Griekenland en de crisis

Griekse tragedie

Europa is verontwaardigd over het bedrog waarmee Griekenland zijn positie binnen de EU wil bestendigen. Ze moeten het zelf maar oplossen, wordt gemompeld. Men negeert de Griekse geschiedenis.

Als het over de economische crisis gaat, is Griekenland sinds enige tijd de gebeten hond. De media berichten uitvoerig hoe corrupte politici al bij de toetreding tot de Europese Unie en later tot de eurozone een veel te optimistische voorstelling van zaken over hun economie en staatsbegroting hebben gegeven en hoe zij dit kunststukje de afgelopen jaren nog eens hebben herhaald. ‘Die Grieken’ hebben hun problemen aan zichzelf te danken en moeten dus op de blaren zitten. Dat zullen ze ook, zoals zij dat het grootste gedeelte van de vorige eeuw gewend waren.
Natuurlijk, de Griekse politiek lijkt in het verleden en ook recent bewust misleidende informatie gegeven te hebben om de entree en later de positie binnen de EU veilig te stellen. Dat zal consequenties moeten hebben voor de oplossingen die nu worden gezocht. Maar daarbij mag ook begrip voor de Grieken worden opgebracht.

Griekenland heeft zo'n vierhonderd jaar deel uitgemaakt van het Turkse Osmaanse rijk. In 1822 vond de opstand plaats die het begin betekende van een zelfstandige Griekse staat. De opbouw van het nieuwe Griekse territoir, op basis van historische grenzen en etnische dominantie, duurde tot na de Eerste Wereldoorlog en werd tot op de dag van vandaag eigenlijk niet voltooid. Een door de Engelsen halfslachtig gesteunde poging in 1922 om ook het antieke grondgebied in Klein-Azië te veroveren (de Megali Idea), werd door Kemal Atatürk hardhandig afgestraft en leidde tot de vlucht en repatriëring van ruim een miljoen Grieken uit Turkije.
Ook later was de slechte verstandhouding met de Turken aanleiding tot de verplaatsing van grote aantallen mensen. De laatste nog in de jaren vijftig toen pogroms in Istanbul en Smyrna het vertrek van ruim honderdduizend Grieken veroorzaakten. De spanningen in de andere Balkanlanden en de val van de Sovjet-Unie gaven eveneens aanleiding tot vluchtelingenstromen en repatriëring. Alles bij elkaar zijn tussen 1900 en 1990 meer dan vier miljoen etnische Grieken naar het oude land gemigreerd. Vergeleken met de oorspronkelijke Griekse bevolking rond 1830 van nauwelijks één miljoen is het niet overdreven te zeggen dat het Griekenland van de twintigste eeuw voor een groot deel uit 'Griekse allochtonen’ bestond. Met de grote verschillen in welvaart tussen arm en rijk zorgde dit bijna vanzelfsprekend voor grote interne spanningen, die zich ook uitten in de binnenlandse politiek. Er ontstonden scherpe scheuringen tussen koningsgezinden en republikeinen, tussen voor- en tegenstanders van de Megali Idea en tussen links en rechts. Deze tegenstellingen werden op het scherp van de snede uitgevochten en vonden, voor en na de Tweede Wereldoorlog, hun uitweg in enkele dictaturen en een burgeroorlog die honderdduizenden slachtoffers maakte.
Opvallend bij dit alles is dat de overheid min of meer afwezig was als pacificerende factor binnen de Griekse samenleving. Tot laat in de twintigste eeuw trad zij veelvuldig op ter bescherming van een kleine maar invloedrijke oligarchie. De basis daarvoor werd waarschijnlijk al gelegd bij de stichting van de Griekse staat in 1826. Er werd een relatief autoritaire Duitse bestuurstraditie geïntroduceerd in een land waar de bevrijdingsideologie sterk geïnspireerd was op elitaire ideeën over het grote antieke en Byzantijnse verleden. Dit elitisme werd een belangrijke factor in de stijgingskansen binnen het Griekse maatschappelijke systeem. Zo was de beheersing van het Katharevoussa - het kunstmatig ingevoerde, op het antieke Grieks gebaseerde Algemeen Beschaafd Grieks - een verplichting voor de toegang tot de universiteiten. Zo ontstond een vrij gesloten kring van gelijkgezinden die zich scherp onderscheidden van de onontwikkelde grote massa.
Daarnaast bestond er, eveneens vanaf het begin, een grote afhankelijkheid van het buitenland, zowel voor het voortbestaan van Griekenland als zelfstandige natie als voor de economische ontwikkeling. Dat leidde tot een politiek van concessies aan en bescherming van buitenlandse investeerders en enkele buitenlandse monopolisten, die ten koste ging van de egalitaire wensen van groeiende delen van de Griekse bevolking. Lonen werden bewust laag gehouden, sociale stijgingsmogelijkheden geblokkeerd en de belangenbehartiging van de arbeidersklasse en de agrarische bevolking stond onder directe controle van de overheid. Het gevolg was een sterke stijging van de aanhang van de linkse partijen, met name de communisten, en een verscherping van de tegenstellingen.
Regeren stond voor de bescherming van de traditionele Griekse waarden, waarvan de monarchie, de orthodoxie, de band met het antieke en Byzantijnse verleden en een radicaal anticommunisme de belangrijkste elementen waren. Het hoogtepunt en tegelijkertijd de karikatuur hiervan werd belichaamd door de junta, het kolonelsregime van 1967 tot 1974.
De kolonels pretendeerden met hun coup een dreigende machtsgreep door de communisten te voorkomen. Omdat hun eigen staatsgreep in een zeer beperkte kring van legerofficieren was voorbereid en weinig draagvlak in de Griekse samenleving had, namen zij onmiddellijk hun toevlucht tot een repressief beleid dat grote bevoegdheden gaf aan het leger, de politie en de geheime diensten. Deze kregen controlerende taken in het onderwijs (de universiteiten), de vakbonden, bij de media en in de politieke instituties. Het regime vervreemdde zich van praktisch elke maatschappelijke groep, zowel vriend als vijand. Te beginnen van de koning, die binnen een half jaar naar het buitenland was uitgeweken. Later van de kerk die het niet kon waarderen dat het regime zich met haar interne wetgeving bemoeide. Ook vervreemdden de kolonels zich van de zakenwereld, die inzag dat het beleid van de junta contraproductief uitpakte. En ten slotte verloor het regime na de catastrofale interventie in Cyprus in 1974 de steun van de belangrijkste bondgenoot, Amerika.
Ook de anachronistische, reactionaire visie van de junta op de samenleving stuitte op weerstand. Een voorbeeld is de sluiting van ruim tweeduizend lagere scholen in afgelegen gebieden en het verlagen van de onderwijsbegroting om de modernisering van de samenleving en daarmee het verval van de traditionele Griekse cultuur tegen te gaan.

Gelukkig leidde de val van het regime tot het inzicht bij linkse én rechtse politieke partijen dat de overheidsorganisatie op de helling moest. Het politieke klimaat na de kolonels veranderde ingrijpend en de Griekse samenleving moderniseerde aanzienlijk. Ze integreerde relatief probleemloos in Europa.
Maar er bestaat nog altijd een sterk wantrouwen tegenover de landen waarmee Griekenland gemeenschappelijke grenzen en een gemeenschappelijk verleden heeft. De oudere generaties dragen nog steeds traumatische ervaringen met zich mee. Het is een van de redenen waarom de voortdurende conflicten over de territoriale zones in de Egeïsche Zee, de kwestie-Cyprus en -Macedonië en de positie van de orthodoxe patriarch in Istanbul niet uitsluitend in rationele termen kunnen worden bediscussieerd. Ze roepen bij veel Grieken onderbuikgevoelens op. Een van de gevolgen is een buitenproportioneel grote defensiebegroting, die per hoofd van de bevolking tot de hoogste ter wereld hoort.
Een tweede spoor uit het verleden is de tweeslachtige houding van de meeste Grieken tegenover de politiek. Griekse burgers zijn gepassioneerde kiezers, maar zij hebben geleerd dat politiek en openbaar bestuur eerder een sociaal stijgingsvehikel of een banenmachine zijn dan een voorziening waarmee publieke taakstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Daar komt nog bij het grote belang van familiebanden in de Griekse maatschappij. Waar de overheid eerder als probleem dan als oplossing wordt gezien, vallen mensen terug op de eigen kracht van het individu (zoals in de VS) of op omarming van de familie. Grieken zijn gewend economische en sociale zekerheid te zoeken in de kring van familie en verwanten. Het percentage familiebedrijven is nog steeds het hoogste van Europa. Ouders besteden grote bedragen aan privé-onderwijs en investeren kapitalen om de toekomstige huisvesting van hun kinderen zeker te stellen. Hun vertrouwen in de overheid op deze gebieden is gering en dat vermindert het draagvlak voor belastingheffing en andere maatregelen die de financiering van overheidsvoorzieningen moeten garanderen.
Overigens is ook de oude rechts-linkstegenstelling nog volop aanwezig, zij het in mildere vorm dan vroeger. Ze wordt belichaamd in de rechtse ND en de linkse Pasok, die ieder 35 tot 40 procent van de stemmen opeisen. Daarnaast zijn er enkele kleinere, meer radicale partijen, waarvan het linkse deel, met een vrij sterke communistische aanwezigheid, zo'n tien procent van de kiezers aanspreekt. Het relatief sterke socialistische sentiment bij grote delen van de bevolking heeft overigens niet primair betrekking op de rol van de overheid, maar richt zich tegen het kapitalisme en zijn uitwassen en vaak tegen Amerika, als internationale voortrekker hiervan. De vakbeweging is tamelijk radicaal en agressief. Onderhandelingen beginnen veelal met stakingen en grootschalige demonstraties die in het centrum van Athene tot een ware plaag kunnen uitgroeien.

Terug naar de actualiteit. Griekenland zal de gevolgen van zijn begrotingspolitiek moeten bezuren, ook los van zijn verplichtingen binnen de EU. Een begrotingstekort van twaalf procent kan niet door leningen worden opgelost, maar vraagt - zeker bij onvoldoende economische groei - uiteindelijk om bezuinigingen en/of belastingverhoging. Dat zal ook gebeuren. De houding van de regering-Papandreou is vastbesloten en waardig. In het parlement heeft Papandreou zich bij voorbaat neergelegd bij de mogelijke politieke consequenties van zijn beleid: verlies bij de volgende verkiezingen. De eerste zichtbare maatregel is een onmiddellijke verhoging van de accijns op benzine. Andere maatregelen volgen: verlaging van de hogere ambtenarensalarissen, vermindering van het aantal ambtenaren en verhoging van de pensioenleeftijd. En dat in een land waar de salarissen gemiddeld twintig procent lager liggen dan in West-Europa.
De reactie van de vakbonden en een groot deel van de Griekse bevolking is dan ook voorspelbaar. Men stelt zich op het standpunt dat de crisis veroorzaakt is door de banken, de aandeelhouders en ieder ander die het marktmechanisme gebruikte zonder consideratie met de belangen van andere betrokkenen. Die moeten dan ook primair de last van de noodzakelijke maatregelen dragen.
De verontwaardigde reacties over het 'Griekse bedrog’ van elders uit de EU zullen weinig indruk maken, en dat is begrijpelijk. De Franse europarlementariër Daniel Cohn-Bendit vroeg zich onlangs af of iemand zich realiseerde hoe het spel van Europa en de Navo rond Cyprus en het lidmaatschap van Turkije de defensiebegroting van Griekenland tot onverantwoordelijke hoogte heeft opgestuwd. Om maar te zwijgen van andere structurele problemen, zoals de onophoudelijke stroom illegalen die via de Turkse route Griekenland binnenkomen, hetgeen Europa nauwelijks compenseert. Het cynisme van politieke leiders als het gaat om internationale problemen en hun oplossingen is bekend. Daar weten de door het egocentrische Europese en Amerikaanse landbouwbeleid getroffen ontwikkelingslanden van mee te praten. Griekenland wordt niet minder gedomineerd door nationaal eigenbelang dan andere landen, maar ook niet méér.
Misschien zou het vanuit die vaststelling de moeite waard zijn om wat dieper door te dringen in de omstandigheden waaronder de toetreding van Griekenland tot de EU indertijd heeft plaatsgevonden. De betrokkenheid van de Amerikaanse bank Goldman Sachs - hofleverancier van Amerikaanse bewindspersonen en regeringsadviseurs - bij het maskeren van de Griekse begrotingspositie doet de vraag rijzen of de Amerikaanse regering zelf niet rechtstreeks betrokken was bij de snelle integratie van Griekenland in Europa. Daarmee zou - na het mislukte en voor Amerika’s reputatie zeer schadelijke experiment met de militaire junta - op een meer legitieme manier de stabiliteit van het nog altijd strategisch gelegen Balkanland zijn gewaarborgd.
Griekenland heeft niet altijd fraai spel gespeeld binnen de Europese Unie, maar voor dédain is geen rechtvaardiging te vinden.