Grijs of meer helder weer

Een halfjaar geleden heb ik mijn moeder begraven, op De Nieuwe Ooster. De namen van het echtpaar naast haar zal ik niet noemen, want die behoren mogelijk tot mijn lezersgroep – ze leven namelijk nog. Iedere keer dat ik mijn moeder bezoek, zie ik dat ze een extra versiering aan hun grafsteen hebben toegevoegd. Zo waren hun geboortedata er eerst alleen ingekerfd, maar zijn die inmiddels goud gekleurd.

Mijn vader heeft gezegd dat de keuze tussen verschillende grafstenen een keuze is tussen verschillende vormen van wansmaak, en daar ben ik het mee eens. Het gevolg is dat mijn moeder na zes maanden nog steeds geen grafsteen heeft, maar slechts een bordje. Ook dat bordje vonden mijn vader en ik wanstaltig, dus dat hebben we laten vervangen. In meer sobere letters valt daar nu op te lezen dat mijn moeder negenenzestig jaar is geworden, en zowel in Amsterdam geboren als gestorven is.

Het graf van het echtpaar wekt mijn irritatie, omdat er een niet te onderdrukken verheugenis uit lijkt te spreken over wat komen gaat. Toch ben ik ze ook dankbaar, omdat ik voor één keer niet hoef te doen wat ik op mijn wandeling door De Nieuwe Ooster onophoudelijk doe: sterfteleeftijden berekenen. Mijn moeders graf ligt aan de achterzijde van de begraafplaats, wat maakt dat ik tegen de tijd dat ik bij haar gedeelte ben aangekomen al volkomen duizelig ben van alle voorbijgekomen data.

Bovendien kan ik het op die momenten niet laten om op zoek te gaan naar jonggestorvenen. Wanneer je goed oplet, blijken daar veel van te zijn. Het merkwaardige effect is dat je na verloop van tijd ophoudt medelijden te hebben met mensen die wel de vijftig hebben bereikt. Tijdens mijn laatste bezoek realiseerde ik me dat begraafplaatsen waarschijnlijk ook niet bestemd zijn voor medelijden, maar juist dienen voor het ervaren van eigen leed.

Het zijn plekken die functioneren als plaats buiten het leven zelf, waar het begrip tijd om die reden een geheel andere rol speelt. Als iets dat plots geen einde meer kent, en zo beschouwd niet langer bestaat. In die tijdloosheid hoor je als levende geloof ik één ding aan te treffen: rouw, en bijgevolg een bepaalde mate van troost.

In de dagen vlak na mijn moeders dood zijn er veel mensen naar me toegekomen met ongevraagd advies over rouw. Zo vertelde mijn bedrijfsleidster in het voorbijgaan dat haast alles slijt in dit leven, maar de pijn die ik nu ervoer niet. Iemand anders belde met de mededeling dat het verdriet soms afwezig lijkt te zijn, om vervolgens op volle sterkte terug te keren en je met de grond gelijk te maken.

Die opmerkingen hebben me erg verbaasd, om te beginnen vanwege het feit dat iedereen me leek te willen vertellen dat me iets bijzonder universeels te wachten stond. In wezen heb ik maar één ding ervaren in de periode na mijn moeders overlijden, en dat is dat het allemaal verschrikkelijk eenmalig is en daarom verschrikkelijk individueel. De rest van mijn verbazing hield verband met de aanname dat ik op dat moment van alles aan het voelen zou zijn: pijn, verdriet, gemis.

De realiteit is dat je eerst iemands afwezigheid moet aanvaarden, voordat je aan deze gevoelens toekomt. Ik kom aan niets van dit alles toe, aangezien ik tot op de dag van vandaag maar niet begrijp waar mijn moeder is. Vandaar dat ik zo nu en dan haar graf bezoek, om mezelf eraan te herinneren dat ze nergens is. De tragiek is alleen dat ik die plek zo slecht ken, het nergens, waardoor mijn visites aan de begraafplaats deze verwarring enkel versterken. En zoals iedereen die lang zoekt zonder ergens op te stuiten, begin ik langzaam rondjes te draaien: tussen graven van anderen, van wie ik wel begrijp dat het erg is, van wie ik wel inzie dat ze je nooit zullen vertellen waar ze zijn.

Hoelang een mens moet zoeken voordat-ie inziet dat er niets te vinden valt, weet ik niet. Soms kijk ik omhoog, en het enige wat ik zie is een grijze of meer heldere lucht. Helder weer blijft mijn voorkeur houden, maar het grijs lijkt beter te kloppen: een toestand waarin je aftast en aftast, zonder ooit echt iets te voelen.