Grijs

Voor de grijze golf die gaat zorgen voor veel vertrekkers uit het politiekorps kunnen nieuwe jonge agenten met een migratieachtergrond worden aangenomen. Een win-winsituatie toch?

Over een kleine maand is het vijf jaar geleden dat de vorming van de Nationale Politie van start ging. Het samenvoegen van de regionale politiekorpsen tot één Nationale Politie ging niet van een leien dakje [lees het onderzoek ‘De dienst die alles zou oplossen’, red.], hetgeen onlangs nog een keer werd bevestigd door een officiële evaluatiecommissie. Toch blijft de gang van zaken bij de Nederlandse politie steeds weer verbazen.

Zo kwam op de dag dat de nieuwe minister van Justitie en Veiligheid, Ferdinand Grapperhaus, zijn begroting moest verdedigen het bericht naar buiten dat er bij de politie een tekort aan agenten dreigt. Korpsleiding, politiebonden en de politieacademie maken zich daar zorgen over, stond er in de Volkskrant. Goed getimede lobby, ben je dan geneigd te denken. Wat het ook absoluut was. Maar het bericht verbaasde ook. Omdat iedereen bij de politie die ook maar een minuutje nadenkt dit probleem had kunnen zien aankomen.

Het tekort aan agenten ontstaat doordat het politiekorps vergrijst. Als een werkgever iets weet van zijn werknemers, dan is het toch wel zijn of haar leeftijd. Dus weet de werkgever ook wanneer iemand met pensioen gaat. Dat verlaten van de dienst is door de verhoging van de pensioenleeftijd zelfs enkele jaren opgeschort, dus de mogelijkheid om op het vertrek van al die grijze hoofden te anticiperen is zelfs nog wat langer aanwezig geweest.

Door de vorming van één nationaal politiekorps moet er bovendien zelfs beter zicht geweest zijn op de leeftijdsopbouw binnen het korps dan toen er nog 26 regiokorpsen waren. Dat ze in het onderwijs, waar zich door de vergrijzing ook tekorten gaan voordoen, geen centraal overzicht hebben van de leeftijd van het personeel is begrijpelijk. Scholen vallen niet onder één Nationale School. Met een van de doelen van de vorming van de Nationale Politie, minder bureaucratische drukte, kan bovendien toch niet bedoeld zijn dat niet meer wordt vastgelegd hoeveel mensen er jaarlijks met pensioen gaan.

Het excuus voor het niet vooruitlopen op het vertrek van de grijze golf is geld. Door de bezuinigingen van de laatste jaren zou er onvoldoende geld zijn geweest voor de opleiding van nieuwe politiemensen. Het aantal aspirant-agenten dat jaarlijks op de politieacademie werd toegelaten, ging daardoor zelfs omlaag. Maar door de uitstroom van ouderen en een geringere instroom van jongeren zou je toch denken dat dit vanzelf tot grote bezuinigingen had geleid. Ouderen zijn immers duurder in salaris dan jongeren. Had de korpsleiding in Den Haag geen ‘lening’ op de toekomst mogen afsluiten om toch meer jongeren op te leiden, wetende dat het vertrek van al die ouderen uiteindelijk automatisch tot een besparing zou leiden?

Komt er toch iets goeds voort uit de niet-vooruitziende blik bij de politie?

Dit niet anticiperen roept verbazing op. Maar dat woord is te mild voor wat het geel gekafte zwartboek oproept, een boek waarin 26 politiemensen de sfeer in het korps beschrijven. Dat zwartboek doet je de haren te berge rijzen. Hoe kan het dat bij de politie zo vernederend wordt gesproken en gedacht over collega’s met een niet-westerse achtergrond?

‘Waar is die neger?’ hoort een politieagent zijn leidinggevende over hem zeggen. Anderen die hebben meegewerkt aan het zwartboek noemen de politieorganisatie ‘een incestueus systeem’ of zeggen dat het ‘wel een sekte lijkt’. Ook vrouwen, mannen die zich modieus kleden of gelovigen krijgen binnen het korps te maken met discriminerende opmerkingen.

De onaangename geur die uit het zwartboek van de politie oprijst, doet denken aan de soms zieke sfeer bij de landmacht of aan de ontgroeningstaferelen bij studentencorpora. Daar is het vernedering die soms zelfs gepaard gaat met geweld of verkrachting en waarvoor de daders lange tijd vrijuit gingen, omdat het er zogenaamd bij hoorde.

Uit de Jeugdmonitor van het Centraal Bureau voor de Statistiek die vorige week verscheen, blijkt dat zes op de tien jongeren in Den Haag een migratieachtergrond hebben – in Amsterdam ligt het cijfer net iets lager, op 58 procent. Tweederde van die jongeren heeft een niet-westerse achtergrond, al is het overgrote deel van hen wel geboren in Nederland. Als de politiesamenstelling een afspiegeling wil zijn van de samenleving, dan zullen nieuwe agenten veel meer dan nu een migratieachtergrond moeten hebben. Daarvoor zal dan wel de sfeer in het korps moeten veranderen, zodat agenten uit een andere cultuur of met een andere huidskleur zich niet meer gedwongen zien zich aan te passen aan het heersende klimaat of zich daaraan alleen kunnen onttrekken door op te stappen.

De grijze golf die gaat zorgen voor veel vertrekkers uit het korps kan dan tot een win-winsituatie leiden. Komt er misschien toch iets goeds voort uit de niet-vooruitziende blik bij de politie? Wat vertrekt uit het korps is voor het merendeel autochtoon, wat nieuw binnenkomt, kan dan meer en meer een andere culturele achtergrond hebben. Als minister Grapperhaus zijn belofte gestand doet om extra te investeren in personeel zijn dat dan bovendien meer nieuwkomers dan in de afgelopen jaren.

Een probleem is nog wel dat ‘jongeren geen agent meer willen worden’, zoals korpschef Erik Akerboom dit najaar op basis van een onderzoek van Motivaction zei. Dat jongeren niet bij de politie gaan, is niet alleen omdat er intern gediscrimineerd wordt, maar ook omdat het respect van burgers voor de politie is gedaald. Wie heeft er zin om zich voor een relatief laag inkomen te laten uitschelden en bekogelen? De politie niet als je vriend maar als je vijand. Voor Grapperhaus is er volop werk aan de winkel.