Annette Pehnt Eiland 34 Haus der Schildkröten

Grijsaards en hun bezoekers

Annette Pehnt
Eiland 34
Uit het Duits vertaald door John Breeschoten
Contact, 158 blz., € 16,90

Annette Pehnt
Haus der Schildkröten
Piper, 183 blz., € 16,90

Het schrijverschap van Annette Pehnt vertoont duidelijk progressie. Deze nog relatief jonge Duitse schrijfster is dit najaar met twee romans op de boekenmarkt. Hier is de Nederlandse vertaling verschenen van Insel 34, een roman die in 2003 in Duitsland werd uitgegeven. En bij de oosterburen ligt nu Pehnts jongste literaire werk in de boekwinkel, Haus der Schildkröten. Deze roman, haar derde, is beduidend interessanter en beter geschreven dan Eiland 34.

Het lezen van Eiland 34 wekt de vraag op: waarom doe ik dit? De roman is niet amusant, niet boeiend en er is geen moment van herkenning. Een jonge vrouw heeft een passie ontwikkeld voor een groep eilanden die geen naam maar wel een nummer hebben. Haar doel is eiland 34, het verste eiland, maar bereiken zal ze het niet. Aan het slot van de roman zal ze het in de verte zien liggen. Wel vertoeft ze enige tijd op de eilanden 28, 32 en 33. Er wonen vreemde mensen met een vreemde taal. De vrouw, een taalkundige, wil de slotconsonanten van die taal bestuderen, maar uiteindelijk leert ze vooral doedelzak spelen.

Wie de Nederlandse vertaling leest, zal ook niet onder de indruk raken van Pehnts stijl. Die indruk is niet geheel terecht. Wie de vertaling naast het origineel legt, zal bemerken dat die vertaling hier en daar gebreken vertoont.

Dat Pehnt wel degelijk goed kan schrijven, bewijst ze in Haus der Schildkröten. Niet alleen is haar stijl bewonderenswaardig, maar ook haar thema is boeiend en zeer ter zake doend. De roman gaat over de frustrerende en trieste relatie die ontstaat tussen ouders en kinderen zodra de gebrekkige, hoogbejaarde vader of moeder in een verzorgingstehuis wordt ondergebracht. De volwassen kinderen hebben een slecht geweten, wat hen ertoe brengt vader of moeder wekelijks te bezoeken. Tegelijkertijd worden deze bezoeken als een lastige en slopende plicht ervaren, want de verbitterde moeder is nooit tevreden en de demente vader herkent zijn eigen zoon niet.

Pehnt is een goede, meevoelende waarneemster. Haar beschrijving van de deprimerende sfeer in Haus Ulmen, waar de oudjes door de gangen sloffen, al dan niet op weg naar het knutseluurtje of het dansclubje, of in de hal bij de draaideur zitten, wachtend op bezoek dat nooit komt, is heel treffend. De lezer bevindt zich in een herkenbare wereld van verwarde en hulpeloze mensen die zich vastklampen aan een verleden dat voorgoed voorbij is, van verzorgend personeel dat van kamer naar kamer spoedt en weinig tijd heeft voor de individuele bejaarde, en een leiding die meestal onzichtbaar blijft. De lezer zal net als een van de personages in de roman verzuchten: voordat ik daar word opgenomen, pleeg ik zelfmoord.

Pehnt beperkt zich niet tot de generatie grijsaards die wacht op de dood. Er is ook de generatie van de bezoekers, waartoe Ernst en Regina behoren. Ernst is een gescheiden man die zijn dochtertje Lili mist. Elke dinsdag bezoekt hij zijn vader, een professor die nog altijd denkt, leest en schrijft, ofschoon hij zijn verstandelijke vermogens al enige tijd geleden heeft verloren. Regina is een eenzame vrouw die ook elke dinsdag haar moeder bezoekt. Die eens zo chique dame kan zich nauwelijks bewegen, kan ook niet meer spreken, maar toch ontgaat haar niets. Pehnt vertolkt haar woedende, bittere gedachten en gevoelens.

Ernst en Regina delen hetzelfde lot, en dat drijft hen in elkaars armen. Hun relatie berust echter meer op lust dan op liefde en wordt bovendien sterk bepaald door hun deprimerende ervaringen tijdens de wekelijkse bezoeken in Haus Ulmen. Ze willen zich tijdelijk van die plicht bevrijden en gaan samen op vakantie in Maleisië. En hoezeer Ernst ook bezweert dat het verpleegtehuis nu voor enkele weken aan de andere kant van de wereld ligt, Regina kan er niet van loskomen. Op de vraag wat ze het liefst op een eenzaam eiland mee zou nemen, antwoordt ze: mijn moeder. Dit niet kunnen loskomen van wat ze stiekem hebben achtergelaten dreigt hun vakantie en relatie te bederven.

Ernst trekt er teleurgesteld alleen op uit, bezoekt een boeddhistische tempel met een gouden koepel en belandt op een binnenplaats met beneden een groene poel met honderden schildpadden die over elkaar heen scharrelen. Een schildpad probeert omhoog te kruipen, maar valt terug op zijn rug. En daar hij niet in staat is zichzelf om te draaien, zal hij moeten sterven. Met deze metafoor zijn we terug bij de hulpeloze oudjes in het tehuis.

Er is maar één persoon die de naargeestige atmosfeer in Haus Ulmen kan doorbreken, en dat is de vijf jaar oude Lili. Zij vindt het leuk om opa te bezoeken en ziet niet zijn gebreken. En ofschoon de demente professor Lili verwart met zijn overleden vrouw Anna brengen de vrolijkheid en onbevangenheid van het meisje enig licht in zijn bestaan. Hier ontstaat even iets van dankbaarheid, een menselijk gevoel dat in het tehuis eigenlijk steeds ontbreekt.