Gretig en gul vertaler

Hugo Claus
Dichterbij. Vertaalde poëzie
De Bezige Bij, 191 blz., € 19,90

[Gedicht]

Georges Perros
(1923-1978)

[fragment]

Het leven is zo gemaakt
Dat je moet telefoneren
Met elkaar praten met het oor
Elkaar horen met de neus
Het leven is niet volmaakt
Dat weet iedereen
Maar de draad verbaast je
Men vindt er woorden in.
Ik verkies de zee
Waarvan de golf en tegengolf
Telefoneren naar onze Lieve Heer
Die antwoordt met de maan
Wij zullen er geraken op een dag
Als wij vissen zullen zijn
Onze vinnen schots en scheef
Onze ziel in verval.
Ik zeg dat Pichavant
De vriend van vanavond is
Dit is geen gelijkenis
Want de draad, om het even dewelke,
Laat het woord niet verliezen
Door wie hem kan knopen
In de zak van papier
De zak van wijn, de zak van leven
Die de mens is die hunkert
Om in zijn geheel te sterven.

Halverwege de jaren tachtig konden de abonnees van het Vlaamse tijdschrift Knack en het Nederlandse Elsevier wekelijks kennismaken met werelddichters, bekendere en minder bekende. Ze werden aan hen voorgesteld door Hugo Claus, in zijn vertaling, met een korte inleiding en een getekend portretje. De afzonderlijke afleveringen uit de reeks, getiteld Dichterbij, zijn nu samengebracht in een boek waarin ook een kort interview is opgenomen dat Hugo Camps de vertaler afnam. Wat Claus voor ogen stond met de serie? ‘Al jaren kom ik in bibliotheken balladen uit de zestiende eeuw of Arabische dichters tegen die al die tijd buiten de smaak van de experts en professoren zijn gevallen. Daardoor is er een tweede museum in mijn hoofd gegroeid van waaruit ik nu hertaal en herschrijf. Dat kunnen ook statische dichters zijn die mij in het genot van het ontraadselen, het puzzel- en graafwerk aanspreken, maar ik zal hen, eenmaal onttrokken aan de hermetische cocon, bevattelijk maken voor de bakkersvrouw.’
Het zijn niet de makkelijkste dichters die Claus bij de bakkersvrouw introduceerde: Yves Bonnefoy, René Crevel, Guillaume Apollinaire, Henri Michaux, naast Robert Browning, Homero Aridjis, Theodor Roethke, Richard Wilbur, Pasolini en vele andere dichters met een meer of minder surreële inslag. Poëzie, maar ook ingezonden brieven, losse regels, flarden tekst uit vrijwel alle talen – Engels, Frans, Duits, Chinees, Arabisch – en van alle tijden. Hij was een gulzige alleslezer, zo tonen de verzamelde stukken in Dichterbij weer eens. ‘Niemand’, zo zegt hij in het interview met Camps, ‘zal ooit het geheim ontdekken van de magische stippellijn waar woorden ineens overgaan in poëzie.’
Gretig nam hij wat hem voor de voeten kwam tot zich en gul brengt hij de gedichten in een nieuwe taal, in zijn taal. Hij digesteert, maakt het zo eigen dat er nauwelijks nog sprake is van een grens tussen eigen werk en dat van ‘de ander’. Zoals Claus’ eigen werk zinnelijk is en zintuiglijk, zo ook zijn vertalingen. Een ‘vertaler pur sang’ wordt hij genoemd in een recent nummer van het vertaaltijdschrift Filter, dat aan Hugo Claus is gewijd. Hoogleraar vertaalwetenschap Ton Naaijkens laat nog eens verhelderend zien hoe Claus als vertaler te werk ging. Over een brontekst of origineel bekommerde hij zich liever niet al te veel. Waar het over het algemeen gebruik is om als vertaler uit te gaan van een brontekst – liever niet vertalen via een tussentaal – trok Claus zich van dat adagium weinig aan en vertaalde als dat zo uitkwam bijvoorbeeld een Japanse tekst uit een Engelse pocket. ‘Ik vind niet dat een toneelstuk toevallig aan iemand behoort toevallig omdat hij het geschreven heeft. Ik vind dat een bewerker, vertaler, alle rechten heeft, als hij maar een speelbaar stuk maakt in zijn eigen milieu’, zou hij in een interview over het vertalen van toneel hebben gezegd. Voor poëzie gold dat niet anders.
Het maakt het wel jammer dat in deze bundeling poëzievertalingen ter vergelijking geen originelen zijn opgenomen, al is dat natuurlijk geheel in Claus’ stijl. En hij dient het allemaal smakelijk op. De korte inleidingen zitten boordevol ogenschijnlijk niet ter zake doende geestige anekdotes die desondanks meteen naar het gedicht toe leiden. Bijvoorbeeld over Theodor Roethke die bij voorkeur wilde tennissen als hij dronken was. Of over Charles Olson: ‘Woog 120 kilo.’ Over Henri Michaux die razend wegliep van een ontmoeting met Claus omdat hij een ‘Belg’ was. En over Napoleon Bonaparte dit: ‘Frans schrijver die nogal beïnvloed werd door de filosofie van Jean-Jacques Rousseau.’ Het plezier waarmee Claus dit moet hebben opgeschreven is overal voelbaar.
Bij een bundel als deze is het goed te bedenken dat die in wekelijkse afleveringen verscheen, de afzonderlijke gedichten achter elkaar lezen geeft een mengelmoes aan stemmen. Van bekendere dichters koos Claus niet altijd de meest typerende gedichten, met de onbekendere dichters biedt Dichterbij een vlugge kennismaking. ‘De ochtend van een gewone dag’ van de Palestijnse Hanna Abou Hanna is een ontdekking, ook vanwege de nog altijd grimmige actualiteit van het gedicht:

(…)
Zij doden de roos en de zwaluw in Gaza.
Zij wurgen de witte os in Dehayshe, Birzet en Balata.
(…)
Na vijftig jaar hebben de overlevenden
de moordenaar Demjanjuk omsingeld.
Verstrikt in zijn misdaden
kijken de ogen van zijn slachtoffers hem aan.

Intrigerend is het vers van de Fransman Georges Perros. Of dit onhandige gedicht van de gek geworden Oostenrijker Aloisius Schnedel (1926): ‘De vader is het hoogste lid/ van de familie. De vader zorgt voor het dagelijks/ brood. Bij wijlen gaat hij in de fabriek werken./ Van het geld kan de moeder in-/ kopen gaan doen. De zoon wacht thuis/ tot het eten en het kopen gelukt/ is.’
Met de tekening van de verwilderde kop van John Berryman, of de prent van de vogelachtige Ungaretti, laat Dichterbij vooral ook de multi-getalenteerde kunstenaar Claus zien, de dichter, de vertaler, de tekenaar. Je zou willen dat zo’n serie nog bestond.