Gretig en gehaast

Ik zat aan de keukentafel door Facebook te scrollen toen L., die aan het aanrecht een boterham smeerde, zonder zich om te draaien vroeg: ‘Aan wie erger je je nu weer?’ Blijkbaar had ik een geluidje gemaakt dat ze inmiddels feilloos herkende.

Geen wonder dat ze het herkent, ik zit al drie weken aan haar Brusselse keukentafel door sociale media en nieuwssites te scrollen. Uit onrust, uit nieuwsgierigheid, uit fascinatie, ja, allemaal waar; maar zonder ergernis had ik het niet zo lang volgehouden, dan zat ik allang op de bank Anna Karenina te lezen.

Wat me vooral verbaasde was de snelheid van alles. Deze nare en onzekere periode was nog niet begonnen of we waren hem al met z’n allen aan het dichtmetselen. Tijdlijnen stroomden vol met goedbedoelde adviezen, betweterij, bangmakerij, stoere grappen en stemmige foto’s van lege straten, het was een drukte van jewelste, met man en macht probeerden we gretig en gehaast een periode te verwerken die nog niet eens was begonnen. We konden niet wachten om er deel van uit te maken.

Ik was er niet bij weg te slaan. Terwijl ik eigenlijk naar iets anders zocht. Ik wilde stilte in plaats van dit lawaai, ik wilde stil ontzag om wat ons nog te wachten stond, ik zocht een oase van zwijgende afwachting. Blijkbaar moest ik de stilte van buitenaf aangereikt krijgen, om het van binnenuit te organiseren lukte niet. Maar degenen die zich aan het lawaai onttrokken waren uiteraard binnen dat lawaai onvindbaar en misschien voorkwam dit dat ik mijn laptop dichtklapte: het idee dat de consequentie van stilte onvindbaarheid zou zijn.

Ik wilde stil ontzag, ik zocht een oase van zwijgende afwachting

En dus ergerde ik me liever aan het lawaai; dan was ik in ieder geval met iets verbonden.

Er kwam een omslagpunt. Ook hier in Brussel wordt om acht uur ’s avonds geklapt en eerst ergerde ik me eraan, maar toen L. op een avond het raam opende om mee te klappen ging ik achter haar staan en klapte ook. De straat was donker, overal stonden in verlichte vensters silhouetten enthousiast te applaudisseren, we keken opzij en daar stond het stel te klappen met wie we het van de zomer op de rand van de zandbak nog hadden gehad over de andere buren die zo luidruchtig seksten, en kijk, die lawaaiige buren stonden zelf ook te klappen, heel hard zelfs. Ik had geen goede dag gehad en het raakte me tot tranen toe, dit geklap. We klapten niet voor de zorg maar voor elkaar en onszelf, om te laten zien dat we er nog waren, om ons luidruchtig te manifesteren als sociale wezens met behoefte aan contact en sindsdien klap ik elke avond mee, er zijn zelfs buren die erbij op pannen slaan.

Ik zit nog steeds te scrollen aan de keukentafel, dit is geen bekeringsverhaal. Ik erger me nog steeds aan de pompositeit waarmee we denken dat onze particuliere ervaring ertoe doet, onze eigen lege straat, ons eigen exemplaar van De pest. Maar ik zie nu beter wat we doen. We maken geschiedenis mee en willen laten zien dat we daar onderdeel van zijn, onderdeel van iets groters, om niet te krimpen tot onzichtbaarheid. We wisten dat de geschiedenis bestond, we hebben haar gehad op school, en hier is ze weer, het was alweer even geleden maar dit is onze kans om onszelf nog iets van betekenis te geven. We moeten de geschiedenis reflecteren, anders hebben we geen belang, anders bestaan we niet.

Kijk ons daar staan, kleine reflectorpaaltjes langs de loop van de geschiedenis, dapper en verbeten, elkaar verdringend in de berm, vervuld van het nut van onze functie; maar zodra de geschiedenis uit de bocht vliegt is het met ons gedaan.

En daarom staan we daar nu juist: de geschiedenis komt aanstormen en wij kaatsen haar eigen licht naar haar terug om te zorgen dat ze in haar baan blijft en ons niet allemaal uitroeit. Zie ons staan, zie ons staan.