Griekenland

Griekenland: koning Konstantijn (1940)

Konstantijn II, koning der Hellenen, is een gemankeerd politicus. Dat hij in februari 2003 in Athene een herdenkingsdienst voor zijn ouders mocht bijwonen, is amper troost. Hij smacht naar rehabilitatie voor zijn koningschap dat slechts drie jaar mocht duren: van 1964 tot 1967.

Konstantijn is geen uitzondering. Zijn voorgangers waren ook geen succes. De Wittelsbachers uit Beieren moesten in 1862 het land ontvluchten wegens financieel wanbeheer. De dynastie van de prins van Holstein-Sonderburg-Glücksburg uit Denemarken was niet stabieler.

Konstantijn II was in Griekenland niet eens de grootste brokkenpiloot. Groot vader Konstantijn I en oom George konden er nog meer van. Na de Balkanoorlog was Konstantijn I in 1913 op de troon van zijn vermoorde vader gekomen. Hij maakte al na een jaar zijn eerste verkeerde gok. Hij koos voor de Duitsers en moest in 1917 onder druk van de anglofiele liberalen vluchten. Drie jaar later keerde hij na een plebisciet terug. Zijn zoon was gebeten door een aap en gestorven. In 1922 sloeg het noodlot echter weer toe. Rond de Smyrna hielden de Turken huis en dreven de Griekse bewoners op 26 augustus de zee in. Dertig dagen later verdreven de Grieken op hun beurt hun koning Konstantijn I.

Met zijn tweede zoon George ging het amper beter. Het onverdraaglijke feit dat de Grieken na de «Catastrofe» in Klein-Azië hun panhelleense «Grote Idee» moesten opgeven, werd hem in 1923 te veel. In 1935 mocht hij naar huis, zij het onder auspiciën van de fascistische generaal Metaxas en tot Duitsland het land in 1941 overrompelde. Dankzij de burgeroorlog tussen royalisten en communisten — en dankzij Stalin, die de Griekse kame raden boertige scharrelaars vond — werd Griekenland in 1946 opnieuw een monarchie. Paul, broer van George en vader van Konstantijn II, nam de zaak in 1947 over. Met geweld en verkiezingsfraude sleepte hij zich tot 1964 voort.

Konstantijn II was nauwelijks droog achter zijn oren toen hij zijn vader opvolgde. Hij zeilde liever. In 1960 had hij op de Spelen van Rome de gouden medaille in de dragonklasse gewonnen. Zijn moeder Frederika was de baas aan het hof. Zij was de spil in de intriges die in 1965 leidden tot een constitutionele coup. Zij was in 1967 heimelijk blij met de staatsgreep van een clubje kolonels. Zij was de inspirator achter de potsierlijke putsch op 13 december dat jaar waarmee haar zoon vanuit Kavalla de junta opzij wilde schuiven. Zij betreurde zijn fiasco en onverhoopte ballingschap een dag later. Zij moest meemaken dat de Grieken zich in 1974, na het verlies van Cyprus en de aftocht van de kolonels, per referendum uitspraken voor een republiek.

Mokkend zat Konstantijn decennia lang in Rome en Londen, voorbijgestreefd door zijn zwager Juan Carlos van Spanje, die in 1981 met kolonel Tejero in de Cortes deed wat hij nooit had gewild of gekund. Dankzij de Joegoslavische burgeroorlog vatte hij in de jaren negentig weer wat moed. Niet op tijd (namelijk december 1999), wel in het hol van de leeuw. In Princeton wreef hij een Amerikaans gehoor in dat de Verenigde Staten in Kosovo niet hebben bereikt wat ze hadden beloofd en nam het op voor de Serven (minus Milosevic).

Het was te laat. In 1994 was Konstan tijn II zelfs zijn paspoort en al zijn bezittingen op Griekse bodem kwijtgeraakt, genaast door de regering nadat de familie een jaar eerder een onverwacht bezoek had gebracht aan haar vreemde vaderland. Hem restte slechts een juridische tegenaanval. Hij dagvaardde de Griekse republiek bij het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Konstantijn won én verloor. Weliswaar bepaalde het Hof dat de regering van Griekenland hem niet had mogen onteigenen zonder een drachme compensatie. Er moest alsnog 13,2 miljoen euro worden uitgekeerd voor de landgoederen Tatoi, Polydendri en Mon Repos. Maar hij kreeg dat smartgeld slechts als Konstantijn van Holstein-Sonderburg-Glücksburg. Niet als Konstantijn, koning der Hellenen.