Grensverkenningen

Wetenschap en kunst zijn complementair. Zo kan een gedachtegang esthetisch zijn, en ligt achter de muzikale mystiek de harmonieleer.

Wetenschap en kunst lijken soms als water en vuur tegenover elkaar te staan: hier de rationalistische laboratoriumtechneut in witte jas, daarginds de geïnspireerde bohémien met wilde haardos. Maar voor de geesteswetenschapper, de literatuurhistoricus, is die tegenstelling er nauwelijks: net als eten en drinken, gin en tonic, of brood en wijn doen wetenschap en kunst weliswaar verschillende dingen, maar complementair aan elkaar. Het zijn allebei vormen van culturele reflectie, paden die tot een dieper inzicht leiden, grensverkenningen langs de buitenrand van het gewone en bekende. Die onbekende kennis aan de buitenrand van onze bekende kennis, daar is een woord voor: inspiratie. En inspiratie is in de wetenschap even belangrijk als in de kunst. Dat er tussen die twee kruisbestuivingen plaatsvinden, is voor mij als literatuur­historicus eigenlijk vanzelfsprekend.

Romans en films zijn inlevingsmachines die mij in staat stellen om me te verplaatsen in andere mensen, andere werelden; een elegant geconcipieerde en goed geformuleerde wetenschappelijke gedachtegang biedt evenveel esthetisch genot als een kunstwerk (bijvoorbeeld Michel Foucaults vertoog over ‘Wat is een auteur?’), een goed gedicht of verhaal bevat soms inzichten van hoog intellectueel niveau (bijvoorbeeld de prozafragmenten, ficciones, van Jorge Luis Borges). Iedereen die een geestelijk groeiproces heeft doorgemaakt zal daarin hebben geprofiteerd van een combinatie van artistieke en wetenschappelijke impulsen.

Maar dat ligt allemaal binnen die wereld die vorm en betekenis krijgt door middel van taal. Veel verder van mijn letterenbed ligt de woordenloze wereld van de muziek, mijn eerste grote en onvergeten liefde. Een wereld ging voor mij open toen ik als koorknaap van elf jaar tweede stem ging zingen, alt in plaats van sopraan. Sopranen zingen de melodie en dat was maar al te vaak een saaie bedoening: zeurdeuntjes à la Huub Oosterhuis. Maar alten… ach! Hun tweede stem heeft melodisch weinig om het lijf, lijkt soms op het monotone ‘Om Mani Padme Hum’ van een boeddhistische monnik… maar vormt daardoor een scharnier waar alle andere stemmen en harmonieën omheen draaien, als motten om een vlam, als Parijs rond de Eiffeltoren. De altstem vervolgt zijn haast bewegingloze vlucht door wisselende landschappen en klankkleuren, en verandert meezingdeuntjes in harmonische progressies.

Mystiek, hoor. Maar tijdens mijn conservatoriumstudie werd dat alles in de harmonieleer systematisch uitgelegd. De sensuele strelingen van de akkoordiek bleken aan mathematische regelmaat te gehoorzamen, de klankeigenschappen van octaven, kwinten en meer dissonante intervallen hingen rechtstreeks samen met de getalverhoudingen van toonfrequenties. De kwintencirkel was niet minder koel en sereen dan het periodiek systeem van de elementen, of de getallenrij van Fibonacci. Muziek bleek een architectuur te hebben, een onthechte rationaliteit die het complete tegendeel was van de manier waarop akkoorden en harmonieën me op het mystieke af euforisch kunnen maken, en ritmes mijn innerlijke neanderthaler tot leven kunnen wekken. Dat dubbele karakter van muziek – enerzijds mystiek, sensueel, warm, en anderzijds pythagoreïsch en als een koel kristal – is knap gethematiseerd in Thomas Manns roman Doktor Faustus.

Muziek heeft toverkracht. Net als in de dans of in rituelen kan goede muziek bijvoorbeeld groeien door zichzelf te herhalen en in elke herhaling aan resonantie te winnen (denk aan Pachelbels canon); iets wat je in weinig andere kunstvormen kunt klaarspelen. En dat levert dan een wetenschappelijke, of althans filosofische vraag op: wat voor rol speelt herhaling in de cultuur? Is het iets pathologisch (dwangneurose, obsessief) of een algemeen, belangrijk gegeven, niets meer of minder dan toegepaste herinnering, onze lange worsteling met Heraclitus’ onvermogen om tweemaal in dezelfde rivier te stappen? Denk aan Becketts toneelmonoloog Krapp’s Last Tape. Denk aan de vorige keer dat u dacht aan Krapp’s Last Tape. Denk aan al die keren die eigenlijk vorige keren waren.

Als net afgestudeerd fluitist speelde ik in het Iers omroeporkest een stuk van een componist die ik toen nog niet kende: Frederick Delius. Opnieuw een onthutsing, net als toen ik alt begon te zingen. Ik voelde dat deze muziek uit de tijd van de art nouveau kwam. De melodische lijnen kronkelden vloeiend als waterplanten in een Mucha-affiche, de akkoorden hadden kleuren als in een tekening van Edmund Dulac. Het was niet een herkenning of een ingesleten associatie (dat je de twee, klankstijl en vormentaal, gezamenlijk tegenkomt en leert te identificeren); Delius was toen helemaal nieuw voor mij. Het lag anders, dieper: een geheimzinnige verwantschap, een karakter dat je kunt aanvoelen maar niet onder woorden kunt brengen. Waarom klinkt Hindemith als Bauhaus en Stockhausen als de Bijlmer? Waarom klinkt Wagner als een overgemeubileerd burgerinterieur vol kussens en gordijnen, en Mozart als een witgelambriseerde salon? Stijl in de muziek is voelbaar, en beantwoordt aan de diepere esthetische patronen die karakteristiek zijn voor een tijdsperiode. Ik voel dat; ik weet dat, zonder te weten hoe ik dat weet. Hier is werk aan de winkel, en genot.


Joep Leerssen is literatuur- en cultuurhistoricus en hoogleraar moderne Europese letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam