Duby heeft die persoonlijke trouw als basis van de politieke orde prachtig beschreven aan het einde van zijn levensverhaal van Willem de Maarschalk, de Engelse edelman die gold als de beste ridder ter wereld. Willem is onwaarschijnlijk oud voor zijn tijd wanneer hij in 1216 de voogdij krijgt over de latere Hendrik III, de zoon van Jan zonder Land. De politieke situatie is hachelijk. Willem verslaat de rivaliserende Franse vorst, maar wat als de Engelse baronnen zich alsnog aan Frankrijk onderwerpen? Uitgeput overlegt hij met zijn vrienden over een eventuele vlucht naar Ierland, met de koningszoon.

«Dan», schrijft Duby, «vermant Willem zich plotseling. ‹Weet u wat ik zou doen? Op mijn nek zou ik hem dragen, van eiland tot eiland…› Die rol beviel hem wel; hij zou zijn dagen eindigen als de heilige Chris to foor, met in zijn armen de koning van Engeland: de macht op het hoogste niveau dat in dit ondermaanse te bereiken was.»

Ergens tussen 1789 en nu moet dat gevoel teloor zijn gegaan, al heeft het in deze of gene Voorzitter of Führer hier en daar nog opgespeeld. Wij kennen die bijna lichamelijke toewijding aan een symbolische persoon (zo ontzagwekkend dat Heines grenadiers zijn titel steevast ademloos herhalen) alleen nog in haar kwaadaardige vormen. In het al dan niet suïcidale terrorisme leeft ze soms nog voort, maar als het negatief van wat ze was: geen dienende trouw maar beschikbare haat.

Ze heeft een wereld te vernietigen, niet langer ein Kaiser, ein Kaiser zu schützen.