Ha-Joon Chang over de economie van de echte wereld

‘Groei is allerminst zaligmakend’

Als student in Zuid-Korea ontdekte Ha-Joon Chang dat wat in zijn economische lesboeken stond weinig met de realiteit te maken had. Nu is hij het vriendelijke gezicht van een groeiende protestbeweging binnen de economie.

Medium ha joon chang openingsbeeld 01

De zondag voorafgaande aan zijn bezoek aan Nederland sprak Ha-Joon Chang (Seoul, 1963) nog honderden studenten uit de hele wereld toe op een conferentie in Londen. ‘Rethinking Economics’ heette het evenement. Het initiatief lag bij de gelijknamige beweging van ontevreden Britse economiestudenten, die inmiddels internationaal navolging krijgt. De jongeren eisen een nieuw curriculum, waarin meer aandacht is voor economische geschiedenis en behalve de dominante, neoklassieke school ook andere economische stromingen aan bod komen. De crisis was voor hen een wake up call: economie moet weer over de échte wereld gaan.

Het klinkt econoom Ha-Joon Chang, docent aan Cambridge, als muziek in de oren. Zijn onlangs in het Nederlands verschenen boek Economie: De gebruiksaanwijzing (uitgeverij Nieuw Amsterdam) is behalve een voor een zo groot mogelijk publiek geschreven inleiding in de economische wetenschap ook één groot pleidooi voor vernieuwing binnen dat vakgebied. Zijn volle jongensgezicht oogt vermoeid – de hele dag door heeft hij gesprekken gehad met journalisten – maar klaart op als hem naar de conferentie wordt gevraagd. Natuurlijk waren er eerder pogingen om de economische wetenschap van binnenuit te hervormen. Zoals de ‘Beweging voor postautistische economie’, die rond de eeuwwisseling in Frankrijk ontstond, in het kielzog van de globaliseringsprotesten. Maar, benadrukt Chang in het Engels met een onmiskenbaar Aziatisch accent: this time is different.

Vanwaar dat vertrouwen?

‘Protestbewegingen kunnen soms behoorlijk deprimerend zijn. Ook al ben ik het er inhoudelijk mee eens, dan nog is het me vaak te pessimistisch, of juist te bozig. Maar deze studenten zijn heel positief ingesteld. Het is niet van: “Jullie visie is fout, de onze is de juiste.” Nee, ze zijn daadwerkelijk pluralistisch. Ze zeggen: wat ons gedoceerd wordt op de universiteit is niet de enig mogelijke visie op economie. Ze willen kennis nemen van meer, verschillende standpunten. En ze timmeren hard aan een internationaal netwerk. Toen ik vorig jaar op hun conferentie was, waren er vrijwel alleen maar Britse studenten, plus een stel Duitsers. Deze keer zag ik mensen van over de wereld. Er waren zelfs studenten uit landen als Brazilië, Israël en Chili.’

Ook de buitenwereld lijkt nu meer open te staan voor kritische geluiden.

‘Bij de postautistische beweging wisten mensen binnen de economie er wel van, maar buiten de professie had vrijwel niemand er ooit van gehoord. Deze nieuwe beweging heeft een veel effectievere mediastrategie. Ze krijgt behoorlijk wat aandacht in mainstream-kranten, zelfs in The Financial Times. En mensen lijken ook ontvankelijker voor de boodschap. Toen, rond 2000, waren de aanhangers van de vrije markt nog zó overtuigd van hun eigen gelijk. Nu zijn zelfs sommige mainstream-economen bereid te luisteren naar de argumenten van de critici. Hier en daar worden zowaar kleine veranderingen in het curriculum doorgevoerd.

Dat komt ook door de nadruk die de critici leggen op the real world. De meeste studenten kiezen voor economie omdat ze denken dat het hen helpt de wereld te begrijpen en te verbeteren. Eenmaal op de universiteit leren ze alleen maar abstracte theorieën en wiskundige technieken. Dat frustreert ze mateloos. En grappig genoeg krijgen ze, door te wijzen op het gebrek aan relevantie voor de maatschappij buiten de muren van de universiteit, ook steun van mensen uit die echte wereld. Dan moet je denken aan medewerkers van het ministerie van Financiën, van de centrale banken, soms ook mensen die in de private sector werken. Dat is geen overdrijving. Nota bene de Bank of England heeft niet zo lang geleden een conferentie gefaciliteerd over het economie-onderwijs, en welke veranderingen daarin nodig zijn. Hun chefeconoom, Andy Haldane, staat volledig achter deze beweging.’

In 2010 verscheen uw bestseller 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme, waarvan wereldwijd meer dan 650.000 exemplaren verkocht zijn. Daarin prikt u de ene na de andere economische mythe door, met hoofdstukken als ‘De vrije markt bestaat helemaal niet’ en ‘De wasmachine heeft de wereld meer veranderd dan internet’. Als u kijkt naar hoe uw nieuwe boek ontvangen wordt, wat is het voornaamste verschil met toen?

‘Mensen verkeerden in shock. Dertig jaar lang was hen verteld dat alle heil komt van de vrije markt. En toen was daar ineens de ergste economische crisis sinds de Grote Depressie. Ze konden gewoon niet geloven wat er gebeurde. De gangbare reactie die ik kreeg op mijn boek was: “Wow, dit wist ik allemaal niet.” Nu zijn we een stap verder. We kennen de realiteit. Er heerst een zekere gretigheid om lessen te trekken. De eerste vraag die mij nu gesteld wordt is: “Wat kunnen we eraan doen?”

Met prominente economische dissidenten lijkt altijd iets speciaals aan de hand: ze komen uit een ander vakgebied – Keynes was filosoof – of hebben eerst een tijdje iets anders gedaan, zoals Albert Hirschman die in de Spaanse burgeroorlog vocht. Vrijwel zonder uitzondering zijn ze pas via een omweg bij de economie beland.

Lachend: ‘Dan moet ik de uitzondering zijn die de regel bevestigt! Nee, echt, ik heb nooit iets anders gedaan dan studeren en op de universiteit werken.’

Iets moet er toch voor hebben gezorgd dat de gangbare economische waarheden er bij u niet in gingen?

‘Misschien was het voor mij de ervaring van opgroeien in Zuid-Korea. Toen ik economie ging studeren, kon ik wat ons verteld werd in de collegezaal maar niet rijmen met datgene wat buiten – opnieuw: in de echte wereld – gebeurde. Het waren de jaren tachtig. Zuid-Korea was een militaire dictatuur. Op de universiteit kregen wij te horen dat vrijhandel het allerbeste was. Protectionisme? Dat zou op z’n best de economie heel langzaam doen groeien. Maar op dat moment boomde de Koreaanse economie met tien procent per jaar. En dat met importtarieven van dertig tot veertig procent! In tegenstelling tot de geleerde economen zouden gewone Koreanen je hebben uitgelachen als je met zo’n vrijhandelsverhaal was aangekomen. Er was geen vrijhandel, zo simpel is dat. Dat wisten die mensen donders goed. Maar op de universiteit hadden ze het voortdurend over dat soort dingen. Over economische instituties, en hoe enorm hun rol is in de moderne economie, ging het daarentegen nooit.’

‘Dat ongelijkheid, net als hoge werkloosheid, een natuurlijk fenomeen is à la slecht weer in Nederland, is een mythe’

Hoe reageerden uw collega-studenten daarop?

Chang slaakt een diepe, dramatische zucht: ‘Anders dan sommigen van hen, die datzelfde ongemak voelden, ben ik gelukkig niet verleid door het hardline marxisme. Sommigen van hen steunen nu zelfs Noord-Korea! Zeker, ik was ook teleurgesteld door de neoklassieke economie. Maar dát? Uitgesloten.’

U heeft vaker geschreven hoe juist ontwikkelingslanden als Zuid-Korea, die alle neoliberale recepten in de wind hebben geslagen – vrijhandel, geen industriebeleid, kleine overheid, dereguleren, privatiseren – succesvol waren. Ook in onze tijd is zo’n pragmatische mix van een sterke, autoritaire staat met een fors gereguleerde markt in opkomst. Wordt deze ‘Beijing Consensus’ de opvolger van de neoliberale ‘Washington Consensus’?

‘Feit is dat er grote teleurstelling heerst over wat het neoliberale model gebracht heeft. Bedenk wel: het vrijemarktdenken had zijn dominantie binnen de economie niet enkel te danken aan zijn academische verdiensten. Er was veel politieke steun voor dat soort argumenten. Die verliezen nu hun aantrekkingskracht, en op de langere termijn zal dat zeker gevolgen hebben. Maar daar gaat veel tijd overheen. We moeten oppassen voor overhaaste conclusies. Zoals de fameuze Duitse fysicus Max Planck ooit zei: de wetenschap schrijdt voort met één begrafenis tegelijk. Voor echte verandering is een nieuwe generatie economen nodig, met nieuwe ideeën.’

Zelf lijkt u erg gecharmeerd van het naoorlogse, sociaal-democratisch getinte groeimodel. Ook bij mensen als Thomas Piketty en Paul Krugman zie je dat ze terugverlangen naar die gouden decennia van het kapitalisme. Maar is het misschien ook niet meer dan dat: heimwee naar een tijd die niet meer terugkomt?

‘Natuurlijk kan dat wel opnieuw gebeuren. Dat is een kwestie van politieke wil, daarvan ben ik overtuigd. Het naoorlogse model van een gemengde economie volgde toch ook op een lange periode van laisser faire? Als je iemand in 1935 had verteld dat er twintig jaar later volledige werkgelegenheid zou zijn, meer rechten voor vakbonden en een uitgebreide welvaartsstaat, dan had hij je uitgelachen. Droom niet! Maar het kan dus gewoon.

Het helpt om te beseffen hoeveel de overheid ook in onze tijd nog doet. Kijk voor de aardigheid eens naar de omvang van de inkomensongelijkheid in de westerse landen vóór en na belastingen. Dat is een wereld van verschil. Afgaande op de bruto inkomens zouden landen als België en Duitsland ongelijker kunnen zijn dan de Verenigde Staten. Dat zijn ze natuurlijk niet. En daarmee weet je ook meteen dat het een mythe is dat ongelijkheid, net als hoge werkloosheid, een natuurlijk fenomeen is à la slecht weer in Nederland.’

Toch zou volgens Piketty en vele anderen de globalisering een herhaling van dat naoorlogse groeiwonder onmogelijk maken…

‘Globalisering is op de eerste plaats het gevolg van politieke besluiten, niet van technologische ontwikkelingen. In de jaren zestig en zeventig waren, afgezien van het internet, alle communicatie- en transportmiddelen al voorhanden die we tegenwoordig hebben. Hoe verklaar je dan dat de economie in die periode veel minder geglobaliseerd was dan aan het einde van de negentiende eeuw, toen er slechts stoomschepen en telegraafverbindingen bestonden?’

Niet alle omstandigheden en factoren die bijdroegen aan wat de Fransen de Trente Glorieuses noemen, zijn voor herhaling vatbaar. Tenzij je een nieuwe wereldoorlog wilt.

‘In dat argument zit natuurlijk wel iets. Technologie, tijdens de oorlog ontwikkeld voor militaire doelen, vond na 1945 ineens zijn weg naar vreedzame economische toepassingen. Er was veel uitgestelde vraag naar producten en diensten. En uiteraard maakten de Europese economieën en Japan een inhaalslag ten opzichte van de Verenigde Staten. Dus inderdaad: je kunt die historische ervaring niet exact repliceren. Maar dat is ook niet nodig, want het verschil in prestaties tussen die periode en de onze is zó groot! Neem economische groei, die was in de rijke landen de afgelopen tien jaar gemiddeld amper één procent. In de naoorlogse decennia was dat meer dan drie procent. Vooruit, misschien is dat tegenwoordig onhaalbaar vanwege de genoemde factoren. Maar als onze economieën in plaats daarvan 2,5 procent zouden groeien, dan is dat toch nog altijd een enorme vooruitgang?’

Werkelijk? Je kunt je afvragen of westerse landen gebaat zijn bij zo’n hoge groei, gezien de enorme problemen met alleen al de klimaatverandering.

‘Begrijp me goed, wat mij betreft is groei allerminst zaligmakend. Maar ik noem het, omdat dat het sterke punt had moeten zijn van de vrijemarktpolitiek. Over de enorme verschillen in werkgelegenheid en financiële stabiliteit tussen toen en nu zal ik het maar helemaal niet hebben.’

‘Mensen in dit land zouden zéker sceptisch moeten zijn tegenover zelfbenoemde intellectuele autoriteiten’

Terug naar uw nieuwe boek. Om te onderstrepen dat we economen die beweren de waarheid in pacht te hebben moeten wantrouwen, geeft u een uiterst helder overzicht van maar liefst negen economische scholen, inclusief sterke en zwakke kanten. Tot welke rekent u zichzelf?

‘Eerlijk gezegd weet ik niet precies bij welke school ik hoor. Waarom zou ik ook? Ik haat dat denken in hokjes. Ik ben een pluralist op heel actieve wijze. Ik geloof niet enkel in zoiets als economische vreedzame coëxistentie; laat duizend bloemen bloeien, en verder niets. Nee, ik geloof in verschillende scholen die met elkaar in gesprek gaan en daarvan leren. Ik heb bijvoorbeeld net zo veel van Friedrich Hayek als van Karl Marx gelezen. Met beiden ben ik het uiteindelijk niet eens. Maar het zijn alle twee grote denkers. Ze stellen je in staat om de dingen op een totaal andere wijze te zien dan voorheen. Dat is verrijkend. Echt, ik kan het iedereen aanbevelen.’

Welke andere economische denkers hebben u gevormd?

‘Hmm, lastig… Ik zou nog Herbert Simon kunnen noemen. Hij is de man die met begrippen als “begrensde rationaliteit” kwam. Of Albert Hirschman, waarschijnlijk de belangrijkste ontwikkelingseconoom van de twintigste eeuw. Maar zoals je ziet zijn dit alle vier mensen die zelden in combinatie worden gelezen. Mijn smaak is heel eclectisch.’

Is dat zo? Het zijn niet toevallig alle vier denkers met een bijzondere biografie en een uitzonderlijk brede interesse. Herbert Simon was niet alleen econoom, maar ook politicoloog, psycholoog, socioloog en een vermaard computerwetenschapper. Een typische Renaissance Man.

‘Fantastisch, niet? Op specialistische onderwerpen zijn er vast en zeker vele anderen die beter zijn. Maar als je kijkt naar hun ongelooflijk brede visie op de wereld om hen heen, dan vormen deze vier economen een klasse apart.’

Is dat waar het naartoe moet: de economie verrijken met inzichten uit andere wetenschappen? En welke dan? Nu eens wordt gepleit voor meer geschiedenis, dan weer voor een grotere nadruk op empirisch onderzoek. De een wil de economie combineren met de sociale wetenschappen, de ander neemt juist een voorbeeld aan de natuurwetenschappen. Wat is er volgens u nodig?

‘Alles. En dat is niet flauw bedoeld. Maar kijk naar een discipline als de biologie. Biologen bestuderen levende organismen op alle mogelijke wijzen. Onderzoeker A doet anatomie, onderzoeker B voert experimenten uit met ratten. Sommigen werken aan wiskundige modellen van dierlijk gedrag, anderen zitten in de jungle van Burundi berggorilla’s te observeren. Maar ze noemen elkaar allemaal bioloog, want ze zijn slim genoeg om te begrijpen dat levende dieren complex zijn, en niet bestudeerd kunnen worden op één niveau.

Waarom kan dat niet binnen de economie? Ik heb geen problemen met economen die experimenten doen. Sommigen gaan fabrieken in en doen participerend onderzoek, anderen duiken het archief in of houden zich bezig met abstracte modellen. We geloven toch in arbeidsdeling? Zo’n diverse aanpak hebben we nodig.’

In plaats daarvan gedragen economen zich als katholieke geestelijken, zo heeft u wel eens gesteld. Wakend over de enig juiste uitleg van de Heilige Schrift, ronduit vijandig tegenover nieuwsgierige leken die ook wel eens kennis willen nemen van die mysterieuze economie.

‘Het Vaticaan heeft in het verleden vertalingen van de bijbel in levende talen verboden. Gewone mensen konden hem daardoor niet lezen. Trouwens, zelfs al las je Latijn, dan nog bepaalde het Vaticaan wat de juiste interpretatie van de bijbel was. Dus wie was jij om daar als redelijk opgeleide burger in, zeg, de Nederlanden, bezwaren tegen te uiten?’

Maar toen kwam de Reformatie, gingen mensen zelf de bijbel lezen en vormden ze zich een eigen mening.

‘Precies! Mensen in dit land zouden zéker sceptisch moeten zijn tegenover zelfbenoemde intellectuele autoriteiten.’

Is dat wat u probeert te bereiken met uw boeken: de economie toegankelijk maken in normale mensentaal, zodat burgers zich er zelf een mening over kunnen vormen?

Grinnikend: ‘Ik ben niet religieus, dus ik wil deze analogie liever niet te ver doortrekken. Maar inderdaad, gewone burgers moeten zich iets meer vertrouwd maken met het economische taalgebruik. En onthouden dat er niet één waarheid is in de economie. Als je niet eens weet dat er binnen de economie verschillende scholen en debatten zijn, hoe kun je dan democratische invloed uitoefenen op het economische beleid?’


Beeld: Ha-Joon Chang: ‘Er heerst een zekere gretigheid om lessen te trekken’ (Bob Bronshoff).