Grens en gezin

Het is een terugkerend patroon: in het Haagse gezinsmigratiebeleid heeft het binnenlandse eigenbelang altijd zwaarder gewogen dan het recht op gezinsvorming.

De stijging van het aantal importbruiden, waar PvdA-minister Eberhard van der Laan van Integratie onlangs in de Tweede Kamer gewag van maakte, was niet voorzien, maar juist daardoor past ze in een patroon: het effect van het Nederlandse gezinsmigratiebeleid is al sinds midden jaren vijftig steeds weer anders dan de beleidsmakers vooraf dachten – of misschien ook wel om hun moverende redenen vooraf graag wilden denken. Ook de aankondiging van de minister om maatregelen te overwegen om de import van bruiden in te dammen, past in een patroon. In het gezinsmigratiebeleid heeft, een tiental jaar daargelaten, het binnenlandse eigenbelang altijd het zwaarst gewogen, al was dat aanvankelijk een economisch belang en telt nu de sociale cohesie zwaarder.
Die conclusies neem ik voor mijn rekening, maar ze zijn gebaseerd op het proefschrift Grens en Gezin, beleidsvorming inzake gezinsmigratie in Nederland, 1955-2005 waarop Saskia Bonjour onlangs promoveerde aan de Universiteit Maastricht. Dat zij toevallig mijn nichtje is, maakt het hopelijk niet minder interessant.
Want kijk even mee. Toen de eerste groepen gastarbeiders in de jaren zestig hun gezinnen mochten laten overkomen, was de dominante zienswijze nog dat zij na een aantal jaren weer naar hun land van herkomst zouden terugkeren of hun gezin helemaal niet zouden laten overkomen, omdat ze zichzelf zouden zien als ‘internationale forenzen’. Dat is op z’n minst opmerkelijk te noemen, zo kort nadat hele groepen Nederlanders naar Australië en Canada emigreerden, voorgoed.
Alleen de ambtenaren van Justitie hadden zo hun twijfels over de aanname dat de gastarbeiders wel weer zouden weggaan. Zo schrijft, blijkens het proefschrift, het toenmalige hoofd van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken en Grensbewaking in 1964 in een nota aan zijn secretaris-generaal: ‘Het schijnt mij dat een Turk die uit Turkije wordt opgevist en in een westers land gaat werken een ongelukkige toekomst tegemoet gaat. Indien hij na twee jaar werkzaamheid naar zijn dorp terugkeert, zal hij daar bepaald moeilijk kunnen aarden.’
Bonjour schrijft dat Justitie in die jaren de indruk heeft ‘geïsoleerd’ te raken, tegenover een ‘gesloten front’ te staan en steeds ‘gedwarsboomd’ te worden. Grote tegenhanger is het ministerie van Sociale Zaken. Dat hamert op het belang voor de economie van de arbeidsmigranten en weet zich gesteund door het bedrijfsleven.
Toen de eerste aanname van terugkeer een verkeerde bleek, was de volgende dat de gezinsmigratie eenmalig zou zijn, een ‘accident of history’ als het ware. Maar ook dat bleek niet te kloppen. Nadat de eerste generatie migranten partner of gezin had laten overkomen, bleken ook de volgende generaties dat te blijven doen. En nu blijkt dus ook het huidige restrictieve gezinsmigratiebeleid weer onvoorziene effecten te hebben.
Dat restrictieve beleid is overigens, voor degenen die het niet of niet meer op hun netvlies hebben, ingezet toen er vanaf eind jaren tachtig op Justitie een PvdA-bewindspersoon voor verantwoordelijk werd. Het meest ruimhartige beleid is daarentegen gevoerd ten tijde van, jawel, de CDA/VVD-kabinetten in de jaren tachtig. Misschien dat Geert Wilders van de Partij voor de Vrijheid en voormalig lid van de VVD dat eens in herinnering moet roepen voordat hij afgeeft op de linkse kliek. Die ruimhartigheid was, zo blijkt uit het proefschrift, geheel terug te voeren op het zwaar laten wegen van het morele recht op gezinsvorming. Des te bijzonderder, omdat het in de jaren tachtig slecht ging met de economie.
Dat recht op gezinsvorming staat inmiddels onder druk, door de in de wet opgenomen inkomens- en taaleisen. Als Van der Laan zijn woorden gestand doet, zullen degenen die dat recht toch hoog in het vaandel willen houden kritisch moeten zijn op de door hem nog te nemen maatregelen. De minister verdedigde zijn opstelling onlangs door zich hardop de vraag te stellen of de investering in de inburgering niet verloren raakt als er zoveel laagopgeleide nieuwkomers bijkomen.
Het is niet voor het eerst dat een bewindspersoon zich zoiets afvraagt. In 1969 schreef VVD-minister van Justitie, Carel Polak, aan zijn liberale en christelijke collega’s in de ministerraad: ‘Van heinde en ver komende vreemdelingen, werkend op het laagste niveau, zullen mét hun gezinnen een nieuw industrieel proletariaat gaan vormen zonder voldoende vertakkingen met de Nederlandse samenleving.’
Bonjour vertelt hoe Polaks interventie afloopt: ‘De brief van de minister maakte echter niet de gewenste indruk. De ministers van Sociale Zaken en Economische Zaken wuifden de zorgen van minister Polak weg… Kortom, Polak was er met zijn brief niet in geslaagd het dominante economische perspectief te doen wankelen.’
Die brief was overigens geschreven door een ambtenaar van de Hoofdafdeling Vreemdelingenzaken en Grensbewaking (HVG). In 1970 schrijft de HVG wederom over het mogelijke gevaar van een ‘afzonderlijk “vreemd” proletariaat’: ‘Dit gevaar is des te meer aanwezig nu – zeker waar het niet-Europeanen betreft – wel van een zeer afwijkend maatschappij-, cultuur- en religieus patroon sprake is (…).’ Zoals Bonjour schrijft: ‘De parallellen tussen de visies van de HVG-ambtenaren en recente publieke en politieke discussies zijn opmerkelijk.’
Destijds waren die openlijke publieke en politieke discussies over gezinsmigratie er niet of nauwelijks. De PvdA deed in de jaren zestig sowieso bijna niet mee aan het debat, merkt Bonjour op. De ambtenaren maakten daardoor de dienst uit. Iets wat door de politisering van het thema inmiddels niet meer voor te stellen is en wat volgens haar ook niet meer zo is.
Dat laatste gaat overigens, zoals Bonjour aangeeft, in tegen de heersende idee onder politicologen en bestuurskundigen dat het onomstreden is dat in de twintigste eeuw een verschuiving in de machtsverhoudingen heeft plaatsgevonden ten gunste van de ambtenaren. Dat toch de politiek, althans op dit terrein, aan de touwtjes trekt, moet een bemoedigend idee zijn voor de Kamerleden aan het begin van hun zomerreces.