Het zwart-witdenken over de Tweede Wereldoorlog heeft afgedaan

Grijsdenken

Het zwart-witdenken over de Tweede Wereldoorlog heeft afgedaan. Nederland is in de ban van grijs. Is deze visie op het verleden een nieuw moreel dogma?

Tijdens een debat over «goed, fout en de zin van herdenken» liepen de gemoederen vorige week in een zaaltje in Utrecht hoog op. De twee hoofd sprekers, Hans Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), en historicus Chris van der Heijden, bespraken de valkuilen van de historiografie over de periode ’40-’45. Toen Van der Heijden zich liet ontvallen dat de jaarlijkse herdenkingen een soort folklore zijn geworden, zei socioloog Jolande Withuis vanuit de zaal: «Jij reduceert met je cynisme alles tot nul.» Iemand anders riep: «Straks wordt de holocaust bij de herdenking niet meer als uitgangspunt genomen, omdat het in het grote geheel maar bijzaak was.» Historicus Ido de Haan poneerde: «We benoemen hier de waarden die we als samenleving met elkaar delen, maar ondertussen laten we op dit moment 26.000 mensen deporteren.»

Hoewel Blom en Van der Heijden duidelijk maakten dat bij geschiedschrijving de band tussen een analytisch wetenschappelijk perspectief en een politiek-moreel perspectief langzamerhand doorbroken is, getuigden de reacties tijdens deze avond in Utrecht van het tegendeel. Als het over de oorlog gaat, speelt de subjectieve invalshoek nog altijd een grote rol. Van der Heijden zei ter inleiding van zijn betoog nadrukkelijk over zijn persoonlijke achtergrond «dat het niet geheel toevallig is dat hij en Hans Blom beiden zijn getekend door de oorlog, vanwege een foute vader en, in het geval van Blom, een foute grootvader». Na afloop zei een aanwezige: «De analogie van Van der Heijden is vals. Zijn vader was lid van de Waffen-SS, terwijl het bij de grootvader van Blom om een licht geval ging.»

Het debat in Utrecht is typerend voor het actuele klimaat ten aanzien van de oorlog. Over de dodenherdenking hangt de kleur grijs. Bevrijdingsdag wordt gerelateerd aan ons asielbeleid en de wijze waarop omgesprongen wordt met moslims.

Op zich is de neiging tot het spiegelen van het verleden aan het heden niet nieuw. Dat is mede de functie van herdenken. Wél nieuw is het perspectief. De bezettingsjaren zijn een wankel moreel ijkpunt geworden. Met het zwart-witparadigma is definitief afgerekend. Dit domineerde decennialang de visie op de oorlog, vooral door Loe de Jongs epos Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1969-1991) en Jacques Pressers boek over de jodenvervolging Ondergang (1965). De Jong legde strenge normen aan en kwam tot een lage schatting van het aantal verzetslieden. Presser was van mening dat de geschiedwetenschap onvermijdelijk gepaard gaat met subjectiviteit en dus met stellingname.

Deze morele beoordeling in termen van goed en kwaad is nu niet meer aan de orde. Nuchterheid en nuance deden binnen de academische wereld al langer opgang, onder meer door oraties van de historici Hans Blom en Jan Bank uit 1983. Voor een breder publiek werd de verregaande relativering voor het eerst uiteengezet in het boek Grijs verleden (2001) van Chris van der Heijden. Hij schetst de Nederlanders zelfs als volgt: «Het zou te ver gaan te zeggen dat het Befehl ist Befehl net zo diep in de Nederlandse samenleving doorgedrongen was als bij de buren, maar de verschillen waren eerder relatief dan principieel, eerder een kwestie van vorm dan van inhoud. Ook in Nederland werd gehoorzaamd, zij het op een subtiele, indirecte wijze.»

Het beeld van een zootje schipperende slappelingen die toelieten – of actief eraan meehielpen – dat driekwart van de joodse medeburgers werd gedeporteerd naar de vernietigingskampen is dominant geworden. We waren geen dapper, strijdbaar volk dat weerstand bood aan de nazi’s. Het handjevol verzetslieden bestond niet uit helden maar uit avonturiers. Ze pleegden min of meer bij toeval verzetjes, die bovendien vaak contraproductief uitpakten. Collaborateurs handelden vanuit ongeveer dezelfde toevallige omstandig heden, maar dan aan de verkeerde kant.

Sinds Van der Heijden het begrip «grijs» lanceerde, heeft zijn visie wortel geschoten, zowel in de geschiedwetenschap als in de politiek en de journalistiek.

Twee weken geleden verscheen de studie Academische illusies van de Groningse historicus Klaas van Berkel, waarin hij probeert «het zwart-witdenken over de universiteit in oorlogstijd te doorbreken». Hij deed onderzoek naar het wel of niet tekenen van de loyaliteitsverklaring in het voorjaar van 1943 door studenten aan de Groningse universiteit. Het is volgens hem niet aan de historicus om zich voor deze of gene partij uit te spreken. Maar hij concludeert wel «dat zij die het standpunt huldigden dat ‹tekenen› het minste van de twee kwaden was ten onrechte toen en later als morele collaborateurs zijn afgeschilderd». Hoewel Van Berkel geen oordeel wil vellen, doet hij dat indirect wel. Negentig procent van de studenten weigerde, moest onderduiken of werd te werk gesteld in Duitsland. Voor de tien procent die zich wél loyaal aan de Duitsers toonde, lijkt Van Berkel het te willen opnemen.

Een ander voorbeeld is de speech van premier Balkenende op 16 maart ter gelegenheid van de opening van het nieuwe Holocaust Geschiedenis Museum in Jeruzalem. Hij bood zijn excuses aan voor de laffe rol die «onze gezagsdragers in de Tweede Wereldoorlog hadden gespeeld bij de deportatie van de Nederlandse joden». Hij noemde het een «pikzwart hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis» en typeerde de houding – ook na de oorlog – als «onverschillig en kil». Hoewel koningin Beatrix tien jaar eerder in Israël al iets dergelijks had gezegd, werd zijn rede gezien als een historisch moment. Natuurlijk doet zijn gebaar recht aan het lot van de Nederlandse joden. Maar het laat ook zien dat kennelijk nu pas de tijd rijp is om boetekleed politiek te bedrijven. Het sluit aan bij een drang alles uit die periode te reduceren tot één pot nat: het hele Nederlandse volk was eigenlijk fout.

Hoe het zwart-witschema wordt omgekeerd, illustreert een publicatie over Jan Campert in NRC Handelsblad van 19 februari. Daarin wordt de illusie van Nederlands grootste verzetsdichter doorgeprikt als «een relaas dat pijnlijk anders is» en dat «raakt aan het laatste taboe van de oorlog: de onderlinge liquidaties binnen het verzet». Camperts dood in januari 1943 zou niet het gevolg zijn geweest van de erbarmelijke omstandigheden in kamp Neuengamme. Volgens de overtuiging van de auteur van dit artikel was Campert omgebracht door het verzet omdat hij zich in het kamp had ontpopt als matennaaier. De presentatie van deze «onthulling» (ze werd op 16 april met een tweede artikel in feite weersproken) laat zien dat méér wordt gepoogd dan zuiver journalistiek herstel van de waarheid. Cam perts beeld werd geretoucheerd tot iemand die trachtte zijn eigen hachje te redden: «fout».

Deze drie voorbeelden roepen vragen op. Schiet de drang tot relativering niet door? Worden de slachtoffers en mensen die wél kozen niet weggemoffeld in dit brede massaperspectief? Een aantal historici gespecialiseerd in de Tweede Wereldoorlog heeft daar een duidelijke mening over: het doorbreken van de oude mythe en deze vervangen door een grijs beeld kan doorslaan naar een nieuw dogma. Hans Blom vindt dat Van der Heijden in het moraliserende paradigma blijft maar dan met als conclusie: grijs.

Johannes Houwink ten Cate, hoogleraar en directeur van het Centrum voor Holocaust en Genocide Studies, stelt: «Met de kleur grijs probeert een generatie van babyboomers de handen in onschuld te wassen door een hele generatie van ouders en grootouders moreel bankroet te verklaren. Als je beweert dat die periode eigenlijk getuigt van een grijze moraal, dan zeg je ook: zíj deden het fout en wíj gaan het goed doen, want wij omarmen de doctrine van de mensenrechten. Relativeren van goed en kwaad draagt het gevaar in zich van revisionisme. Je verliest juist de historische nuance uit het oog, door te stellen dat de hele groep laf was en niks deed voor de joden. Je suggereert dat iedereen op eenzelfde manier voor een politieke keuze werd gesteld. Maar een boer in de Achterhoek leefde heel anders dan een politieman in Amsterdam. Het is mij overigens een raadsel hoe de anders bekwame collega Blom aanvankelijk geloof heeft kunnen hechten aan het buitengewoon onwaarschijnlijke verhaal over Jan Campert uit tweede hand. Hij was blijkbaar slecht ingelicht. Directe moord, zonder toestemming van de SS in de kampstaf, is grootspraak.»

Volgens Houwink ten Cate gaan mensen voortdurend aan de haal met het verleden: «De geschiedenis is een echoput van wat je over het heden wilt zeggen. Al eerder, in de jaren tachtig, werd geschreven over passief daderschap: de treinmachinisten, de politiemannen die vanuit hun functie meededen aan het afvoeren van joden. Ik zou dit gedrag niet typisch Nederlands willen noemen, maar eerder de houding van mensen die leven in een dictatuur. Door een verdeel-en-heerspolitiek voelen mensen zich machteloos en bang. Straks is iedereen door niks te doen fout geweest. De grens tussen dader en slachtoffer wordt vager. De vraag is: wat heb je er allemaal nog aan?»

Jolande Withuis, verbonden als onderzoeker aan het NIOD, typeert het grijsdenken als een soort cynisme: «Van der Heijden beweert eigenlijk dat het niet zo veel uitmaakt; goed, fout, men was grijs en redde zijn hachje. De mens is nou eenmaal een modderaar met allerlei tekorten. Pas na de oorlog werd de oorlog erger gemaakt dan hij in werkelijkheid was. Je gaat daarmee voorbij aan de slachtoffers, maar ook aan de daders. Ik vind dat modderig: wetenschap hoort scherp en helder te zijn, en vanuit die scherpte en dat heldere bewustzijn van wat je doet en waarom kun je de complexiteit en nuance te lijf gaan. Maar je mag niet met een verborgen missie doen alsof je als wetenschapper orde aanbrengt in de feiten. Zelf heb ik jaren geleden, ver voor Grijs verleden, geschreven over de verkrachtingen door soldaten van het Rode Leger en over misbruikte ondergedoken meisjes. Dat goed niet in alle opzichten goed is, is een belangrijk inzicht. Je haalt je daarmee veel woede op de hals. Maar dat is iets anders dan wat Van der Heijden doet; hij is niet helder over zijn eigen drijfveren. Hij maakt ervan dat goed-in-de-oorlog niet bestaat. We moeten niet vergeten dat de oorlog in sommigen het allerbeste naar boven heeft gebracht.»

Chris van der Heijden reageert: «Op het moment dat je grijs als een nieuwe maatstaf gaat aanleggen, en gaat toepassen op het heden, wordt dat inderdaad eng. Ik houd helemaal geen pleidooi voor grijs, waarbij ik de goede en foute mensen zou willen relativeren. Ik ontken ook nooit dat mijn vader zo fout was als een deur. Met grijs duid ik de moraal van toen aan. Na de oorlog hebben we een beeld gecreëerd van zwart-wit om onze democratie tot stand te kunnen brengen. Deze benadering is voorbij.»

Over zijn historiografische standpunt zegt hij: «De oorlog na de oorlog volgt het ritme van de samenleving als geheel. Waar het mij om gaat is een realistisch mensbeeld waarin ruimte is voor het grijs tussen zwart en wit. Waar Loe de Jong scherpe lijnen aanbrengt tussen helden en schurken zie ik mensen met al hun zwakheden, aarzelingen en kleinheden. Als een samenleving onder druk staat, wordt dat allemaal versterkt. Hoe dat uitpakt, wordt pas achteraf beoordeeld als goed en fout. Daar verzet ik me tegen. Bijna niemand is helemaal zwart of helemaal wit. Je moet juist alert zijn op de zwarte kanten in je ziel. Dit ontkennen vind ik hypocriet en gevaarlijk. We hebben trouwens nog steeds diezelfde zwart-witmoraal. We praten over tolerantie en verdraagzaamheid, maar discrimineren er in de praktijk op los. Alleen iedereen denkt altijd van zichzelf dat hij wit is en de ander zwart.»

De Leidse historicus Bart van der Boom schreef na het uitkomen van Grijs verleden het boek We leven nog: De stemming in bezet Nederland. Hij onderzocht op basis van dagboeken en Stimmungsberichte (verslagen van de Duitse en Nederlandse autoriteiten over de stemming in het land) hoe er werd gedacht over de bezetter. Hij constateert een discrepantie tussen gedrag en denken. Volgens hem slaat Van der Heijden de plank mis als hij stelt dat wie zich niet verzette min of meer pro-Duits was, of in ieder geval onverschillig: «Uit mijn onderzoek blijkt juist dat de meeste mensen vanaf het begin zeer anti-Duits waren. Maar tegelijkertijd voelden ze zich volkomen machteloos. Ze betwijfelden het nut van verzet, en dat is begrijpelijk in de eerste jaren van de oorlog, toen er van deportaties nog geen sprake was.»

Volgens Van der Boom moraliseren grijsdenkers net zo als De Jong, alleen in de omgekeerde richting: «De Nederlanders worden veroordeeld als een stelletje lamzakken. Voor de meeste mensen zou de oorlog eigenlijk niks hebben voorgesteld. Dit is een nieuw clichébeeld, dat evenzeer afstaat van de historische werkelijkheid. De slinger is doorgeslagen van zelfverheffing naar zelfverguizing. Dat zie je ook als het gaat om dé vraag van de bezetting: hoe komt het dat er zo veel joden uit Nederland zijn gedeporteerd? Het is inmiddels een ingeburgerd idee dat ‹we› ze allemaal hebben laten verrekken. Vandaar ook de excuses van Balken ende. We weten niet of de afzijdigheid de doorslaggevende factor is geweest; dat kan net zo goed het fanatisme van de vervolgers of de gehoorzaamheid van de slachtoffers zijn geweest – of een ingewikkeld samenspel van die drie. Hier zie je ook de groeiende kloof tussen de historische wetenschap en de maatschappelijke discussie. Een voorbeeld is een artikel in NRC Handelsblad waarin de jodenvervolging in Nederland wordt vergeleken met die in Denemarken. Maar iedere deskundige weet dat die vergelijking niet zinvol is, omdat er in Denemarken veel minder joden waren en de deportaties er later begonnen. Zo’n vergelijking werkt eerder verduisterend dan verhelderend.»

Historicus Jan Bank, hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden, is mild over het mogelijk doorschieten van de drang de mythe over de oorlog te willen doorprikken: «Dat loopt wel los. Hoe verder in de tijd, hoe meer ontnuchtering. Dat is logisch. Maar duidelijk moet zijn dat te allen tijde de jodenvervolging een wezenlijk onderdeel van ons historisch besef over de oorlog blijft. De holocaust blijft een absoluut moreel ijkpunt.» Bank constateert wel een graagte om een beeld neer te zetten van «een passieve natie die aan de kant stond en toekeek», zoals premier Balkenende het ook uitdrukte. «Dat is een standaarduitdrukking geworden, en doet geen recht aan de werkelijkheid.»

Volgens Bank, die geboren is op 10 mei 1940, lopen de wetenschappelijke geschiedschrijving en het publieke debat over dit thema ver uiteen. Die kloof wordt steeds groter, omdat de media sterk geneigd zijn tot hypes. «Binnen de wetenschap ontstond vanaf de jaren zestig al kritiek op de Nederlandse houding. Je zag dat ook gebeuren in het publieke debat, zoals de Weinreb-affaire. Toen liepen wetenschap en publieke opinie parallel, nu niet meer. Bij de recente publicatie over Jan Campert manifesteerde zich dit: het demasqué van een beroemde verzetsheld bracht bij het grote publiek een schok teweeg, terwijl de wetenschappelijke vraag vooral de samenleving van gevangenen in de kampen was. Het blijft een schimmig thema, dat meer onderzoek verdient, hoewel dat wordt bemoeilijkt doordat de daden nauwelijks zijn gedocumenteerd. We weten bijvoorbeeld niet of er een soort volksrechtbanken waren die besloten om iemand om te brengen. Hard oordelen heeft daarom geen zin. Het idee dat het verzet niet louter uit helden bestond is overigens allang gesneuveld. Alleen heeft Van der Heijden zich het grijsdenken toegeëigend en heeft dat het publieke beeld nu sterk bepaald.»

De oorlog na de oorlog is nog lang niet voorbij. Hoe er over tien jaar zal worden herdacht, weet Bank niet, om de eenvoudige reden dat «historici zich nooit bezighouden met de toekomst». Hoewel ze er wel voor worden «gebruikt». Hij vertelt dat er nu vraag is naar Marokkaanse en Surinaamse helden uit de oorlog om nieuwkomers te kunnen betrekken bij de voor «ons» zo belangrijke geschiedenis. De aanleiding voor dit initiatief vormde de Amsterdamse dodenherdenking in 2003, toen Marokkaanse jongens gingen voetballen met kransen en stilte werd overstemd door rap muziek. Enkele graven in Zeeland van Marokkanen uit het Franse leger die daar zijn gesneuveld, zijn nu herdenkingsplaatsen geworden.

Wordt de oorlog opnieuw gebruikt als moreel ijkpunt voor de fundamentele waarden voor de (multiculturele) samenleving van nu? Bank: «Ik geef toe, het heeft iets krampachtigs. Overigens, vermoed ik, zal het belang van de oorlog meer in een Europees perspectief geplaatst worden. Afgelopen week bracht het NIOD een aantal onderzoekers uit alle delen van Europa samen voor een slotconferentie van een programma waarin de Tweede Wereldoorlog op Europese schaal werd bestudeerd. Nee, dat is niet een vorm van grijs. Het is een ontsnapping uit het denken binnen nationale grenzen. Dat betekent meer afstand en analyse.»