Corona: De les na drie maanden

Grillig, hardnekkig en ongenadig

Wat hebben we van deze coronamaanden tot nu toe geleerd? Verwacht geen wonderen: het probleem vergt veel meer expertise dan die van epidemiologen, microbiologen en virologen.

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

‘Loopt Nederland gevaar? Dat wilt u van mij horen.’ Het is vrijdagavond 21 februari en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen houdt in Amsterdam een bijeenkomst over het nieuwe coronavirus. Op dat moment is het virus wereldwijd al geconstateerd bij 76.000 mensen, vlak over de grens in Duitsland en in een Frans skigebied opgedoken. Aan het woord is Aura Timen, hoofd van het Centrum Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding bij het rivm. Ze vervolgt: ‘Euh, weet ik niet.’ De zaal barst in lachen uit. ‘Beeldvorming is heel erg bepalend in deze uitbraak. Alles is mediageniek en alles is media. (…) Maar op dit moment lijkt het me dat we veilig zijn in Nederland.’

Later zou blijken dat het virus op het moment van deze lezing waarschijnlijk al het land was binnengebracht door wintersporters vanuit Noord-Italië. Tijdens carnaval, van 23 tot 26 februari, zou het in Brabant ongezien om zich heen grijpen en een week later zou bij een man uit Loon op Zand als eerste het coronavirus vastgesteld worden.

De beoogde strategie om het virus in de kiem te smoren wordt na ‘het bombardement van gevallen uit Italië’ snel losgelaten. De ggd heeft niet genoeg capaciteit om ieder verdacht geval te testen en de contacten van de betreffende persoon op te sporen. Dat heeft ook geen zin, constateren de deskundigen van het Outbreak Management Team (omt): het virus is niet meer tegen te houden.

Met name dat afblazen van het systematische bron- en contactonderzoek zou Nederland duur komen te staan. Daar waar een land als Zuid-Korea er na een eerste golf van besmettingen alles aan deed om de uitbraak door middel van testen, opsporen en isoleren weer onder controle te krijgen, besloot Nederland de aandacht te richten op het vertragen van de verspreiding en het opvangen van de gevolgen. Flatten the curve.

Op 16 maart zou premier Rutte in een speech de inmiddels beroemde groepsimmuniteitsstrategie presenteren, al werd de framing later wat aangepast: het ‘gecontroleerd rond laten gaan’ was erop gericht de maatschappij niet nog meer te ontwrichten en tegelijk de ziekenhuizen niet te overbelasten.

Kritiek op die strategie was er van begin af aan, al klonk die luider in Groot-Brittannië, dat met een vergelijkbare aanpak begon. Het afschermen van kwetsbaren zou praktisch onhaalbaar zijn, ook onder de gezonde bevolking zouden tienduizenden mensen ernstig ziek worden en duizenden sterven, er was veel te weinig bekend over wat het virus nog meer kon aanrichten dan longontstekingen en het was nog veel te onzeker of iedereen die het virus opliep wel genoeg immuniteit zou opbouwen.

De critici hebben grotendeels gelijk gekregen: door een gebrek aan mondkapjes en andere persoonlijke beschermingsmiddelen zijn er in verpleeghuizen – ondanks bezoekverboden – slachtingen aangericht. De niet-coronazorg is praktisch tot stilstand gekomen. Er zijn aanwijzingen dat het virus hartklachten veroorzaakt en dat ook mensen die slechts thuis uitzieken flinke longschade kunnen oplopen. Onderzoek uitgevoerd door bloedbank Sanquin duidt erop dat nog maar zo’n drie procent van de Nederlanders antilichamen in het bloed heeft. Naar alle waarschijnlijkheid bouwen de meeste mensen met weinig klachten inderdaad onvoldoende immuniteit op.

Ook bij het omt is deze boodschap doorgedrongen: op groepsimmuniteit moeten we voorlopig niet rekenen. Ondertussen is de druk om de huidige lockdown te versoepelen sterk toegenomen. Een van de voorwaarden die het omt hiervoor stelt: voldoende capaciteit voor bron- en contactonderzoek. De meeste ggd’s voeren dergelijke onderzoeken nog wel uit, maar slechts om kwetsbare contacten van mensen bij wie het virus is geconstateerd te waarschuwen en niet om nieuwe uitbraken in te dammen. Daarvoor zal ieder verdacht geval getest moeten worden en zal bij een positieve test iedereen die intensief contact had preventief twee weken in quarantaine moeten. Een helse klus, waarvoor wellicht een app, maar in elk geval een leger vrijwilligers nodig zal zijn – iets waar nog amper op is ingezet.

Als het meezit zijn we straks, dik drieduizend doden verder, terug waar we na die eerste weken hadden moeten blijven: testen, opsporen, isoleren. De vraag is alleen of we daar überhaupt weer kunnen komen. Doordat de Nederlanders ook onder de huidige maatregelen nog relatief veel bewegingsvrijheid genieten, is het niet zeker dat de verspreiding ver genoeg teruggedrongen zal zijn zodat de ggd’s het stokje kunnen overnemen. De onzekerheid is in elk geval groot, schrijft het omt in zijn advies van 20 april: ‘Het is niet mogelijk om op basis van wetenschappelijke bewijzen een strategie uit te werken om de maatschappij weer te openen zonder dat dit zou kunnen leiden tot een mogelijk onbeheersbare verspreiding van het virus.’

Het omt voelt de hete adem in de nek van externe deskundigen, opiniemakers en burgers die vrezen dat het middel op termijn erger wordt dan de kwaal. Wetenschappers roepen op tot het openbaar maken van de ziekteverspreidingsmodellen van het rivm, tot het verbreden van de discussie en het meewegen van meer belangen dan alleen de sterfte en het overspoelen van intensivecareafdelingen.

Deels is die kritiek ingegeven door het besef dat het probleem veel meer expertise vergt dan die van epidemiologen, microbiologen en virologen. Ook het omt realiseert zich dit en schrijft in zijn advies van 20 april: ‘De afschaling van de maatregelen moet bekeken worden vanuit een breder perspectief waarin het omt een van de deskundige medische adviseurs is.’

Welke besmettings­risico’s zijn het waard om weer iets van onze vrijheid terug te krijgen?

Tegelijk dreigt de discussie verder te politiseren, waarbij met name het geluid aanzwelt dat het met dat virus allemaal wel meevalt – behalve voor mensen ‘die toch al oud en zwak zijn’. Dit narratief wordt gevoed door onder meer een studie van de Stanford Universiteit. Deze onderzoekers maten antistoffen in het bloed van 3330 vrijwilligers en concluderen dat al veel meer mensen besmet zijn dan gedacht, waardoor het sterftepercentage weleens lager uit zou kunnen vallen dan bij griep. Probleem: ze wierven hun deelnemers via Facebook. Dat trok vooral mensen aan die klachten hadden ondervonden en wilden laten bevestigen dat ze de ziekte hadden gehad. Selectiebias heet dat.

Ook zonder dergelijke studies blijft staan: verreweg de meeste slachtoffers zijn ouder dan zestig jaar, rekent Robin Fransman op economenblog esb voor. Hij oppert om beheerst te heropenen, te beginnen met gezonde mensen onder de 55 jaar die ook niet samenwonen met kwetsbare personen.

Een interessant idee, maar waar dit aan voorbij gaat, is dat juist in een vrije samenleving als de Nederlandse het scheiden van bevolkingsgroepen, bijvoorbeeld op basis van leeftijd, een risicovolle onderneming is. Ook op dit moment houdt lang niet elke familie zich aan het advies om opa’s en oma’s op afstand te houden – wanneer de jonge generaties zich weer volop in het maatschappelijke leven gaan storten, zal dit wellicht wél dramatische gevolgen krijgen.

Uiteraard verdienen dergelijke scenario’s een serieuze beoordeling, net zoals het idee dat het virus vrijwel alleen bij intensief contact en in slecht geventileerde ruimtes overspringt. In de buitenlucht, bij hogere temperaturen zou het zich veel minder makkelijk verspreiden. Dat zou in elk geval verklaren waarom het virus veel arme landen nog relatief heeft gespaard, al is het door de uiteenlopende fasen waarin de pandemie zich bevindt nog te vroeg voor al te grote conclusies. Met dergelijke theorieën moeten we voorzichtig blijven: ook als ze een kern van waarheid blijken te bevatten, ligt overinterpretatie op de loer.

De coronacrisis speelt op alle niveaus tegelijk en vormt juist daardoor zo’n uitdaging voor een samenleving waarin individuele vrijheid centraal staat. We zullen meer in relatieve risico’s moeten gaan denken. Welke besmettingsrisico’s zijn het waard om weer iets van onze vrijheid terug te krijgen? En hoe houden we daarin rekening met elkaar?

Ook op wereldniveau hangt alles met elkaar samen. De crisis legt pijnlijk de kwetsbaarheid van de internationale gemeenschap bloot. Westerse landen lieten zich overrompelen door een combinatie van virusonderschatting, zelfoverschatting en een selectieve invulling van het begrip vrijheid. In versneld tempo doet deze crisis beseffen dat Zuid-Korea, Singapore en Hongkong niet alleen zijn uitgegroeid tot wereldspelers, maar dat zij ons op cruciale vlakken zijn voorbijgestreefd. De komende jaren zullen we moeten bepalen wat we van hen kunnen en willen leren.

Het adagium lijkt: ieder voor zich. In de strijd om mondkapjes en testen, in het vinden van een exit-strategie uit de lockdown, in het nemen van maatregelen die de economische en maatschappelijke gevolgen moeten beperken. Daar waar de Amerikaanse president Donald Trump, nog meer dan de Britse premier Boris Johnson, het virus eerst nog bagatelliseerde, zoekt hij nu naar anderen om zijn schuld op af te schuiven – eerst China, nu de who.

Die organisatie is volgens veel ingewijden – hoe imperfect ook – in veel beteren doen dan tijdens de grieppandemie van 2009 en de ebola-uitbraken van de afgelopen jaren. Maar de organisatie is gemuilkorfd door de geopolitieke spanningen. Machtige nationale overheden dulden geen kritiek, de who heeft er als apolitieke organisatie zelfs geen mandaat voor. Ondertussen krijgt de who van met name de VS juist dát verwijt: het had China harder moeten aanpakken, eisen moeten stellen. Iets wat Trump naar hemzelf toe onder geen beding zou hebben toegestaan.

Internationale organisaties zijn zo machtig en krachtig als de nationale regeringen die hen toelaten. Binnen die kaders zijn ze zo doelmatig als de belangrijkste personen binnen die organisaties durven zijn. Vandaar dat de who met onder meer Mike Ryan en Tedros Adhanom Ghebreyesus veel meer gezag uitstraalt dan de European Center for Disease Prevention and Control (ecdc). Die organisatie is al bij haar oprichting in 2005 (na sars) door de Europese lidstaten onschadelijk gemaakt en is door een totaal gebrek aan budget verworden tot een papieren tijger.

Er gloort wel enige hoop. De Europese Commissie heeft opgeroepen tot meer samenwerking en heeft een routekaart uitgebracht voor het verlichten van coronamaatregelen. Nationale regeringen zullen moeten tonen in hoeverre ze bereid zijn vanuit dat gemeenschappelijke belang te denken en werken.

In eigen land lijkt de Tweede Kamer zich te herpakken en haar controlerende taak serieuzer op te nemen. In de eerste maanden leek vooral de linkse oppositie het kabinet en zijn deskundigen niet te zwaar te willen aanvallen, wellicht uit vrees politiek opportunisme en antiwetenschappelijke retoriek te worden verweten. Inmiddels lijkt bij hen te zijn doorgedrongen dat het kabinet zich niet alleen maar kan verschuilen achter ‘onze experts’ en dat die experts niet per definitie de waarheid in pacht hebben.

Dat geldt niet alleen in het beleid, maar ook in de wetenschap zelf. Die dendert sneller voort dan ooit, resultaten en datasets worden massaal gedeeld. Dat levert schatten aan kostbare informatie op, maar er is nauwelijks tijd voor fatsoenlijke beoordeling door collega’s, zegt Gowri Gopalakrishna, die wetenschappelijke integriteit bestudeert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. ‘Open wetenschap is goed, maar zonder voldoende controle erop voort te bouwen is gevaarlijk.’

Veel zal afhangen van wat die wetenschap in de komende maanden zal brengen, aan inzichten, helderheid en mogelijke remedies. Een veilig en effectief vaccin zal er binnen een jaar nog niet zijn. Medicijnen voor de ernstig zieken misschien wel – een studie met de bestaande virusremmer remdesivir liet veelbelovende tussentijdse resultaten zien. Maar verwacht ook hier geen wonderen. Daarvoor heeft het virus zich de laatste maanden veel te grillig, veel te hardnekkig en ongenadig betoond.