Hoofdcommentaar

Grijs licht

Op 19 april ontving minister Jacqueline Cramer van Milieu uit handen van Femke Bartels, campagneleidster klimaat en energie bij Greenpeace, een reusachtige energiezuinige kroonluchter. Het object komt in de hal van het ministerie te hangen als permanente vermaning aan politici en ambtenaren om werk te maken van energiebesparing.
‘De tijd is rijp voor een verbod op klimaatverstorende energieslurpers zoals de gloeilamp’, sprak Bartels: ‘Het is nu aan minister Cramer om in Europa te bepleiten dat verspillende producten ook daadwerkelijk uit de winkels verdwijnen.’ De minister ging voetstoots akkoord en kondigde aan met een wetsontwerp te komen dat de gloeilamp binnen vijf jaar moet uitbannen. Het is maar de vraag of dat ontwerp de Tweede Kamer haalt, laat staan passeert, maar de toon voor Cramers ministerschap is gezet. Net als haar voorgangers zal zij de milieuvoornemens uit de regeringsverklaring omzetten in symbolische maatregelen die de consument opzadelen met de waanideeën en slechte smaak van hogerhand. Alleen al de kroonluchter bewijst het.
Het ding is een ontwerp van de lichtkunstenaars van de firma Jozé ten Have, bekend van fijnzinnige lichtprojecten in grand cafés, kerken en huisartsenpraktijken, maar ook van orgastische lichtbakreeksen op vliegvelden en in kantoren waar niet op een wattje meer of minder wordt gekeken. De commercie heeft zijn eigen wetten en dus verbindt de V.O.F. Jozé ten Have graag zijn naam aan een campagne die publiciteit genereert. Maar voor de departementale vermaningsluchter van Greenpeace heeft de firma niet de moeite genomen eigen lampenglazen te blazen of bijzondere messingdelen te bestellen. Het is een conventionele halve bol van gelaste metaalstrips geworden waarin oude, kapotte gloeilampen op onregelmatige afstanden op dunne steeltjes zijn ‘ingestoken’ terwijl het eigenlijke licht afkomstig is van een binnenring van spaarlampen.
Met zijn letterlijk grauwe uitstraling is deze kroonluchter een vermaning aan de bezoeker hoe vreugdeloos en absurd het leven wordt als Greenpeace zijn energiebesparende, afvalscheidende, recyclende en koolstofvoetafdrukverminderende zin krijgt. De propaganda voor de spaarlamp is namelijk even onzinnig en moralistisch als de gemeentelijke afvalscheiding of het pan-Europese verbod op de chocoladesigaret. Die laatste maatregel, uit 2002, is karakteristiek voor de wezenloze bedilzucht van moderne overheden: men verbiedt een product dat lijkt op een ander product dan men eigenlijk zou willen verbieden. Het symbool wordt voor de zaak zelf aangezien, terwijl de maatregel louter dient om de goede bedoelingen van de wetgever te bewijzen. Als de laatste zijn missie serieus nam, zou hij ook chocoladeauto’s en -vliegtuigen (die aanzetten tot automobilisme en ongeremd vliegtoerisme), marsepeinen frietjes (stimuleren de vetzucht) en eigenlijk het hele sinterklaasfeest (dat leugen, bijgeloof en zelfs racisme heet te bevorderen) moeten verbieden.
Het afvalscheidingscircus in de Nederlandse gemeenten laat zien waartoe die moralistische aanpak leidt. De vuilverwerking wordt voorgesteld als een moreel probleem waarvan de kosten en lasten moeten worden gedragen door de individuele burger. De goedkope, efficiënte praktijk van weleer (alles-in-één-metalen-vuilnisbak) is vervangen door een peperduur, energieverslindend en anderszins milieubelastend systeem van plastic (sic) afvalbakken waarvoor driemaal zoveel ophaalwagens moeten worden ingezet terwijl het nut van de recycling van het meeste gescheiden afval minimaal is. In plaats van een stevig verpakkingenbesluit dat industrie en detailhandel dwingt tot een ander verpakkingsbeleid hebben we er een nieuwe afvalverwerkingsindustrie bijgekregen, gevoed door afvalscheidingsmaatregelen die de consument fysiek, financieel en moreel belasten.
De vraag waar dat statelijk moralisme vandaan komt is een hoofdstuk apart. Wie ooit getuige is geweest van de sluipende dementering van een medemens weet dat een van de eerste tekenen hierin bestaat dat de betrokkene zich niet meer bezighoudt met de grote lijn van zijn leven, maar zich concentreert op bijzaken en daaraan een buitensporige morele waarde verbindt. Misschien vergaat het de moderne natiestaat net zo: nu zijn natuurlijke leven ten einde komt door de mondialisering van de economie en andere grensoverschrijdende tendensen concentreert hij zich op ondergeschikte kwesties en verbindt daaraan zijn moreel prestige. Zie minister Camiel Eurlings van Verkeer en Waterstaat, die fietslessen voor bejaarden wil invoeren omdat zoveel ouden van dagen worden aangereden. God verhoede dat onze wegenbouwers, transportbedrijven of autofabrikanten hiervoor ook maar enige verantwoordelijkheid zouden dragen, om maar te zwijgen van de flexeconomie die ons maant in steeds sneller tempo te bewegen, produceren en consumeren. Nee, onze bejaarden zijn schuldig aan hun eigen ongeluk; zij moeten beter leren fietsen. De minister wil ‘fietsdocenten’ opleiden en natuurlijk straks een heus fietsexamen invoeren. Zo wordt weer een nieuwe industrie geschapen om een denkbeeldig probleem te ondervangen.
En hoe milieuvriendelijk zijn die honderden miljoenen spaarlampen die inmiddels in de hele wereld verkocht zijn? De kwestie is nooit grootscheeps (vergelijkend) onderzocht. Niemand vraagt zich ook af waarom die lampen na gebruik als chemisch afval moeten worden behandeld. De reden is dat een spaarlamp eigenlijk een opgevouwen tl-buis is en net als een gewone tl-buis een kleine hoeveelheid kwikdamp bevat, een euvel waaraan de gewone gloeilamp niet lijdt. Over een jaar of twintig ontdekken we wellicht dat we een kwikprobleem van formaat hebben. Intussen is wel het grijze licht van de negentiende-eeuwse genrestukken (Viskotter op het Scheveningse strand) met zijn associaties van armoede, onderdanigheid, godsdienstige berusting en intellectuele versuffing over heel Nederland vaardig geworden.