Tentoonstelling cartoons van Yrrah

Grimlach in zwart-wit

Cartoontekenaar Yrrah wordt zes jaar na zijn overlijden geëerd met boek en overzichtstentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal. Over inventieve zelfmoordenaars en slagers met rolladefixatie. «De werkelijkheid is bedreigender dan de fantasie.»

Een tijdje geleden werd in de Volkskrant een cartoon afgedrukt van Gummbah. Hij tekende een mannetje op het strand dat genietend omhoog kijkt naar een stralende zon. Op zijn T-shirt staat «Schopenhauer». De begeleidende tekst luidt: «Hij heeft het verdiend.»

Het is het soort tekening waarom Yrrah (pseudoniem van Harry Lammertink) zou hebben gelachen zonder geráákt te zijn. Het absurdisme ervan zou hij waarschijnlijk als te vrijblijvend, te aardig en te gemakkelijk hebben beoordeeld. De cartoon was voor de in 1932 te Apeldoorn geboren tekenaar immers geen lichte zaak, zo benadrukte hij in vele interviews. De man die zichzelf bij voorkeur omschreef als een «beperkt talent met een fanatische wil tot slagen» zag zijn tekenwerk niet als verstrooiing, maar als een middel om zijn visie op de menselijke soort uit te drukken. «Alles wat ik teken, is milder dan de werkelijkheid» heeft hij vaak beweerd, met een typisch cartoonesk gevoel voor overdrijving. Zijn kijk op het menselijke doen en laten legde Yrrah — zoon van een winkelier in feestartikelen — vast in zo’n zevenduizend tekeningen («daarvan zijn er misschien een tiental de moeite waard»), die werden gepubliceerd in gerenommeerde bladen als Esquire, Punch, Humo, The Observer, Hara Kiri en Frankfurter Allgemeine. In Nederland werd hij vooral bekend door zijn (wekelijkse) bijdragen aan Het Parool, Vrij Nederland en de Rijam Schoolagenda.

Yrrah mag met recht Neerlands beroemdste cartoonist worden genoemd. Toch is zijn werk na zijn overlijden in 1996 snel uit het zicht geraakt — het lot dat vrijwel iedere in de weekbladen en kranten werkende tekenaar treft — terwijl zijn stijl in Nederland nauwelijks navolging heeft gekregen.

De selectie van zeventig tekeningen in de Kunsthal maakt duidelijk dat Yrrahs oeuvre volstrekt eigenzinnig is in stijl en onderwerpkeuze: de tekeningen zijn de uitdrukking van een strikt persoonlijk universum, bevolkt door monumentale paspopvrouwen, neurotische kinderen, speelgoedguillotines, pessimistische tobbers en inventieve zelfmoordenaars — bevroren uitsneden van een in benauwde kamertjes beleefd horrorscenario, waarin weinig heel wordt gelaten van het menselijk streven inzake macht, aanzien, liefde en geluk.

Gelukkig zijn de tekeningen een stuk minder beladen dan de in woorden vervatte typringen van zijn werk. Rinus Ferdinandusse (voormalig adjunct-hoofdredacteur Vrij Nederland) memoreert in zijn inleiding voor Zwart bloed (samengesteld door Yrrahs tweede vrouw Trudy Nijman en zoon Leander Lammertink) de vele pogingen om Yrrahs verwarring scheppende tekeningen te karakteriseren. «Melancholiek, hard, onpeilbaar, meedogenloos, bizar, cynisch, gekweld en morbide» zijn de adjectieven die steeds opduiken. Met evenveel recht kunnen deze woorden worden vervangen door een opsomming van de voorwerpen en motieven die met ijzeren regelmaat in het werk terugkeren. Te denken valt aan het heren-enkellaarsje, de zolderkamer, vrouwentorso’s, de slager-met-rolladefixatie, psychiaters, de invalide, de strop, de kale-man-met-stoppelbaard-en-bril, het schavot, Jezus, de generaal, de monumentale cup-DD-supervrouw-in-jarretels en de hometrainer-met-bagagedrager. Grote afwezigen in een oeuvre dat de jaren 1955-1995 bestrijkt: de Koude Oorlog, hippies, drugs, protestbewegingen, kabinets leden, het koningshuis, politieke leiders, internationale gezagsdragers (uitzonderingen vormen cartoons over generaal Franco en Prins Bernhard), persoonlijkheden uit de kunst- en cultuurwereld, nationale geschiedenis en het Nederlandse landschap.

Yrrahs cartoons — ongedateerd en tekstloos — staan op een merkwaardige manier los van de tijd waarin ze werden gepubliceerd, maar wisten wel woedende reacties op te wekken bij lezers en establishment. De tekenaar: «Ik verdiep me in de slechtheid, in de schaduwzijde van de mens en die breng ik dan in kaart.» Niet zelden werd hij uitgemaakt voor sadist, vrouwenhater (de feministische actiegroep De Strijdijzers wilde een door Yrrah ingerichte Bijenkorf-etalage met paspoppen, geflankeerd door beul-met-bijl, kort en klein slaan) en perverseling — kwalificaties die Yrrah met vreugde vervulden. Zijn tekeningen handelden over zulke eeuwige zaken als het geloof , de liefde en de dood: «Rampspoed, mislukking, het zijn thema’s waar ik niet van af te brengen ben: de man-vrouw-verhouding, de teleurstelling over de manier waarop mensen zich tegen over elkaar gedragen.» Over de door velen als «gruwelijk» ervaren tekeningen zei de cartoonist: «Wie er even langer over nadenkt, kan niet ontkomen aan het gevoel dat (mijn werk) vol warmte en mededogen is. Ik vrees dat ik een wankelende voorwaarts gaande idealist ben, verzwakt door bloedverlies, die de mensheid met een gong tot de orde wil roepen: hoedt u voor zekerheden! Ik wil dat de mens wordt geactiveerd tot een volwaardige individuele verantwoordelijkheid en dat hij zelf leert beslissen, vanuit zijn eigen gedachtewereld en zijn eigen gevoelsleven.» Waarna meestal «diepe schaamte» volgde bij het teruglezen van zijn met veel gevoel voor verbale barok ten gehore gebrachte spierballentaal.

Yrrah heeft veertig jaar lang getekend, zich bewegend tussen vogelvlucht- en «schutters putjeperspectief» (handelsmerk van de Yrrah-cartoon, waarin de personages massief en dreigend uit de voorgrond oprijzen). De cartoons met de «drie Olympische Jezussen» en de non die bezwangerd wegloopt van de crucifix, joegen menig katholiek het schuim op de mond (het gevreesde RKPN-kamerlid Klaas Beuker trok in 1976 aan de bel, strafvervolging dreigde) maar het eind jaren zeventig vrijwel gedetaboeïseerde Nederland bleek schokvast genoeg om Yrrahs venijnige satire te kunnen verdragen.

De vraag rijst of Yrrahs werk door het hoge Nederlandse tolerantieniveau op den duur nog wel effect sorteerde. Waarbij men zich vervolgens dient af te vragen welk doel de cartoonist, die zichzelf uitdrukkelijk niet als moralist beschouwde, eigenlijk beoogde. Het creëren van prikkelende verwarring, zelfinzicht en het bieden van troost-met-een-grimlach-in-zwart-wit zijn een paar van de termen die te binnen schieten bij het kijken naar de cartoons in de Kunsthal.

De mens mag dan misschien klein zijn, in de greep verkeren van diepe angsten en leven in het besef van volledige ontoereikendheid (Yrrah kwam uit streng gereformeerde huize); dat is geen reden om bij de pakken neer te zitten. Integendeel. Wie de werkelijkheid bedreigender vindt dan de fantasie en van zijn angsten verslag doet in met chirurgische precisie vastgelegde tekeningen, heeft zijn obsessies weliswaar nog niet bezworen (Yrrah: «Ik geloof niet in de dingen van je af tekenen») maar houdt de mensen wel monter een spiegel voor. En dat een padvinder dan als levend opstapje moet dienen voor een zelfmoordenaar die zich aan een boomtak wil opknopen — ’t is, in de woorden van Wim T. Schippers (tegen Yrrah: «maak je werk nóg onbegrijpelijker!») «jammer, maar helaas».

Omtrent de persoon en de tekenaar Yrrah doen vele verhalen de ronde — niet in de laatste plaats door hemzelf de wereld ingeholpen — waarin vooral zijn drankgebruik, zijn depressies (gevleugelde uitspraak op de VN-redactie wanneer de tekenaar de dead line niet dreigde te halen: «Waar is Yrrah? Die zit in de kast met een paardendeken over zijn hoofd!») en legendarische angst voor het maagdelijke vel papier figureren. Rinus Ferdinandusse dist in Zwart bloed smakelijke voorbeelden op, zonder uit het oog te verliezen dat Yrrah in de eerste plaats een car too nist was die het grootste deel van zijn tijd als een «keurige ambtenaar» achter zijn bureau doorbracht.

In tegenstelling tot vakgenoten als Peter van Straaten en Peter Vos bleek de internationaal gelauwerde Yrrah geen tekenaar wiens pen vlot geïnspireerd over het papier vloog. Een cartoon was voor hem de moei zame uitdrukking van een idee, die zo exact mogelijk overgebracht diende te worden. Hij werkte er soms dagenlang aan, schetsend, gummend en steeds opnieuw beginnend, op zoek naar de meest heldere vertaling van zijn gedachten. «Hersengymnastiek» noemde Yrrah zijn werk ook wel, waarbij het erom ging de hersenkronkels in strakke banen te leiden om het venijnige hoofdmotief van de tekening zo effectief mogelijk te laten uitkomen. «Het moment isoleren en het met geweld onder de ogen van de mensen drukken, dat is voor mij dé cartoon. Juist het isoleren van iets kan als een waanzinnige hamerslag werken.»

Dat de details van de tekening soms het shockeffect van de voorstelling relativeerden, werd door weinigen opgemerkt. Zo blijkt de op het eerste gezicht gruwelijke voorstelling van een kind met kiespijn, staande op een zelf getimmerd schavot met galg, te worden getemperd door een technisch verfijnd tandentrekscenario: wanneer het kind de hendel overhaalt en naar beneden stort zal de kies inderdaad met kracht de mond verlaten terwijl het kind gespaard blijft — het touw ligt immers niet om diens nekje maar om de rotte tand. Eenzelfde geruststellende werking gaat uit van de cartoon waarin een lustig erop los knallende scherpschutter tot stilte wordt gemaand door een moederlijk type met huisschort voor, of van de zelfmoordenaar-met-strop-in-de-hand op zoek naar een boom om zich op te knopen: helaas blijkt het bos net gekapt en lachen de boomstronken de zelfmoordenaar toe.

«Tapdansen in een mijnenveld», riep Yrrah eens toen hem werd gevraagd de inhoud van zijn werk te omschrijven — waarbij hij vergat dat absurde maar onschuldige fantasieën even goed tot zijn oeuvre behoren. Bestaat er een sukkeliger man dan de beeldhouwer die na gedane arbeid zijn collectie zelfgeboetseerde vrouwenbillen eens duchtig wil tuchtigen met de negenstaartige zweep?

Het antwoord ligt besloten in de tekening.

Toch nog een Gummbah-moment.

Yrrah, Zwart bloed, de Kunsthal, 13 april t/m 1 september. Het boek Zwart bloed verschijnt bij uitgeverij De Harmonie, Amsterdam. Info: De Kunsthal, tel. 010-4400301, www.kunsthal.nl.