Harvard-econoom vreest voor politiek extremisme

‘Griekenland kan beter vertrekken’

Europa gaat ten onder aan de globaliseringsparadox, zegt politiek econoom Dani Rodrik: economische integratie gaat niet samen met democratische legitimiteit. Tijd om nationale belangen weer voorop te stellen.

Medium 81064954

‘HYPERGLOBALISERING doet meer kwaad dan goed.’ 'Alleen geesteszieken dromen van één economisch regime voor de gehele wereld.’ Het zijn stellingen die zo op de spandoeken van de Occupy-beweging passen. Toch is deze aanklacht tegen het mondiale kapitalisme afkomstig van een academicus die zijn reputatie vestigde met een weinig activistische bezigheid: wetenschappelijk onderzoek naar economische groei. Zijn naam: Dani Rodrik, een van oorsprong Turkse hoogleraar internationale politieke economie aan Harvard University. Zijn belangrijkste boodschap: economische en politieke stabiliteit vereist dat landen hun nationale prioriteiten voorop kunnen stellen.
'We leven in een tijd waarin de roep om global governance sterk is’, legt Rodrik (1957) uit aan de telefoon vanuit Cambridge, Massachusetts. 'De G20-bijeenkomsten, klimaatconferenties, allemaal bedoeld om op wereldschaal problemen op te lossen. En het werkt niet. De gemaakte afspraken blijken keer op keer onvoldoende. De belangrijkste reden is dat zulke fora beperkte politieke legitimiteit hebben. Mensen hebben de behoefte om onderdeel te zijn van een gemeenschap die nauw verbonden is met de plek waar de beslissingen worden genomen.’
Ook in de huidige eurocrisis doet die boodschap opgeld, aldus de econoom. Hij onderschrijft het dilemma waar veel analisten de afgelopen weken op hebben gewezen: óf de politieke integratie in één klap verder doorvoeren óf de economische samenwerking op een lager pitje zetten. 'Een andere optie is er niet’, stelt Rodrik, die behalve hoogleraar ook commentator is bij onder meer The Economist, Project Syndicate en de Turkse krant Radikal. Zijn eigen voorkeur gaat uit naar de tweede optie: een Grieks exit. 'Economisch gezien is het de minst slechte keuze om het onvermijdelijke failliet en vertrek van Griekenland uit de eurozone zo gecoördineerd mogelijk te laten verlopen. Ook politiek gezien is dat een wenselijke reality check. De eurocrisis vereist dat landen zich niet op externe financiële verplichtingen en bezuinigingen hoeven richten, maar op nationale prioriteiten en plannen om groei te herwinnen’, zo schreef Rodrik recentelijk in de Belgische krant De Tijd.
Rodriks stellingname wordt niet ingegeven door euroscepsis of door ergernis over vermeende luiheid onder de 'knoflookgrens’. Zijn analyse is beredeneerder: 'Er zit een onvermijdelijke limiet aan hoeveel verschillen tussen lidstaten een economische unie aankan. Kleine verschillen, zoals uiteenlopende minimumlonen of verschillende btw-niveaus, zijn niet zo'n probleem. Maar wil de Europese Unie echt werken, dan moeten er afspraken worden gemaakt over begrotingsbeleid, over belastingen voor bedrijven en over sociaal beleid. Dat is niet gebeurd en dat heeft de politieke legitimiteit van het Europese project langzaam uitgehold. Het gevolg: the crisis comes home to roost. Een land als Griekenland heeft volledig zijn eigen weg kunnen gaan maar er zijn mechanismen om de besmetting van andere landen te voorkomen.’
Het probleem Griekenland is het gevolg van halfslachtigheid, meent Rodrik: 'Het land was voldoende geïntegreerd in de Europese Unie om toegang te hebben tot goedkope leningen, vergelijkbaar met staten als Florida en Californië die onbeperkt van de centrale overheid kunnen lenen. De Grieken konden daardoor enorme begrotingstekorten laten ontstaan. Tegelijkertijd was het land onvoldoende geïntegreerd om, op het moment dat het slechter ging, automatische transferbetalingen te ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van werkloosheidsuitkeringen. In het geval van de Amerikaanse staten wordt een terugval daardoor juist verzacht. En de Griekse burgers hebben geen reële mogelijkheid om beter Europees beleid te eisen. Ze kunnen geen vertegenwoordigers sturen naar de plek waar beslissingen worden genomen.
Dat Europa zich zo scheef kon ontwikkelen berust op de valse hoop dat politiek en economie van elkaar gescheiden konden worden. Griekenland, en ook andere staten die zich later bij de Unie voegden, is nooit gevraagd of het bereid was een deel van zijn soevereiniteit op te geven in ruil voor lidmaatschap van een economische gemeenschap. De kans was groot geweest dat ze ja hadden gezegd. Die politieke keuze werd uitgesteld en alle aandacht ging naar Europese financiële en monetaire regels.’

HET IS EEN ontnuchterende boodschap, al is zijn kijk op de eurocrisis niet geheel verrassend. Rodrik heeft een reputatie als het gaat om temperen van de hooggespannen verwachtingen waarmee economische integratie vaak gepaard gaat. In 1997 - net voor de Azië-crisis en de opkomst van de antiglobalistenbeweging - schreef hij het pamflet Has Globalisation Gone Too Far? waarin hij stelde dat het opvolgen van de adviezen van de Wereldhandelsorganisatie, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds niet tot economische voorspoed, maar vooral tot sociale desintegratie leidde. In 2008 volgde One Economics, Many Recipes: Globalisation, Insitutions, and Economic Growth waarin Rodrik de economische groeipatronen gedurende de jaren negentig tot begin 2000 onder de loep nam. Zijn conclusie: groei deed zich vooral voor in landen die selectief omgingen met de mantra van liberalisering, privatisering en deregulering. Dus: China, India en Zuid-Korea, waar de staat regie bleef voeren over de nationale economie, deden het aanzienlijk beter dan landen als Argentinië en Brazilië, die toen hun economieën juist opengooiden en de internationale kapitaalmarkten omarmden.
In zijn recentste boek The Globalisation Paradox: Democracy and the Future of the World Economy bouwt Rodrik voort op deze thema’s. Het boek draait om het 'trilemma’ dat globalisering met zich meebrengt. 'Democratie, nationale soevereiniteit en economische globalisering gaan niet samen’, schrijft hij. 'In het politieke proces zal er altijd één moeten worden opgeofferd’. Hij laat er weinig misverstand over bestaan waar zíjn voorkeuren liggen: 'Democratieën hebben het recht hun eigen beleid te voeren. Als dat botst met de eisen van de mondiale economie, dan moet die maar inbinden.’ Politici die deze boodschap negeren (cheerleaders of globalisation noemt hij ze) doen dat op eigen risico. Wie het belang van nationale politieke gemeenschappen miskent, roept onvermijdelijk een politieke backlash over zich af.
Maar Rodrik moet niet worden gezien als iemand die louter sceptisch is over internationale samenwerking. In The Globalisation Paradox pleit hij voor sane globalisation: het maken van strategische afspraken die de uitwassen van wereldwijde vrijhandel temperen en staten verder vrij laat om zelf te beslissen over sociaal en economisch beleid. Hij put uit twee eeuwen economische geschiedenis om te laten zien dat zoiets werkt. De negentiende eeuw was een periode van economische stabiliteit omdat staten zich collectief hielden aan de goudstandaard en handelsmaatschappijen - qua omvang bijna staten op zich - hun handelsregels zelf vastlegden. Tijdens de tweede golf van globalisering, in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, vormden de Bretton Woods-afspraken - een combinatie van handelsliberalisering met voldoende speling voor nationale prioriteiten - voor een vergelijkbare inbedding van de wereldwijde markteconomie. Ook in de 21ste eeuw betekent sane globalisation: ruimte laten voor landen om zelf het niveau van sociale bescherming te bepalen en om sectoren waar de nationale economie op drijft af te schermen. De gunstige gevolgen daarvan heeft hij zelf ondervonden. Vader Rodrik had een balpenfabriek in Istanbul. Dankzij Turkse importtarieven werden goedkope pennen van de markt geweerd. Het leverde genoeg op om Dani in 1975 naar Harvard te sturen.
Komende week is Rodrik in Nederland om zijn boodschap te verkondigen aan een gezelschap Haagse beleidsmakers tijdens de jaarlijkse lezing die de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid organiseert. Een goed moment nu de leiders van de eurolanden de monetaire unie proberen te redden en tegelijkertijd een morrend nationaal electoraat tevreden moeten houden. En dat terwijl bij het geringste spoortje twijfel de financiële markten op hol slaan.
'Europa gold lange tijd als hét voorbeeld van succesvolle samenwerking op basis van transnationale afspraken’, zegt Rodrik. 'Ook ik heb lang gedacht dat de eurozone de uitzondering was die de regel bevestigde. Inmiddels blijkt ook Europa niet in staat nationale soevereiniteit, democratische legitimiteit en internationale economische integratie te kunnen combineren. Ik gebruik Europa nu ook als casus om studenten de paradox van globalisering uit te leggen. Wanneer economische globalisering over nationale politieke verschillen heen wordt gelegd, loopt het vroeg of laat spaak. Mijn verwachting was dat de Europese integratie op den duur zou leiden tot een vorm van politiek federalisme, vergelijkbaar met dat van de VS. De tragiek van Europa is dat het halverwege die weg wordt opgeslokt door een economische crisis waarvoor het niet zelf de hoofdverantwoordelijke is.’
Maar, hoofdverantwoordelijk of niet, de wijze waarop Europa de crisis vervolgens aanpakte was uiterst gebrekkig, vindt Rodrik: 'De nadruk op bezuinigen is een vergissing. Regeringsleiders hadden op de markten vooruit moeten lopen en behalve bezuinigingsplannen ook groeistrategieën moeten presenteren. In plaats daarvan krijgen we bezuiniging op bezuiniging, die leiden tot nog meer krimp.’
In de politieke ruk naar rechts die Europa maakt, met Spanje als laatste voorbeeld, ziet Rodrik eveneens bewijs dat nationale politieke legitimiteit de voorwaarde is voor internationale economische integratie: 'De staatssteun aan Griekenland, Ierland en Portugal geeft extreem-rechts meer dan voldoende munitie om op centrumpartijen te schieten.’ Toch gaat ook het politieke midden niet vrijuit: 'Middenpartijen hebben het verkeerde spoor gekozen. Europese integratie ging te snel om legitimiteit te verwerven, maar te langzaam om een echte Europese politieke gemeenschap te creëren. De fundamentele vraag is of Nederlanders, Duitsers en andere Europeanen bereid zijn om Grieken te zien als onderdeel van dezelfde politieke gemeenschap. Zonder dat gevoel van lotsverbondenheid is politieke eenheid onhaalbaar. Ook hier is politiek leiderschap van belang. Geen enkele natiestaat ontstaat uit zichzelf. Politieke gemeenschappen zijn verzonnen en de mensen verkocht. Maar zoiets kost tijd. En in crisisomstandigheden is die niet gegund.’
'Uiteindelijk betaalt Europa nu de kosten voor het verbreden van de Unie alvorens die te verdiepen’, vervolgt Rodrik. 'Iedere stap die een economische unie zet, moet politiek worden afgewogen door landen afzonderlijk. Er moet ruimte zijn voor politieke afwegingen binnen natiestaten, of het nu gaat om een uitgebreide verzorgingsstaat, protectionisme, korte werkweken, of wat dan ook. De keuze is dan simpel: óf nationale voorkeuren behouden, óf ze opgeven om lid te kunnen worden van een economische unie.’
Met de hete adem van de financiële markten in de nek is er voor een stapsgewijs politiek bouwwerk echter geen tijd. En dus kan Griekenland beter uit de eurozone vertrekken, meent Rodrik. En daarna? De econoom toont zich bezorgd. Hij vreest dat politiek extremisme dan vrij spel krijgt: 'De volgende nachtmerrie voor Europa’, noemde hij het in De Tijd. Daarom zegt hij: 'Centrumpartijen moeten een deel van het vocabulaire van rabiaat anti-Europese uitdagers overnemen. Als de Europese samenwerking in een lagere versnelling gaat, ontstaat daar ruimte voor. Ze moeten opnieuw leren uitleggen hoe ze de belangen van hun land denken te gaan behartigen.’


Donderdag 1 december houdt Dani Rodrik, samen met Financial Times-columnist Martin Wolf, de WRR-lezing 2011: Pursuing National Policies in a Globalized World in Crisis. Nieuwe Kerk, Spui 175, Den Haag, 14.00 uur


Foto: Vittorio Zunino Celotto / Getty Images