Joost Zwagerman

Grijs uit roeping

Joost Zwagerman, Zes sterren

Uitg. De Arbeiderspers, 210 blz., € 15,95

In Julian Barnes’ Flauberts papegaai (1984) bezoekt de ik-verteller, een arts op leeftijd wiens kinderen het huis uit zijn en wiens vrouw is gestorven, Rouen en andere plekken waar Flaubert gewoond en gewerkt heeft. Hij is bezeten van het verlangen de waarheid over Flauberts leven vast te leggen, tegelijkertijd beseft hij dat hij zichzelf een onmogelijke opdracht heeft gesteld. Met grote precisie boekstaaft hij documentaire feitjes over Flaubert, maar steeds pregnanter glimt daar tussendoor het raadsel op van de overleden echtgenote. In haar promiscuïteit had deze Ellen wel iets weg van madame Bovary. Ze had verschillende minnaars, wat haar man wel wist maar eigenlijk ook niet. «Ellens verhaal is een waar gebeurd verhaal; misschien is dat zelfs wel de reden waarom ik u in plaats daarvan het verhaal van Flaubert vertel.»

Reminiscenties aan deze roman drongen zich op bij het lezen van de nieuwe roman van Joost Zwagerman, Zes sterren. Niet alleen omdat vanaf de eerste bladzijde Flaubert, Rouen en madame Bovary een rol spelen, maar ook vanwege het spiegelende vertelprocédé dat Zwagerman toepast om de waarheid over een geliefde overledene te achterhalen. Want wiens verhaal vertelt hij nu eigenlijk uiteindelijk?

In Zes sterren is de verteller de 26-jarige Justus, wiens vroegoude bestaan wordt opgeschrikt door de plotselinge dood van zijn oom Siem. Deze oom was niet alleen als een vader voor hem, ook was hij zijn werkgever. Oom Siem was hoofdredacteur van het tijdschrift Goedemorgen, een blad over de hotelbranche, met een oplage van tweehonderdduizend. Op zijn twintigste kwam Justus bij hem in dienst en samen bereisden ze de C-wegen van Nederland om het typisch provinciaalse hotelwezen in kaart te brengen. Middels beoordelingen van het verblijf in zo'n hotel, inclusief een sterrentoekenning, lokten ze hoteliers in hun advertentiefuik. Flaubert, met zijn sardonische beschrijvingen van het dorpsleven, vormde voor oom Siem een constante bron van inspiratie. Justus hoopte die voorliefde van zijn oom te kunnen gebruiken om hun werkveld uit te breiden naar Rouen en omgeving. Hij zat midden in zijn verkenningen aldaar, toen hij het bericht van zijn ooms dood ontving.

Tot zover de bare facts. Dat zijn oom er «zomaar» tussenuit is geknepen met behulp van een batterij aan overjarige pillen is voor Justus aanleiding zijn oom en hun band opnieuw te bezien. Op een rustige, bijna bedaarde toon vertelt Justus over hun gedeelde levens en «onthult» hij stukje bij beetje het hoe en waarom van de zelfmoord van zijn oom. Het intrigerende van de aanpak van Zwagerman is dat naarmate het raadsel van de oom wordt opgelost, het raadsel van het neefje groter wordt. De verteller legitimeert zijn eigen schimmigheid met het sensationele levenseinde van de ander. Tegelijkertijd is hij continu aan het woord, onderhoudend, alsof iemand op de nachtboot van Rotterdam naar Hull een gesprek met je aanknoopt, al gauw vertelt een zeer merkwaardig man te hebben gekend en vervolgens niet meer ophoudt je alles over deze afwezige figuur te vermelden. Waartoe? Het is een beetje psychologie van de koude grond, maar toch: om vooral niks over zichzelf te hoeven vertellen.

De tragiek van het bejaarde neefje, opgegroeid in een kleinburgerlijk milieu met een dominante vader en een neurotische moeder, dat geen groter verzetje kende dan uit logeren te gaan bij zijn oom en tante en jungletje te spelen in hun bed, wordt naarmate het verhaal van de oom vordert pregnanter. Met het verdwijnen van zijn aanvankelijk kunstzinnige aspiraties en het toetreden tot zoiets oubolligs als de redactie van een hotelblad lijkt ook alle hoop op enige persoonlijke sjeu in zijn bestaan voorgoed vervlogen. Vriendschappen? Verlangens? Seks? Op enkele vage toespelingen na lijkt er geen leven voor Justus bestaanbaar buiten Goedemorgen en buiten zijn oom. «Dankzij hem kon en mocht ik weg. Goedemorgen was het perfecte goochelaarsmateriaal voor de verdwijntruc. Ieder hotel was een hoge hoed. Met een incheck wiste je jezelf uit.» Justus is voorgoed de partner in crime van zijn oom; er zijn geen grenzen aan zijn solidariteit, zelfs niet na zijn zelfmoord, en zélfs niet als hij moet vaststellen welke rol hij heeft gespeeld in zijn leven.

De wijze waarop Zwagerman zonder nadruk zijn antiheld Justus niet in het voor de hand liggende scenario van woede of wrok doet belanden maar trouw laat blijven aan de nagedachtenis van zijn oom, maakt Zes sterren tot een roman die, evenals Barnes’ roman, op een getrapte manier ontroerend is. Zowel in thematiek als vertelstijl ademt het boek een grote sereniteit, al schemert soms in Justus’ boutades over Nederland en zijn dorpsbewoners de stem door van de geroutineerde columnist Zwagerman. Het is een verademing om een Nederlandse roman te lezen die niet ten onder gaat aan overspannen beeldspraak, maar die in precies en puntig proza, helder als fris gesteven vitrages, middelbare huwelijksmisère en klein provinciaal ongeluk tot leven weet te wekken. Zwagerman weet aannemelijk te maken dat het grijze kind Justus grijs is uit roeping en geeft hem daarmee de allure van een ontsnappingskunstenaar. Zozeer dat hij zelfs zijn oom hierin uiteindelijk achter zich laat.