Grimmige opmaat van groots oeuvre

JOSÉ SARAMAGO
OPGESTAAN VAN DE GROND
Uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens
Meulenhoff, 385 blz., € 19,95

Een bliksemcarrière kun je het niet noemen, die van José Saramago. Pas op zijn 58ste, in 1980, debuteerde hij als romanschrijver, maar toen ging het ook meteen zo snel dat die kwalificatie zich alsnog opdringt. Want achttien jaar en zes of zeven romans later, in 1998, kreeg hij de Nobelprijs, als eerste Portugese schrijver. En volkomen terecht, wat mij betreft. Inmiddels is hij 86, heeft hij zijn oeuvre verdubbeld, en werkt hij na een ernstige ziekte weer als vanouds. Dit jaar verscheen zijn laatste – naar eigen zeggen tevens zijn allerlaatste – roman, De tocht van de olifant, de Nederlandse vertaling is voor komend voorjaar aangekondigd.
Niet alleen het woord ‘bliksemcarrière’, ook het woord ‘carrière’ is op Saramago niet van toepassing. Aan planning heeft hij nooit gedaan, van huis uit – een ongeletterd plattelandsmilieu, op zijn vijftiende werkte hij al als machinebankwerker in een ziekenhuis in Lissabon – leek een schrijverschap wel zo ongeveer het laatste wat in aanmerking kwam. Toch heeft hij ook vóór zijn recent in het Nederlands vertaalde romandebuut al ongelooflijk veel geschreven, als journalist (voor de Diário de Lisboa), columnist, politiek commentator, recensent, dichter, toneelschrijver, vertaler. Als vertaler is hij zelfs tot in de jaren tachtig actief gebleven, toen had hij meer dan vijftig titels in uiteenlopende genres op zijn naam staan. Zijn schrijverschap is dus evenmin uit de lucht komen vallen, eigenlijk was Saramago al vanaf zijn vijftiende een bezeten letterknecht.
Voor Opgestaan van de grond had hij ook al diverse romanprobeersels achter de rug, waaronder twee afgeronde boeken, maar over geen van beide was hij erg te spreken. Later heeft hij meer dan eens gezegd dat hij indertijd te weinig levenservaring had om een roman te kunnen schrijven. De lezer van nu kan constateren dat hij – daarnaast of vooral – moet hebben gezocht naar een vorm die het mogelijk maakte de veelomvattende, complexe verhalen te vertellen die hij in zijn hoofd had.
Hoe origineel zijn werk ook oogt, de verhalen die zijn materiaal vormen zijn tot op grote hoogte bestaande verhalen. Het zijn de talloze elkaar aanvullende, bijstellende, gelogen, verzonnen, tegensprekende verhalen die er over alle gebeurtenissen, en zeker de pijnlijkste, nu eenmaal verteld worden. De meervoudsvorm en de contradictie zijn essentieel. Als politiek geëngageerd journalist in een totalitair land wist Saramago maar al te goed dat de officiële en nog juist toegestane verhalen de waarheid geweld aandoen, dat werkelijk afwijkende verhalen alleen op fluistertoon onder vrienden verteld konden worden, en vaak zelfs dat niet, niet zelden ontpopten ook die vrienden zich immers als verraders.
In Opgestaan van de grond is een van die verraders iemand die eerst altijd de stoere held had uitgehangen. Hem konden ze overhoop schieten, ‘als ze bij hem kwamen’, hij zou zijn kaken op elkaar houden. Maar ‘uiteindelijk had hij doorgeslagen, en toen hij vrijkwam was hij dominee geworden’, dus iemand, vult de verteller met sardonisch genoegen aan, die de redding van de mensheid op het programma heeft staan maar als het erop aankomt niet eens bereid is een paar kameraden te redden.
De lezer moet zich realiseren dat Portugal tot halverwege de jaren zeventig niet alleen een dictatuur was, maar wat maatschappijstructuur en ontwikkelingspeil betrof ook nog in hoge mate feodaal. Grootgrondbezitters, in nauwe samenwerking met de republikeinse nationale garde, de geheime politie en de katholieke kerk, buitten de bevolking op een voor eigentijdse Noordwest-Europese begrippen onvoorstelbare wijze uit, bovendien ontzegden ze haar met intimidatie en geweld het recht op eigen verhalen. Dat is de altijd aanwezige sinistere achtergrond van Saramago’s eerste boeken. Het knappe van die boeken is dat hij niet simpelweg een alternatieve versie van de officiële verhalen vertelt, zoals in ouderwetse tendensromans, maar dat hij vele verhalen tegelijk vertelt. Al die verhalen bevatten een deel van de waarheid, al is het duidelijk dat die complexe mengvorm nooit een laf christen-democratisch gemiddelde oplevert. Saramago, sinds 1969 lid van de indertijd illegale communistische partij, maakt er geen geheim van aan welke kant hij staat.
Maar hij heeft lang moeten zoeken naar die polyperspectivische vorm. Kenmerkend voor die vorm zijn allereerst de buitengewoon lange zinnen, waarbinnen de auteur naar hartelust sprongen in de tijd maakt, diverse stemmen aan het woord laat en abrupt overgaat van de directe naar de indirecte rede en terug. Maar ik haast me erbij te zeggen dat de boel nooit in de soep loopt of zelfs maar tot onoverzichtelijkheid leidt. Hoewel het uiteraard om zeer geconstrueerde zinnen gaat, maken ze, voor wie het spreektaalritme eenmaal te pakken heeft, een volstrekt natuurlijke, uit het leven gegrepen indruk. Dat komt ook doordat alle stemmen worden bijeengehouden door een alwetende verteller, die permanent, vaak onmiddellijk en per halve zin, commentaar geeft op de verhalen die hij via-via doorvertelt. Daarbij drijft de auteur trouwens, in en buiten zijn romans, de spot met de aanhangers van het literair-theoretische axioma dat schrijver en verteller twee zeer verschillende instanties zijn – in zijn geval is dat in elk geval niet zo.
Opgestaan van de grond vertelt de geschiedenis van vier generaties landarbeiders. Daarbij komt bijna honderd jaar Portugese geschiedenis in beeld. Saramago noemt de namen van politieke figuren of historische gebeurtenissen expliciet, maar altijd zonder uitleg en terloops, zodat de toelichtende voetnoten van vertaler Harrie Lemmens – alle lof ook voor hem, hij heeft het hele romanoeuvre van Saramago in levendig Nederlands omgezet – geen overbodige luxe zijn. Het boek eindigt met de Anjerrevolutie, maar die kan toch moeilijk als happy end worden gezien na de gruwelen die Saramago met zoveel gevoel voor huiveringwekkende, soms ook hilarische details heeft verteld.
Mateloos onrecht en uitzichtloosheid bepalen de altijd laconieke, bij vlagen cynische toon die de verteller, kruipend in het hoofd van de machthebbers en hun vele ideologische meelopers, zich heeft aangemeten. Na dit grimmige boek was Saramago niet meer te stuiten, het blijkt de opmaat van een reeks meesterwerken: Memoriaal van het klooster, Het jaar van de dood van Ricardo Reis, Het beleg van Lissabon, Het evangelie volgens Jezus Christus.