Breken de jaren tachtig weer aan?

Grimmige parallellen

De jaren tachtig staan heden weer volop in de belangstelling. Massaal wordt er vol nostalgie teruggeblikt op het decennium van recessie en doemdenken. Een generale repetitie voor een nieuwe crisistijd?

Zou het toeval zijn dat Nederland zich juist nu, nog steeds in shock over de Zuid-Amerikaanse liquidatie in het Mediapark, met een huizenhoge recessie in aantocht, met dreigende geruchten over superinflatie en massaontslagen, politiek aan de vooravond van een historische ruk naar rechts, massaal in de nostalgie van de jaren tachtig stort? Is hier een soort generale repetitie aan de gang voor nóg een crisis?

Opeens zijn ze niet meer weg te slaan, de jaren tachtig. Er zijn jaren-tachtigfeestjes en jaren-tachtig-massa-evenementen (zoals het Reflex of the Eighties-spektakel in Ahoy in Rotterdam op 31 mei aanstaande), de mode is helemaal in eighties-sferen, de punk is herboren en radio en tv-zenders braken dagelijks karrenvrachten jaren-tachtignostalgie uit. RTL 5 brengt met groot succes een Nederlandse bewerking van het Britse I love the Eighties, waarbij Bekende Nederlanders zich in alle bochten moeten wringen om nostalgie voor te wenden ten aanzien van typische jaren-tachtigfenomenen als Milli Vanilli, J.R. en Bobby van Dallas, Piet Bukman, gepermanent haar en de bandplooibroek. Radio 2 besteedt heden een volle week aan het cultiveren van het jaren-tachtigsentiment en wordt op de bijgaande website bijkans bedolven onder bedankjes van dankbare veertigers die hun jeugd herbeleven op de tonen van Falco en Whitesnake.

Verbazingwekkend hoeveel ontroering sommigen van hen nog kunnen veinzen bij het terugzien van de eerste verrichtingen van Wham en Duran Duran — de tijd heelt werkelijk alle wonden. Als je niet beter wist zou je bijna gaan denken dat de jaren tachtig een leuke tijd waren. Dat waren ze natuurlijk beslist niet.

De jaren tachtig werden ingeluid met de rellen rond de kroning van Beatrix en het was alsof het koninkrijk daarna nooit meer herstelde van het afscheid van de moeder des vaderlands Juliana. Peilloos pessimisme zette de toon, en het doemdenken werd een religie op zich, met als muzikale illustratie de hit Als de bom valt van de ultieme Nederlandse jaren-tachtigformatie Doe Maar, wier recente reünieconcerten de prelude vormen op de renaissance van het jaren-tachtigdenken.

Wie iets van het authentieke jaren-tachtiggevoel wil ervaren neme het laatste boek van Joost Niemöller ter hand, de roman Broers (2002). Niemöller schetst een beeld van «de verloren generatie» van de jaren tachtig en verwerkt daarin het ultieme broederdrama van die generatie, de affaire rond de nog altijd niet opgeloste bomaanslag op kunstenaar Rob Scholte in 1994, dat Niemöller als een soort mythisch eindstation van de tocht der tranen van de verloren generatie ziet. (Niet voor niets is het omslag van Broers getooid met een foto van het wrak dat van Scholtes auto overbleef.) Het is intrigerende, doch weinig opbeurend stemmende lectuur, bewust geschreven met de toonloze kaalheid van de muziek van de ultieme jaren-tachtigdoemband Joy Division, de formatie rond de tragische onheilsprofeet Ian Curtis, die veelvuldig in de roman opduikt.

De verloren generatie van Niemöller is gehuld in zwarte kleren, heeft bleke gezichten, verblijft in rafelige kraakpanden en gaat diep gebukt onder een knagend gemis naar iets wat ze zelf niet eens kan benoemen. In alles het tegendeel van de verafschuwde hippiegeneratie die haar voorging, is de verloren generatie in Broers in de eerste plaats nihilistisch: no future, en vooral no fun. Grappen worden niet gemaakt in dit in gothisch- zwarte neveltinten gehulde universum. Er is sprake van een soort cultivering van het chag rijn, een principiële kleurloosheid, waarmee nadrukkelijk afstand wordt gedaan van de extatische romantiek van de babyboomers van Woodstock en de grote verwachtingen van de jaren zestig en zeventig.

Wat Niemöller in zijn roman schetst is de subculturele, want uitgeschoten variant op het zogeheten «nieuwe realisme» dat de cultuur en de politiek van de jaren tachtig zo heeft bepaald. Zowel de krakers als hun regentekse tegenstanders werden erdoor gedreven. De jaren tachtig waren voor alles een afscheid van de illusies van de maakbare samenleving. Het sociaal-utopisme van de jaren van Den Uyl maakte na het historische bami-akkoord van Wiegel en Van Agt en de daaraan verbonden restauratie van rechts plaats voor het no-nonsense-beleid van Ruding en Lubbers, dat Nederland onderdompelde in een schier uitzichtloze sociaal-economische crisis.

Daarmee gepaard ging een epidemisch soort conformisme: met de «nieuwe zakelijkheid» werd het fenomeen van de yuppie geboren, de eerste generatie naoorlogse jongeren die niet geïnteresseerd waren in verzet, maar in succes. Geld verdienen, en wel met alle beschikbare middelen, werd weer een maatschappelijk relevante activiteit. De muziekindustrie transformeerde mee en werd schaamteloos commercieel. In de kunst werd de cultus van de camp geboren. Natuurlijk was uit, kunstmatig was in. De wansmaak vierde hoogtij, net als de haarlak, het plastic en vooral de gel, hectoliters gel, op het mechanische ritme van de drumcomputer en met de lege symboliek van de videoclip, die in wezen de enige culturele innovatie van het decennium van de doem markeerde.

Er zijn grimmige parallellen te trekken tussen het huidige tijdsgewricht en de jaren tachtig. De zenuwslopende roep om «geen paniek» die heden weerklinkt vanuit de hoofdburelen van de Nederlandsche Bank doet in veel denken aan de crisisbezwerende geluiden die begin jaren tachtig klonken uit de mond van vooraanstaande politici. Ook nu hangen er massaontslagen in de lucht en neemt de verarming van de bevolking — nu als gevolg van het gierend uit de klauwen gelopen prijspeil van de euro — epidemische vormen aan. De draconische bezuinigingen die momenteel aan de tafel van informateur Jan Hein Donner worden vastgelegd door CDA, VVD en LPF (inmiddels al vastgesteld op zeven miljard euro, vooral te verkrijgen door het afschaffen van het gesubsidieerde werk, de grote motor van het sociaal-democratische Wirtschaftswunder van Wim Kok en Ad Melkert) doen angstwekkend veel denken aan de draconische «saneringsmaatregelen» uit de periode dat Onno Ruding fungeerde als de kille rentmeester van de natie.

Ook nu wordt Nederland meegesleept in een algehele verrechtsing van het politieke klimaat: twintig jaar geleden waren het Reagan en Thatcher en hun strijd tegen het «Rijk van het Kwaad» die ook Den Haag in hun greep kregen, nu zijn het George W. Bush en de kruistocht tegen de «As van het Kwaad» die de stemming bepalen. Toen ging het om kruisraketten, nu om de Joint Strike Fighter. Toen gingen de scheepswerven er massaal aan, nu dreigt het einde voor economische pilaren als de KPN. Het ondernemerswezen ging in de jaren tachtig — denk aan de ontluisterende parlementaire enquête naar het RSV-schandaal — onder evenveel fraudeschandalen gebukt als tegenwoordig (de bouwfraude).

Ook wat betreft de verharding van de tegencultuur zijn er overeenkomsten te zien in de ruwe omgangsvormen in de radicale vleugel van de kraakbeweging die begin jaren tachtig met de introductie van het «knieschot» en het verhoor van onwillige kameraden met behulp van stroomstoten gestalte kreeg, en de nog immer in mysteriën gehulde daad die aan de milieuactivist Volkert van der G. wordt toegedicht in diens strijd tegen het broeikaseffect en bodemverzuring. In beide gevallen heiligt het doel alle middelen, met een grimmigheid die in de regel niet zo snel wordt geassocieerd met het Nederland van Erasmus, Hugo de Groot en Spinoza.

Maar dat zijn niet de enige overeenkomsten tussen het bange jaar des heren 2002 en de jaren tachtig. Waar Den Uyl indertijd door Van Agt en Wiegel werd uitgerangeerd, en voor de PvdA in de jaren tachtig een traumatisch lange wachttijd in de oppositie begon, zijn het nu Kok en Melkert die zijn getroffen door circumstances beyond control. Het eerste kabinet-Balkenende zal een tijdperk inluiden van maatschappelijk en politiek ressentiment zoals die onder al die kabinetten-Lubbers ook gestalte kreeg. Het was de politieke missie van Ruud Lubbers om de geest van de «nutteloze» jaren zeventig uit te bannen. Het ging er natuurlijk vooral om de PvdA te breken met het revolutionaire streven van het eerste kabinet-Den Uyl naar nivellering en de «herverdeling van kennis, inkomen en macht». De jaren van Kok waren natuurlijk lang niet zo politiek ambitieus, maar even goed werd zijn regeerperiode in de afgelopen campagne voor de kamerverkiezingen «gedemoniseerd».

In samenwerking met de krachten van het fortuynisme werd het de politieke missie van Jan Peter Balkenende om de jaren negentig van Paars in het kader van een nieuwe golf morele herbewapening te plaatsen op de horrorafdeling van de nationale geschiedschrijving. Waar twintig jaar geleden werd gesproken over het «failliet van de potverteerders samenleving» en de «matte jaren zeventig», spreekt men nu in navolging van het evangelie van Pim Fortuyn over «de puinhopen van Paars», «het einde van het gedogen» en «het failliet van de multiculturele samenleving». Het zijn strijdkreten die een kruistocht tegen de era van Kok hebben ingeluid.

Overmoedig geworden door zijn electorale uitzichten verordonneerde Balkenende een paar weken voor de verkiezingen in het kader van het einde van het gedogen zelfs een algemeen blowverbod in de Nederlandse huis kamer — een politieke noviteit waarmee wel heel dramatisch werd gebroken met de Verlichtingsidealen zoals die sinds de jaren zeventig van Irene Vorrink tot aan de betere dagen van Paars gemeengoed waren.

Het gaat hier om niet geheel identieke, maar wel zeer nauw aan elkaar verwante politieke processen, die voor alles worden gedreven door wraakzucht en restauratieve ressentimenten. Net zoals in de jaren tachtig het geval was, wordt heden een terugkeer naar traditionele normen en waarden geproclameerd. Daarbij moet men het vooral hebben van een geromantiseerd beeld van de overzichtelijke jaren vijftig, toen geluk nog «heel gewoon» was. Al het maatschappelijke ongenoegen — of het nu gaat om ontspoorde Marokkaanse jongeren of geëscaleerd verkeersgedrag — wordt hier gerelateerd aan de vrijheidslievende idealen van de jaren zestig en zeventig.

Het is een polemische traditie die sinds Bolkestein, Gerry van der List en Pim Fortuyn in turbotempo gemeengoed is geworden in de politieke en journalistieke bovenwereld. In de Letter en Geest-bijlage van Trouw weerklinkt deze «dolkstootlegende» van de jaren zestig even fel als vanuit de kolommen van erkende nieuw-rechtse periodieken als HP/De Tijd en Elsevier.

De moord op Pim Fortuyn luidde het definitieve einde in van de traditionele progressiviteit van de Nederlandse samenleving sinds de jaren zestig. Nederland werd inderdaad «een verweesde samenleving», zoals Fortuyn beschreef in een van zijn boeken, zij het in geheel andere zin dan hij het zelf bedoelde.

Vanzelfsprekend dat in zo’n klimaat de revival van de jaren tachtig zeer goed gedijt. Maar wat toch vooral blijft verbijsteren aan al die nostalgische terugblikken op het decen nium van de doem is de ontroering en het verlangen die eruit spreken. Vreemd hoe een tijdperk dat toch vooral werd bepaald door een collectieve depressie in economische, politieke en culturele zin, postuum kan uitgroeien tot een warm baken van nostalgisch verlangen.

De krachten van de heimwee-industrie, die elke herinnering herkauwt, slaan kennelijk steeds sneller toe. Wellicht neemt men de verschrikkingen van het verleden lichter op als de vooruitzichten zo dramatisch zijn als nu. Wellicht dat de nostalgiemachine nu zo wordt opgevoerd dat we binnen een mum van tijd toe zijn aan een revival van de nineties, en uiteindelijk zelfs de dag van gisteren zal worden onderworpen aan het regime van het jeugdsentiment. Het kan niet snel genoeg gebeuren.