Grenzen aan het ironische verzet

Romans over bekende historische figuren lijken een voorzichtige tendens te worden. Alleen al in Nederland schreef onlangs Connie Palmen over Ted Hughes, Hagar Peeters over (de dochter van) Pablo Neruda, Arie Storm over Frans Kellendonk en Arthur Japin over luchtvaartpionier Alberto Santos-Dumont.

Nu heeft Nederland de primeur met een roman die Julian Barnes wijdt aan de Russische componist Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975). Iedereen die zich aan dit genre waagt zal een dilemma moeten overwinnen: hoeveel verbeelding laat je los op materiaal waar zoveel feiten over bestaan? Hoe behoud je hierin je creatieve wendbaarheid, hoe ver mag je artistieke vrijheid gaan?

Ironisch genoeg is de kwestie van de artistieke vrijheid nu juist de kern van Het tumult van de tijd. Al is die bij Sjostakovitsj, die componeerde onder het regime van Stalin, uiteraard van een heel andere orde.

Julian Barnes heeft het vaker gezegd en stelde het ook in een interview dat de Volkskrant onlangs met hem had: fictie levert meer waarheid op dan journalistiek, een genre dat hij ook beoefende. Toch is hij voor dit boek dicht op de feiten gebleven, blijkens het nawoord, waarin hij biograaf Elizabeth Wilson bedankt, die materiaal aandroeg, en misvattingen corrigeerde. Is Barnes met zijn romanbenadering doorgedrongen tot een terrein dat voor journalisten en biografen gesloten blijft?

Jazeker, en dat is vooral te danken aan de vorm. In de drie romandelen treffen we de componist aan op drie cruciale momenten in zijn leven. In het eerste deel staat hij in 1936 tien dagen lang met zijn gepakte koffer ’s nachts voor de lift van zijn flat, in de verwachting dat hij wordt opgepakt. Zijn gezin wil hij die schande besparen. In het tweede deel zit hij in 1949 in het vliegtuig naar Amerika, waar hij als een marionet van de sovjetmacht een voorgeschreven toespraak moet houden. En passant verkettert hij daarin de door hem bewonderde collega Igor Strawinsky, die, anders dan Sjostakovitsj, wél zijn land ontvluchtte. In het derde zit hij achter in een auto met chauffeur aan het einde van zijn leven.

Medium hh 47690578

Tot zo ver zou dit nog de heldere structuur van een goede biografie kunnen zijn. Componist probeert zich artistiek en moreel staande te houden onder het sovjetregime en eindigt, zoals sommigen hebben geconcludeerd, als laffe marionet of, volgens anderen, als heldhaftige anticommunist die juist allerlei verborgen boodschappen zijn muziek binnensmokkelde.

In dit nog altijd doorgaande debat neemt Barnes geen stelling. Hij maakt voelbaar hoe oneindig veel ingewikkelder de kwestie-Sjostakovitsj is, door in zijn hoofd en huid te kruipen, zijn angsten en neurotische tics te laten invoelen, hem zelf te laten herinneren en reflecteren.

‘De laatste vragen in een mensenleven kennen geen antwoorden, dat is hun wezen’

Zo denkt hij terug aan zijn ontslag als pianist bij de bioscoop: ‘En dat, besefte hij nu, was zijn carrière in het klein geweest: hard werken, enig succes, schending van de muzikale normen, officiële afkeuring, opschorting van loon, ontslag. Alleen bevond hij zich nu in de volwassen wereld, waar ontslag iets veel definitievers betekende.’

Die vorm, die toonaard zo je wilt, van de vrije indirecte rede stelt Barnes in staat om zonder breuklijnen te zwenken tussen de losse spreektaal in Sjostakovitsj’ hoofd en de objectievere stem van de biograaf-verteller.

Via die herinneringen leren we Sjostakovitsj en zijn dilemma’s van binnenuit kennen. Hij denkt zich te redden middels een soort ironisch verzet, maar moet aan het einde concluderen dat daar grenzen aan zijn: ‘Je kunt geen brieven ondertekenen terwijl je je neus dichthoudt of stiekem duimt, in vertrouwen dat anderen wel zullen begrijpen dat je het niet meent.’ En: ‘Sarcasme was ironie die haar ziel was verloren.’ Niettemin blijft hij geloven dat zijn muziek op zichzelf kan bestaan, boven ‘het tumult van de tijd’ uit.

De mijmeringen en essayistiek krijgen steeds meer de overhand, maar zolang die boeiend zijn – en Julian Barnes is een meesterlijk essayist – is dat geen bezwaar.

Het boek is minder narratief, minder dynamisch dan zijn vorige, The Sense of an Ending (2011, Man Booker Prize) en persoonlijk mis ik ook de speelse wittiness van zijn eerdere werk als Metroland, Flaubert’s Parrot en England, England, maar dat is onvermijdelijk met dit onderwerp en misschien ook met Barnes’ leeftijd: hij werd deze week zeventig. Het is ernstig, zwaar en doorleefd.

Vooral tegen het einde, als alle inzichten samenkomen, levert dat prachtige, aforistisch gecondenseerde alinea’s op waaruit het verleidelijk is om uitgebreid te citeren. ‘De laatste vragen in een mensenleven kennen geen antwoorden, dat is hun wezen. Ze janken slechts in het hoofd, fabriekssirenes in fis.’

F-sharp zal er overigens in het Engels staan – net een tikje schriller. De titel waaronder het boek eerder stond aangekondigd, Het ruisen van de tijd, laat zien hoe lastig zelfs een woordje als ‘noise’ te vertalen is. Ons taalgebied mag vereerd zijn met deze prachtige en indringende wereldpremière, al herinneren zulke details er wel aan dat we de nauwkeurige stilist Julian Barnes vooral ook in het origineel moeten lezen, dat pas volgende week verschijnt. Geen bezwaar bij een auteur die je, om zijn geraffineerde composities voldoende recht te doen, eigenlijk twee keer moet lezen.